Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9405

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
16/600851-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak voor witwassen en veroordeling ter zake van bezit cocaïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600851-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsvrouwe mr. I.P.J. Beerens, advocaat te De Meern

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 december 2011 en 16 maart 2012, waarbij het onderzoek ter terechtzitting is geschorst. Ter zitting van 7 juni 2012 is de inhoudelijke behandeling van de zaak, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, voortgezet in de stand waarin het zich op de laatste zitting bevond. Ter zitting van 7 juni 2012 hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 24 augustus 2011 te Utrecht samen met een ander 93,38 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;

2. op 24 augustus 2011 te Utrecht een geldbedrag van ongeveer 1.825 euro heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het aantreffen van een hoeveelheid cocaïne in de bagage van verdachte op zijn hotelkamer, de bekennende verklaring van verdachte en het rapport van het NFI, waarin wordt geconcludeerd dat het inderdaad cocaïne betreft.

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal voor dit feit vrijspraak vorderen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit. Zij wijst daarbij op de verklaring van verdachte dat hij contant geld vanuit Frankrijk had meegenomen naar Nederland. De reden dat hij contant geld mee had was dat hij in verband met een saldotekort geen bankpas of creditcard had. Het geld dat hij had meegenomen was om de kosten van zijn verblijf in Nederland te dekken en een deel van het geld heeft hij gebruikt voor de aanschaf van cocaïne.

Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken aldus de verdediging.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, de aanwezigheid van cocaïne, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 juni 2012 ;

- het proces-verbaal van bevindingen betrekking hebbend op de doorzoeking van de hotelkamer van verdachte op 24 augustus 2011 ;

- een rapport Opiumwet van 26 augustus 2011 ;

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 september 2011 .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare processtukken en uit het verhandelde ter zitting niet gebleken is dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van ongeveer 1.825,00 euro afkomstig was uit misdrijf.

Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 24 augustus 2011 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 93.38 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte inbeslaggenomen geld aan verdachte wordt teruggegeven.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat zij kan instemmen met de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne van ruim drieënnegentig gram.

De rechtbank heeft overwogen dat cocaïne een stof is die verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Voorts is het bekend dat gebruikers van een dergelijke stof vaak hun toevlucht zoeken in criminele activiteiten teneinde in hun gebruik te kunnen voorzien.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel justitiële documentatie van 4 mei 2012 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in Nederland in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de hoeveelheid aangetroffen drugs, een gevangenisstraf voor de duur van negentig (90) dagen passend en geboden is. Dit betekent dat de tijd die verdachte tot dusverre in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten honderd dagen, de duur van de op te leggen gevangenisstraf overstijgt. Verdachte zal derhalve niet opnieuw van zijn vrijheid worden beroofd.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van NEGENTIG (90) DAGEN;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van 1.800,00 euro;

- een geldbedrag van 20,00 euro en

- een geldbedrag van 5,07 euro;

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juni 2012.