Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8961

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
305815 - HA ZA 11-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop aan derde en verrekening koopsom, hoewel de vordering.van die derde nog niet opeisbaar was. Benadeling gezamenlijke schuldeisers door samenspanning: onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 305815 / HA ZA 11-848

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

RENÉ HENRI SMINK q.q.,

wonende te Amersfoort,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AZP TWENTE B.V., gevestigd te Maarn,

eiser,

advocaat mr. G.H. Smink,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2],

gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.J. de Gier.

Eiser zal hierna de curator worden genoemd, gedaagden tezamen [gedaagde sub 1] c.s., gedaagden afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De gefailleerde besloten vennootschap zal verder AZP worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 juni 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2011,

- de akte van curator,

- de antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. AZP is op 11 augustus 2009 failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig. AZP werd bestuurd door de heren [operationeel directeur], operationeel directeur en [financieel directeur], financieel directeur. Zij hebben AZP in 2007 opgericht. AZP dreef een onderneming in de autobranche, zich onder meer bezig houdend met verkoop en lease.

2.2. [gedaagde sub 1] drijft een onderneming in de autobranche. Volgens het door de curator overgelegde uittreksel uit het handelsregister is [bestuurder gedaagde sub 1] (verder [bestuurder gedaagde sub 1]) de enige bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 1]. Hij en zijn broer [broer bestuurder gedaagde sub 1] bouwen hun pensioenvoorziening op in [gedaagde sub 2], waarvan zij samen middellijk bestuurder zijn.

2.3. Tussen [financieel directeur] en [bestuurder gedaagde sub 1] bestond oorspronkelijk een connectie, inhoudend het geven (door [bestuurder gedaagde sub 1]) van adviezen over het gebruik van bepaalde software bedoeld voor de autobranche.

2.4. [financieel directeur] heeft [bestuurder gedaagde sub 1] verzocht AZP te helpen financieren, naast de huisbankier Rabobank. Dat is gebeurd in oktober 2007, althans rond de oprichting van AZP in 2007 door het verstrekken van een geldlening door [gedaagde sub 1] van € 100.000,-. Deze geldlening is (al dan niet voor het eerst of omdat nadere afspraken zijn gemaakt) op 14 maart 2009 op schrift gesteld. Met de hand bijgeschreven is dat eind 2010 de helft van de lening moest worden afgelost en eind 2011 de andere helft.

2.5. Op 22 oktober 2007 heeft AZP een bedrijfspand annex woonhuis geleverd gekregen voor een som van € 550.000,-. Op 12 april 2008 is een herwaardering afgegeven door de makelaar die op 27 april 2007 het geheel had getaxeerd. De herwaardering is op schrift gestuurd naar [financieel directeur]. De onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand is vastgesteld op € 545.000,- en van het woonhuis op € 225.000,-. De executiewaarde van het bedrijfspand en het woonhuis samen is op € 667.500,- bepaald. Op 21 april 2008 heeft [gedaagde sub 2] dit geheel geleverd gekregen van AZP voor totaal € 600.000,-.

2.6. De achtergrond van deze verkoop was dat de Rabobank verkorting van de balans verlangde, wilde zij overgaan tot aanvullende financiering. Extra geld was nodig. Er was een liquiditeitskrapte ontstaan door een toename van de voorraad auto’s die moest worden voorgefinancierd door AZP. De omzetvooruitzichten waren positief. [bestuurder gedaagde sub 1] was bereid om zaken te doen op korte termijn, waarmee ook overdrachtsbelasting werd uitgespaard. Dit belastingvoordeel kwam conform de overeenkomst ten goede aan AZP, is aan haar betaald door [gedaagde sub 2] en bedroeg € 33.000,- of € 36.000,-. De onroerende zaken zijn niet aan derden aangeboden.

