Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9595

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
324792/FT-RK 12.604
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling ex art. 288 Fw wegens onterecht door laten lopen van belastingteruggaven. Geen stabiele financiele situatie door oplopen alimentatieschuld, geen pogingen ondernomen tot nihilstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

zaaknummer: 324792/FT-RK 12.604

nummer verklaring: EEM0211200050

uitspraakdatum: 20 juni 2012

uitspraak op grond van artikel 288 van de Faillissementswet (Fw)

(“afwijzing toepassing schuldsanering”)

enkelvoudige kamer

[verzoeker],

wonende [adres], [woonplaats],

hierna: verzoeker.

Verzoeker heeft op 17 april 2012 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 25 april 2012 heeft de griffier van deze rechtbank de verzoeker ingevolge artikel 287 lid 2 Fw in kennis gesteld dat zijn verzoek niet compleet is. Verzoeker heeft daarop zijn verzoek aangevuld met de gevraagde stukken.

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 13 juni 2012 in aanwezigheid van de verzoeker en zijn partner, mevrouw [verzoekers partner].

Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt het volgende. Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 242.407,94. Onder de schuldenlast bevinden zich vorderingen van de belastingdienst tot een totaal van € 13.261,00. Eveneens bevindt zich onder de schuldenlast een vordering ten name van [verzoekers ex-partner] inzake niet-betaalde alimentatie, ter grootte van € 27.147,16.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. De schuldenlast van verzoeker bestaat voor een groot deel uit schulden die buiten deze termijn jaar vallen. Dit geldt niet voor de hierboven met name genoemde schulden. De belastingvorderingen zien op inkomensheffingen over de jaren 2008 tot en met 2010, en de vordering van [verzoekers ex-partner] heeft als ontstaansdatum 1 januari 2007.

Ter terechtzitting heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat de belastingvorderingen zijn ontstaan doordat de belastingteruggaven voor (de hypotheekrentebetalingen ten aanzien van) een eigen woning onterecht zijn voortgezet. Verzoeker had hier geen recht op, maar heeft de belastingdienst niet op de hoogte gesteld dat hij reeds in 2004 zijn eigen woning had verkocht. Verzoeker was ervan op de hoogte dat hij dit aan de belastingdienst had moeten melden, maar heeft desondanks de teruggaven gedurende vijf jaar door laten lopen. Verzoeker kon gezien zijn financiële situatie het extra geld wel gebruiken, aldus –samengevat– verzoeker. Gezien de hoogte van de totale schuld en de termijn waarin verzoeker de teruggaven onterecht heeft laten doorlopen oordeelt de rechtbank dat verzoeker de goede trouw inzake deze vorderingen onvoldoende heeft aangetoond.

Daarbij komt onvoldoende duidelijk is of er sprake is van een financieel stabiele situatie. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat de vordering uit hoofde van zijn alimentatieverplichting nog steeds oploopt. Verzoeker betaalt de verschuldigde alimentatie niet, maar heeft eveneens geen pogingen ondernomen om de verplichting te verminderen. Op grond hiervan is onvoldoende aannemelijk dat verzoeker in staat is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

20 juni 2012.