Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9495

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
16/655487-12; 09/257614-11(TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal en inbraken tot een gevangenisstraf van 20 weken waarvan 10 weken voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/655487-12; 09/257614-11(TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

verblijvende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. D. Gurses, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1, feit 2 en feit 3: telkens: in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 in Veenendaal goederen heeft weggenomen uit een auto;

Feit 4: in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 in Veenendaal een fiets heeft weggenomen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2012;

- de aangifte, gedaan door [aangever 3].

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2012;

- de aangifte, gedaan door [aangever 1], mede namens [bedrijf aangever 1].

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2012;

- de aangifte, gedaan door [aangever 4].

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 6 juni 2012;

- de aangifte, gedaan door [aangever 2].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Veenendaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan het Gele Rijderspad en/of de Ruiterijweg geparkeerd staande bestelauto, kenteken [kenteken], voorzien van een bestickering "Hecobouw", heeft weggenomen meerdere gereedschappen waaronder zaagmachines en een schaafmachine en een boormachine, toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Veenendaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de Cavalerieweg geparkeerd staande bestelauto, kenteken [kenteken], heeft weggenomen meerdere gereedschappen waaronder een boormachine, toebehorende aan [aangever 1] en [bedrijf aangever 1], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3.

in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Veenendaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan het Gele Rijderspad geparkeerd staande bestelbus, kenteken [kenteken], heeft weggenomen meerdere gereedschappen waaronder zaagmachines en boormachines en een slijpmachine en een straalkachel, toebehorende aan [aangever 4], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4.

in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Veenendaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets Cortina Urban, kleur zwart, toebehorende aan [aangever 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, feit 2 en feit 3: telkens: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 4: diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken, waarvan 10 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, onder de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en schuldhulpverlening.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is een volledig bekennende verdachte en hij heeft volledig aan het onderzoek meegewerkt. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten gepleegd uit geldnood. Inmiddels heeft verdachte goed contact met de reclassering en hij kan zich vinden in het advies van de reclassering. Daarbij heeft verdachte nu een redelijk inkomen, huisvesting en een betalingsregeling met het CJIB.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een periode van enkele uren gedurende één nacht schuldig gemaakt aan in totaal drie auto-inbraken en één diefstal van een fiets. Door zo te handelen, heeft verdachte in korte tijd en op systematische wijze veel slachtoffers gedupeerd.

Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Niet alleen werden uit de drie auto's goederen weggenomen, maar daarbij werden die auto's ook beschadigd. Bovendien waren de uit deze auto’s weggenomen goederen gereedschappen die voor de beroepsuitoefening van de slachtoffers noodzakelijk waren. Dit heeft voor de slachtoffers tot gevolg gehad dat zij van deze feiten veel ergernis en ongemak hebben ondervonden.

Verdachte heeft kennelijk geen moment stil gestaan bij de hinder, overlast en financiële schade die de slachtoffers van zijn handelen ondervinden. Hij heeft slechts aan zijn eigen financiële nood gedacht en deze willen ledigen ten koste van de slachtoffers.

De rechtbank heeft omtrent de persoon van verdachte rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 april 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De meest recente veroordeling van verdachte voor een soortgelijk feit dateert van 18 januari 2012. Ondanks deze forse waarschuwing ging verdachte slechts anderhalve maand later wederom in de fout.

De rechtbank heeft omtrent de persoon van verdachte tevens rekening gehouden met het reclasseringsrapport d.d. 25 mei 2012. De reclassering merkt daarin op dat reclasseringstoezicht wenselijk is, aangevuld met een meldingsgebod en schuldhulpverlening.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De benadeelde partijen

7.1 De vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 3]

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [aangever 3] toe te wijzen tot een bedrag dat gelijkstaat aan 16 uren verloren arbeidstijd.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de schademaatregel op te leggen met betrekking tot deze vordering benadeelde partij.

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 4]

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [aangever 4] toe te wijzen tot een bedrag dat gelijkstaat aan de door de benadeelde partij gestelde verloren arbeidstijd en de schade aan zijn bestelbus. Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de schademaatregel op te leggen met betrekking tot deze vordering benadeelde partij.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 3]

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering met betrekking tot de verloren arbeidstijd af te wijzen. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat er onvoldoende sprake is van een rechtstreeks verband met feit 1, daar de politie de goederen langer dan nodig onder zich heeft gehouden en voor de benadeelde partij de mogelijkheid bestond om gereedschappen te huren.

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 4]

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering met betrekking tot de verloren arbeidstijd af te wijzen. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat er onvoldoende sprake is van een rechtstreeks verband met feit 3, daar de politie de goederen langer dan nodig onder zich heeft gehouden en voor de benadeelde partij de mogelijkheid bestond om gereedschappen te huren.

7.2 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 560,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 224,00, ter zake van de materiële schade van 8 verloren arbeidsuren tegen een tarief van € 28,00 per arbeidsuur, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de schade door dit feit is toegebracht. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering af.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Ten aanzien van benadeelde partij [aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 1.176,95 voor feit 3. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 741,00, ter zake van de materiële schade van 8 verloren arbeidsuren tegen een tarief van € 37,00 per arbeidsuur en schade aan de bestelbus toebehorende aan de benadeelde partij, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de schade door dit feit is toegebracht. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering af.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 1 maand gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Den Haag op 18 januari 2012 ten uitvoer zal worden gelegd.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, conform de overgelegde pleitnota, de rechtbank verzocht de proeftijd te verlengen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1, feit 2 en feit 3: telkens: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 4: diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 weken, waarvan 10 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Leger des Heils;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd bij de Reclassering Leger des Heils te Amsterdam zal melden, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd wordt verplicht tot medewerking aan schuldhulpverlening, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 18 januari 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 09/257614-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 1 maand gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 224,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [aangever 3] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van € 741,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [aangever 4] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] voor het overige af;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- [aangever 3], € 224,00, 5 dagen hechtenis,

- [aangever 4], € 741,00, 15 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van T.M.J. Belinfante, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2012.