Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9221

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
16/655357-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor dealen in cocaïne, het in bezit hebben van cocaïne, heroïne en hennep, het voorhanden hebben van twee stroomstootwapens en heling. De reclassering ziet geen meerwaarde in reclasseringstoezicht. Rechtbank ziet geen toegevoegde waarde in eeen voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld enige bijzondere voorwaarde.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655357-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren in 1948 te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heroïne en cocaïne heeft gedeald;

Feit 2: samen met een ander of anderen in het bezit was van ongeveer 6,70 gram heroïne en ongeveer 3,30 gram cocaïne;

Feit 3: samen met een ander of anderen in het bezit was van ongeveer 157,58 gram hennep;

Feit 4: twee stroomstootwapens voorhanden heeft gehad;

Feit 5: een navigatiesysteem en/of twee boormachines heeft geheeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, feit 3 en feit 5 en heeft verzocht om verdachte van deze feiten vrij te spreken.

Voor wat betreft feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen/medeverdachten niet betrouwbaar zijn, omdat zij gebruikers van harddrugs zijn en verdachte de schuld in de schoenen willen schuiven. Daarnaast is op basis van de inhoud van het dossier niet te bewijzen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode aan het feit schuldig zou hebben gemaakt, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat het is toegestaan om een aantal planten voor eigen gebruik in je tuin te hebben staan, zoals bij verdachte het geval was.

De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring feit 1:

Op 24 maart 2011 reed verbalisant [verbalisant] over de [adres] te [woonplaats]. Hij werd aangesproken door een buurtbewoner die hem meedeelde dat er mogelijk drugs werd verkocht vanuit de [adres]. De bewoner zou dagelijks veel korte bezoekjes krijgen. Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie was [verdachte] woonachtig op de [adres]. In de daarop volgende maanden werd verbalisant een aantal keer aangesproken door de buurtpastoor die meedeelde dat ze van diverse buurtbewoners klachten had gekregen over de bewoner van de [adres]. Deze bewoners hadden verteld dat de bewoner zou handelen in verdovende middelen. Op 24 november 2011 werd verbalisant gebeld door een bewoner van de [adres] die meedeelde dat de bewoner van de [adres] handelde in harddrugs.

Naar aanleiding van informatie van verbalisant [verbalisant] op 25 november 2011 over het mogelijk dealen vanuit een drugspand aan de [adres] zijn op 30 november 2011 en vervolgens op 10 januari 2012 en 27 januari 2012 door de politie postacties gehouden bij die woning. Tijdens deze postacties zag de politie dat op verschillende tijdstippen personen afzonderlijk bij de woning komen, dat zij de woning binnen gaan en dat zij na korte tijde de woning weer verlaten.

Tijdens een door de politie gehouden buurtonderzoek op 30 januari 2012 op de [adres] verklaarde een buurtbewoner dat de man die op de [adres] woont al dealt zolang als de man op nummer [nummer] woont. De man woont al op nummer [nummer] sinds het wereld kampioenschap voetbal 2010. Er komen voor de buurtbewoner bekende gebruikers aan de deur bij nummer [nummer], waaronder [C]. De buurtbewoner zag veel verschillende mensen aan de deur komen, die korte bezoekjes van vier tot vijf minuten brengen aan de bewoner van nummer [nummer]. Drie weken geleden stonden twee personen stennis te maken bij nummer [nummer] en één van hen zei “ik wil mijn dope”.

Een andere buurtbewoner verklaarde dat sinds september 2010 meerdere mensen korte bezoekjes brengen aan de bewoner van de [adres].

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie dat de bewoner van de [adres] daar twee of drie jaar woont en dat een maand nadat hij daar was ingetrokken mensen hem korte bezoekjes van een paar minuten kwamen brengen. De personen zijn gebruikerstypes.

Getuige [getuige 2] verklaarde bij de politie dat mensen in en uit lopen bij de bewoner van de [adres]. De mensen zijn maar enkele minuten binnen. Er komen wel eens twintig mensen op een dag.

De politie heeft na de postactie op 27 januari 2012 personen aangehouden die bij de woning van verdachte waren gezien. Deze personen hebben bij de politie een verklaring afgelegd.