2.7 Op 14 maart 2009 heeft [gedaagde sub 1] nog eens € 50.000,- geleend aan AZP, terug te betalen eind juni 2009.

2.8 Op 3 juni 2009 heeft AZP aan [gedaagde sub 1] een auto verkocht en zes scootmobielen. Over een concreet bedrag aan koopsom is niet gesproken, maar AZP heeft aan [gedaagde sub 1] haar eigen inkoopprijs berekend, zijnde bijna € 30.000,-. Er is toen of zeer kort daarna geleverd. [gedaagde sub 1] heeft zich beroepen op verrekening van deze koopsom met haar vordering van € 150.000,- uit hoofde van de geldleningen.

2.9 [gedaagde sub 1] heeft eind 2009 / begin 2010 de auto verkocht voor € 11.000,-. De zes scootmobielen heeft zij niet verkocht.

2.10 Na de comparitie heeft [gedaagde sub 1] de zes scootmobielen om niet aan de curator ter beschikking gesteld. De curator heeft de scootmobielen laten taxeren met als peildatum juni 2009. Daarna heeft hij alle scootmobielen verkocht voor een bedrag dat ruim € 5.900,- lager is dan het gemiddelde van de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde en de getaxeerde executiewaarde. De verkoopopbrengst is aan de boedel ten goede gekomen.

3. Het geschil

3.1. De curator heeft zijn eis ter comparitie verminderd en ook in zijn laatste akte leest de rechtbank een eisvermindering. Thans vordert hij dat de rechtbank bij uitvoerbaar verklaard vonnis primair

a. voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen AZP en [gedaagde sub 1] uit juni 2009 en de daarop volgende inbetalinggeving van de scootmobielen en de auto respectievelijk de verrekening, door de curator rechtsgeldig is vernietigd en deze overeenkomst te vernietigen althans nietig te verklaren,

b. (vergelijkbare vordering tegen [gedaagde sub 2] ingetrokken)

c. [gedaagde sub 1] veroordeelt aan de curator € 16.900,- te betalen, vermeerderd met wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) vanaf 29 augustus 2009 tot de dag van voldoening, althans tot een bedrag dat de rechtbank in redelijkheid bepaalt en een rente vanaf de dag van dagvaarding,

d. (op de actio Pauliana tegen [gedaagde sub 2] ingestelde vordering ingetrokken)

Subsidiair vordert de curator onder e. dezelfde hoofdsom en rente van [gedaagde sub 1] op de grondslag van onrechtmatige daad, met een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van AZP.

Subsidiair – maar door intrekking van de vordering inmiddels primair – vordert de curator onder f. dat de rechtbank eenzelfde verklaring voor recht uitspreekt betreffende [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] veroordeelt aan de curator € 137.000,- te betalen, vermeerderd met wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) vanaf 8 februari 2010 tot de dag van voldoening, althans tot een bedrag dat de rechtbank in redelijkheid bepaalt en een rente vanaf de dag van dagvaarding.

Meer subsidiair vordert de curator (onder g en h) dezelfde hoofdsommen en rente van de respectieve gedaagden op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking, met een verklaring voor recht dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

Daarnaast vordert de curator (onder i en j) buitengerechtelijke kosten en (onder k) een veroordeling in de proceskosten.

3.2 Aan de vordering tegen [gedaagde sub 1] legt de curator ten grondslag dat de scootmobielen en de auto aan [gedaagde sub 1] zijn verkocht en geleverd en aldus zijn onttrokken aan het vermogen van AZP en daardoor aan het verhaal van de andere schuldeisers, waartegenover geen opbrengst staat, doordat [gedaagde sub 1] de koopsom heeft verrekend met de uitstaande geldlening, die ten tijde van de verrekening bovendien niet opeisbaar was. Aldus heeft [gedaagde sub 1] zich schuldig gemaakt aan een paulianeuze, althans onrechtmatige handeling, althans heeft zij zich aldus ongerechtvaardigd verrijkt.

Aan de vordering tegen [gedaagde sub 2] legt de curator en grondslag dat de transactie onder de executiewaarde plaatsvond, wat onrechtmatig is tegenover de schuldeisers van AZP, althans waardoor [gedaagde sub 2] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt.

3.2. [gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] wordt afgewezen.