[A] verklaarde op 28 januari 2012 dat hij gisteren bij [verdachte] op de [adres] was en dat hij van [verdachte] cocaïne had gerookt. Hij zag [verdachte] regelmatig, in ieder geval één keer per week. Wat hij bij zijn aanhouding bij zich had is de hoeveelheid die hij elke keer van [verdachte] krijgt.

Bij [A] is 1,06 gram crèmekleurige brokken, verpakt in een gripzakje en een stukje aluminiumfolie, aangetroffen en in beslag genomen. De test, waarbij gebruik werd gemaakt van de cocaïnetest M.M.C. International BV, gaf een positieve reactie op cocaïne, een stof die is vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat de crèmekleurige brokken cocaïne bevatten.

[B] verklaarde op 28 januari 2012 dat zij die avond naar Zuilen was gegaan om dope te halen. Haar drugsdealer heette [verdachte]. Ze had die avond voor twintig euro aan cocaïne gekocht. Deze cocaïne was bij haar fouillering aangetroffen. Ze kwam ongeveer twee keer per week bij [verdachte] en kocht dan cocaïne bij hem. Ze kwam ongeveer een half jaar geleden voor het eerst bij [verdachte].

Bij [B] is 0,32 gram crèmekleurig poeder, verpakt in een gripzakje, aangetroffen en in beslag genomen. De test, waarbij gebruik werd gemaakt van de cocaïnetest M.M.C. International BV, gaf een positieve reactie op cocaïne, zijnde een stof die is vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat het crèmekleurige poeder cocaïne bevatte.

[C] verklaarde op 28 januari 2012 dat hij voor 40 euro cocaïne en voor 5 euro heroïne bij zich had toen hij werd aangehouden. Hij had de cocaïne en heroïne gekocht in Zuilen van [verdachte]. Vanaf kerst 2010 haalde [C]constant zijn drugs bij [verdachte]. Hij kocht ongeveer drie keer per week bij [verdachte].

Bij [C] is 0,12 gram bruin poeder, verpakt in een bolletje, 0,36 gram crèmekleurige brokken, verpakt in een gripzakje en 0,30 gram crèmekleurige brokken, verpakt in een gripzakje, aangetroffen en in beslag genomen. De test, waarbij gebruik werd gemaakt van de heroïne test en de cocaïne test M.M.C. International BV, gaf een positieve reactie op heroïne en cocaïne, zijnde stoffen die zijn vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat het poeder heroïne bevatte en de crèmekleurige brokken cocaïne bevatten.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 27 januari 2012 en 28 januari 2012 werd door de politie zowel heroïne als cocaïne en voor de verpakking daarvan bestemd materiaal aangetroffen, alsmede vier weegschaaltjes, zes laptops en veertien mobiele telefoons.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. Op basis van de genoemde verklaringen kan worden bewezen dat verdachte in ieder geval in de ten laste gelegde periode harddrugs heeft gedeald. Gelet op de resultaten van de postacties en de verklaringen van getuigen en buurtbewoners heeft de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van de medeverdachten te twijfelen.

Bewezenverklaring feit 2:

Tijdens de doorzoeking op 27 januari 2012 en 28 januari 2012 in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] werd door de politie in een vest aan de kapstok in de gang twee bolletjes bruin en één bolletje wit aangetroffen. In een slaapkamer werden drie zakjes aangetroffen met vermoedelijk harddrugs.

Uit onderzoek bleek dat de aangeboden partij deels bestond uit 3,30 gram (netto) crèmekleurige brokken, verpakt in een boterhamzak en 6,7 gram (netto) bruin poeder, verpakt in een boterhamzak.

Het representatieve monster van de hoeveelheid van 3,30 gram crèmekleurige brokken werd getest conform het gestelde in de ‘Forensisch technische norm 120.01’ waarbij gebruik werd gemaakt van M.M.C. International BV, zijnde de cocaïnetest. Deze test gaf een positieve reactie op cocaïne, zijnde een stof die is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat de crèmekleurige brokken cocaïne bevatten.

Het representatieve monster van de hoeveelheid van 6,7 gram bruine poeder werd getest conform het gestelde in de ‘Forensisch technische norm 120.01’ waarbij gebruik werd gemaakt van M.M.C. International BV, zijnde de heroïnetest. Deze test gaf een positieve reactie op heroïne, zijnde een stof die is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat het bruine poeder heroïne bevatte.