4.2. De onroerende zaken met een executiewaarde van € 667.500,- en een onderhandse verkoopwaarde van € 770.000,- zijn verkocht aan [gedaagde sub 2] – als het voordeel van de overdrachtsbelasting wordt meegeteld is door [gedaagde sub 2] betaald – voor € 633.000,- of € 636.000,-. Wil dat onrechtmatig zijn tegenover de andere schuldeisers van AZP dan is nodig dat AZP ten tijde van de transactie een slechte solvabiliteit had, dat het zicht op verbetering daarvan niet realistisch was en dat [gedaagde sub 2] dat wist of kon weten. Daarover is niets gesteld door de curator. De door de curator overgelegde schriftelijke verklaring van [financieel directeur] – op welke verklaring de curator zich beroept in het kader van zijn bewijsvoering – wijst veeleer op het tegendeel: er was slechts liquiditeitskrapte en de omzetvooruitzichten waren positief, er was sprake van een aanvullende financiering door de Rabobank, alleen was dan een balansverkorting nodig. De onderneming werd op dat moment ongeveer één jaar door AZP gevoerd en het zou – achteraf bezien – nog ruim één jaar duren tot het uitspreken van het faillissement. Onder die omstandigheden kan het onrechtmatige karakter van de transactie niet worden aangenomen. Verdere stellingen die dat anders zouden kunnen maken, heeft de curator niet ontwikkeld.

4.3. Ook is geen sprake van voldoende ontwikkelde stellingen om tot ongerechtvaardigde verrijking te kunnen concluderen. In beginsel zou de overeenkomst tussen AZP en [gedaagde sub 1] waarbij onroerende zaken onder de getaxeerde waarde zijn verkocht kunnen leiden tot een ongerechtvaardigde verarming van de schuldeisers van AZP. Het bestaan van de overeenkomst tussen AZP en [gedaagde sub 1] rechtvaardigt de eventuele verarming van AZP, maar niet de eventuele verarming van de schuldeisers van AZP. Hun verarming is echter niet het rechtstreeks gevolg van die overeenkomst, maar bestaat uit een verslechtering van hun verhaalspositie, zo volgt uit de stellingen van de curator. Die verslechtering moet dan wel verband houden met de overeenkomst, want anders is er onvoldoende sprake van het door de wet verlangde verband tussen deze verarming en de verrijking van [gedaagde sub 1] als gevolg van die overeenkomst. De curator heeft onvoldoende gesteld om dit verband te kunnen aannemen, zo volgt direct uit hetgeen is overwogen in 4.2, waarnaar de rechtbank verwijst.

4.4. De vordering tegen [gedaagde sub 1] betreft de verkoop van de auto en de scootmobielen. Bij deze transactie trad [bestuurder gedaagde sub 1] op voor [gedaagde sub 1] en [operationeel directeur] namens AZP. [bestuurder gedaagde sub 1] heeft op de comparitie gezegd dat over de prijs van de scootmobielen eerst niet is gesproken en dat hem vervolgens de inkoopprijs van AZP werd berekend voor het verkochte. Met die prijs was hij het niet eens, want hij vond die te hoog. De advocaat van [gedaagde sub 1] heeft in het verlengde hiervan betoogd dat je je dus kunt afvragen of er wel een perfecte overeenkomst tot stand gekomen is.

Aan dit verweer – als het als zodanig is bedoeld – gaat de rechtbank voorbij. [gedaagde sub 1] heeft gehandeld alsof er wel een perfecte overeenkomst tot stand was gekomen, door de geleverde scootmobielen te behouden en door tot verrekening over te gaan. Ze heeft ook bij voortduring getracht de scootmobielen aan derden te verkopen, zo leidt de rechtbank af uit het verweer in de conclusie van antwoord nummer 6.6, onder b. Daardoor heeft [gedaagde sub 1] zich gedragen alsof zij toch met de koopsom instemde en daarop mocht AZP afgaan. Er is dus een perfecte koop tot stand gekomen.