De rechtbank acht op basis van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 januari 2012 opzettelijk 6,70 gram heroïne en 3,30 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring feit 3:

Tijdens de doorzoeking op 27 januari 2012 en 28 januari 2012 in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] werd door de politie twee potjes met daarin vermoedelijk hennep, en een plastic doos met vermoedelijk softdrugs aangetroffen.

Uit onderzoek bleek dat de partij bestond uit 157,58 gram (netto) gedroogde bloemtoppen. De plantendelen, waaraan de hars niet was onttrokken, werden door de verbalisant die het onderzoek uitvoerde herkend als hennep. Het representatieve monster werd getest conform het gestelde in de ‘Forensisch technische norm 120.02’ waarbij gebruik werd gemaakt van M.M.C. International BV, zijnde de cannabistest. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep, vermeld op lijst II van de Opiumwet.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij een aantal hennepplanten in zijn tuin had staan. Hij verklaarde dat het daarom kon kloppen dat er 157,58 gram hennep in zijn woning was gevonden.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 januari 2012 opzettelijk 157,58 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring feit 4:

Tijdens de doorzoeking op 27 januari 2012 en 28 januari 2012 in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] trof de politie in de woonkamer in een la en in de keuken in een la in totaal twee stroomstootwapens aan.

Onderzoek wees uit dat het ging om een stroomstootwapen van het merk JJ-6400 en een stroomstootwapen van het merk Kelin, model K95. Beide stroomstootwapens zijn wapens in de zin van artikel 2 lid 1 categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de stroomstootwapens op Koninginnedag had gekocht en dat hij deze in zijn woning in een la had gelegd.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 27 januari 2012 twee stroomstootwapens voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring feit 5:

Tijdens de doorzoeking op 27 januari 2012 en 28 januari 2012 in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] trof de politie in een kast in de woonkamer een navigatiesysteem van het merk Mio aan. Tevens werd in een slaapkamer een Hilti accuboormachine en een accuschroefboormachine aangetroffen.

Uit de door [aangever 1] gedane aangifte blijkt dat het navigatiesysteem van het merk Mio tussen 29 september 2011 en 30 september 2011 is gestolen.

Uit de door [aangever 2] gedane aangifte blijkt dat de accuboormachines van het merk Hilti en het merk Makita in de periode van 14 november 2011 tot 18 november 2011 zijn gestolen.

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij de accuboormachines op de zwarte markt in Vleuten had gekocht voor 15 euro per stuk. Het navigatiesysteem had verdachte op de zwarte markt van de Bazaar in Utrecht gekocht, voor een bedrag van 7,50 euro . Hij had geen bonnetjes gekregen, maar hij wist dat je eigenlijk wel een bonnetje moest hebben. Verdachte verklaarde dat de spullen op de zwarte markt goedkoop zijn en dat het meestal om gestolen spullen gaat.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een navigatiesysteem en twee boormachines voorhanden heeft gehad, terwijl hij had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 27 januari 2011 tot en met 27 januari 2012 te Utrecht, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt,

- (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en

- (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 27 januari 2012 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,70 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en 3,30 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.

op 27 januari 2012 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 157,58 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

omstreeks 27 januari 2012 te Utrecht twee wapens van categorie II onder 5°, te weten stroomstootwapens JJ-6400 en Kelin K95, voorhanden heeft gehad.

5.

op 27 januari 2012 te Utrecht een navigatiesysteem Mio en twee boormachines Makita en Hilti voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had behoren te weten, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Ten aanzien van feit 5:

Schuldheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en acht maanden.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd om een beslissing te nemen op de in beslag genomen goederen. De officier van justitie heeft hiertoe de beslaglijst met de door haar gevorderde beslissing op schrift overgelegd aan de rechtbank.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging komt een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel. Een detentie van langere duur zal tot nog meer problemen leiden, omdat verdachte dan zijn woning kwijtraakt. De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte aan zijn verslavingsprobleem moet gaan werken en dat hij daarbij wel wat hulp en begeleiding kan gebruiken. Verdachte stelt zich ook begeleidbaar op, aldus de raadsman.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de in beslag genomen goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode van een jaar schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne en heroïne. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid harddrugs en softdrugs in zijn bezit gehad. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Zowel cocaïne en heroïne als cannabis zijn immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs vaak vermogensdelicten plegen om aan geld te komen voor hun verslaving. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit winstbejag.