4.5. De vordering van de curator op de grondslag van paulianeus handelen wordt afgewezen. Uit de verklaring van [operationeel directeur] – die bij de transactie AZP als enige vertegenwoordigde – blijkt dat hij niet op de hoogte was van de deplorabele toestand van AZP. Hij wist wel dat het minder ging met AZP, maar was juist voortvarend aan het inlopen op betalingsachterstanden aan leveranciers. Degene die dat wel wist, was [financieel directeur], de financiële directeur. Deze had echter geen enkele bemoeienis met deze transactie, omdat hij toen ziek thuis zat. Daar komt bij dat [operationeel directeur] de scootmobielen en de auto verkocht om aan liquide middelen te komen, onder meer om de salarissen te kunnen betalen. Dat bevestigt dat hij nog toekomst zag voor AZP. Volgens zijn verklaring heeft [bestuurder gedaagde sub 1] zich pas na de koop en levering op verrekening beroepen, nadat [operationeel directeur] had gezegd dat betaling eind juni 2009 van € 50.000,- als aflossing op de geldlening niet zou lukken.

De curator heeft van die verklaring geen afstand genomen. De rechtbank moet het er dus voor houden dat de curator de verklaring van [operationeel directeur] onderschrijft en mede als grondslag voor zijn vorderingen gebruikt. Daaruit volgt dat bij [operationeel directeur] die optrad bij de transactie namens AZP – en dus bij AZP – de wetenschap van benadeling niet bestond die nodig is om de transactie te vernietigen op grond van de actio Pauliana. Dat deze wetenschap wettelijk vermoed wordt, wat de curator heeft aangevoerd, doet er niet meer toe. De stellingen van de curator ontkrachten dat vermoeden immers.

4.6. De curator heeft zijn vordering tegen [gedaagde sub 1] subsidiair gebaseerd op onrechtmatige daad. Uit de stellingen van [operationeel directeur], die de curator tot de zijne heeft gemaakt, volgt niet alleen dat deze niet bekend was met de deplorabele toestand van AZP, maar ook dat AZP een acuut liquiditeitsprobleem had. Betaling van ‘primaire zaken’ was niet mogelijk, waaronder de personeelssalarissen. Met de verkoop van de auto en de scootmobielen wilde [operationeel directeur] deze liquiditeitsproblemen oplossen. Bij die focus past niet dat de verkoop plaatsvond met de vooropgezette wederzijdse bedoeling dat de koopsom zou worden verrekend, zoals [gedaagde sub 1] heeft betoogd.

Uit het verweer van [gedaagde sub 1] volgt dat [bestuurder gedaagde sub 1] goed was ingelicht door [operationeel directeur] over de slechte financiële toestand van AZP, zij het dat [operationeel directeur] zelf niet wist dat het nog erger was. Tegen de achtergrond van de wel bij [gedaagde sub 1] bekende gegevens volgt dat verrekening de toestand van AZP alleen maar zou kunnen verergeren. Het acute liquiditeitsprobleem, ook ‘primaire’ verplichtingen rakend, van AZP – dat dus ook bekend was bij [gedaagde sub 1] – werd er niet mee opgelost. Aan AZP werd de kans ontnomen door de verkoop van deze zaken aan een derde dat liquiditeitsprobleem alsnog op te lossen.

4.7. Tegen de achtergrond van het voorgaande zijn aan de rechtbank twee scenario’s geschetst van de volgorde in de gang van zaken. Daarover verschillen [operationeel directeur] en [bestuurder gedaagde sub 1] van opvatting, maar in beide scenario’s is sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1].