Verdachte heeft ook twee stroomstootwapens in zijn bezit gehad. Stroomstootwapens vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Tot slot heeft verdachte een gestolen navigatiesysteem en twee gestolen boormachines in zijn bezit gehad. Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 maart 2012 volgt dat verdachte in 1996 is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Verder is verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland geeft in het voorlichtingsrapport van 8 mei 2012 aan dat verdachte sinds zijn 38ste jaar verslaafd is aan drugs. Deze verslaving heeft zijn verdere leven bepaald. Via de hulpverlening is verdachte in een afkickkliniek terecht gekomen. De behandeling verliep succesvol, maar verdachte viel later toch weer terug in zijn verslaving. Sinds 2006 heeft verdachte begeleiding van het Leger des Heils. Het contact met de hulpverleners verloopt goed en zal na zijn vrijlating worden voortgezet. Centrum Maliebaan zal opnieuw worden ingeschakeld om aan zijn verslaving te kunnen werken. Verdachte is van plan om zich in Marokko te vestigen zodra hij een AOW krijgt en het financieel mogelijk is.

De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarbij worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd, omdat verdachte naar de mening van de reclassering reeds adequate hulpverlening heeft.

De begeleider van verdachte vanuit het Leger des Heils, de heer R. Holthuijsen, was tijdens de zitting aanwezig. Hij vertelde dat hij verdachte wekelijks bezoekt. Het plan is om verdachte een verplicht traject bij Centrum Maliebaan te laten volgen, om de bezoeken aan verdachte te intensiveren en om kamercontrole in te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door verdachte gepleegde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om hiervan af te wijken. Verdachte heeft ter zitting niet laten blijken zijn verantwoordelijkheid te nemen voor hetgeen hij heeft gedaan.

Gelet op het feit dat de reclassering geen meerwaarde ziet in een verplicht reclasserings-toezicht en verdachte zelf heeft aangegeven dat hij (na zijn vrijlating) volgend jaar met zijn AOW-uitkering naar Marokko gaat, omdat hij dan in Nederland niets meer te zoeken heeft, ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld enige bijzondere voorwaarde.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de door verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook volgen in haar eis en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en acht maanden opleggen.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

Het in beslag genomen geld met een waarde van € 335,60 (nummer 1 op de beslaglijst) is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat dit geld aan verdachte toebehoort en geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezen verklaarde feit is verkregen.

7.2 De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen weegschaal (nummer 24), sealbags (nummer 31), wapenstok (nummer 35) en stroomstootwapens (nummer 36) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de weegschaal en de sealbags tot het begaan van het onder feit 1 bewezenverklaarde zijn vervaardigd of bestemd en het onder feit 4 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de stroomstootwapens. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De wapenstok is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer omdat dit aan de verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en het bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit is aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.

7.3 De teruggave aan de rechthebbenden

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen computer, merk Acer Aspire 5520 (nummer 4), boormachine Hilti TE 6-A36 (nummer 28), oplaadapparaat Makita (nummer 30a), boormachine Makita (nummer 30) en navigatiesysteem Mio (nummer 37) aan de rechthebbenden.

7.4 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal van de op de beslaglijst onder nummer 2, 3, 5 tot en met 23, 25, 26, 27, 29, 32 tot en met 34 vermelde in beslag genomen goederen de teruggave gelasten aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 5: schuldheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen geld (nummer 1);

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen weegschaal (nummer 24), sealbags (nummer 31), wapenstok (nummer 35) en stroomstootwapens (nummer 36);

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de in beslag genomen computer, merk Acer Aspire 5520 (nummer 4), boormachine Hilti TE 6-A36 (nummer 28), oplaadapparaat Makita (nummer 30a), boormachine Makita (nummer 30) en navigatiesysteem Mio (nummer 37);

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2, 3, 5 tot en met 23, 25, 26, 27, 29, 32 tot en met 34.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en

mr. G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2012.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.