4.8. [operationeel directeur] heeft verklaard dat [gedaagde sub 1] pas na de verkoop en levering van de auto en de scootmobielen een beroep op verrekening deed. Dat was in reactie op de mededeling van [operationeel directeur] begin juni 2009 dat de geldlening van € 50.000,- niet zou kunnen worden terugbetaald uiterlijk eind juni 2009, zoals was overeengekomen. Met de wetenschap over de stand van zaken in AZP, als geschetst in 4.6, is het onrechtmatig van [gedaagde sub 1] dat zij zich op dat moment op verrekening beriep. De toestand van AZP kon er alleen maar door verergeren. Er was al een acuut liquiditeitsprobleem, ook de ‘primaire’ verplichtingen rakend; door geen van partijen zijn stellingen gepresenteerd, ook niet in de verklaringen van [operationeel directeur] of [financieel directeur], waaruit de conclusie kan worden getrokken dat andere oplossingen denkbaar waren, laat staan voor het oprapen lagen. [gedaagde sub 1] is tekort geschoten in haar verweer, omdat zij niet heeft uitgelegd waarom zij er niet van hoefde uit te gaan dat de andere schuldeisers werden benadeeld door dit beroep op verrekening. Daar komt bij dat het beroep op verrekening AZP voor een voldongen feit stelde, want zij had al geleverd. En het beroep op verrekening is gedaan in strijd met de wet. Voor verrekening was nodig dat de vordering van [gedaagde sub 1] opeisbaar was. [gedaagde sub 1] doet tevergeefs een beroep op het bepaalde in art. 6:80 lid 1, aanhef en sub b jo. art. 6:83, aanhef en sub c BW. Die artikelen zijn weliswaar volledig van toepassing, maar er volgt niet uit de vordering van [gedaagde sub 1] al voor 1 juli 2009 opeisbaar werd. Een ingebrekestelling was niet meer nodig en verzuim zou meteen intreden, maar dat alles pas na 30 juni 2009.

In het scenario dat door [operationeel directeur] wordt geschetst, is daarom sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1].

4.9. [bestuurder gedaagde sub 1] schetst een ander scenario, althans tot zijn laatste akte, waarin hij zich lijkt te verenigen met het scenario dat door [operationeel directeur] is geschetst. [bestuurder gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij eerst op de hoogte is gesteld van de financiële toestand van AZP en dat toen de verkoop van de auto en de scootmobielen is overeengekomen, met als onderdeel de afspraak dat de koopsom verrekend zou worden met vordering van € 50.000,- van [gedaagde sub 1] op AZP. Het staat partijen vrij zo’n verrekening overeen te komen, ook als de vordering van [gedaagde sub 1] nog niet opeisbaar is. En van een voldongen feit waarvoor AZP zich achteraf gesteld zag, is in dit scenario geen sprake.

Maar in plaats daarvan is in dit scenario sprake van samenspanning tussen [gedaagde sub 1] en AZP om [gedaagde sub 1] ten koste van de andere schuldeisers van AZP te bevoordelen. Zowel [bestuurder gedaagde sub 1] als [operationeel directeur] moeten in dit scenario geweten hebben dat het acute liquiditeitsprobleem van AZP, ook de ‘primaire’ verplichtingen rakend, niet werd opgelost en ook niet meer door de verkoop van de onderhavige zaken aan een derde kon worden opgelost (na verkoop en levering op 3 juni 2009 aan [gedaagde sub 1]). Ze moeten verder begrepen hebben dat de slechte financiële toestand van AZP alleen maar kon verergeren. Aan de rechtbank zijn althans geen stellingen gepresenteerd door een van partijen waaruit de conclusie kan worden getrokken dat andere oplossingen denkbaar waren, laat staan voor het oprapen lagen. Terwijl dat laatste kennelijk nodig was, nu de liquiditeitsproblemen acuut waren. De transactie kan in dit scenario niet anders worden opgevat dan als een samenspanning tussen [gedaagde sub 1] en AZP om eerstgenoemde – die nog geen opeisbare vordering had – ten koste van andere schuldeisers van AZP te bevoordelen. En dat is een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1] tegenover de gezamenlijke schuldeisers van AZP, voor wie de curator opkomt.

4.10. Uit de vorige zin volgt al dat de rechtbank het verweer in de conclusie van antwoord onder nummer 5.2 passeert. Het gaat uit van veronderstellingen waarvan [gedaagde sub 1] zelf al zegt die niet zeker te weten. Het scenario is bovendien zeer theoretisch, waar het geen rekening houdt met de in faillissementen zeer gebruikelijke boedelbijdrage die de curator bij verkoopinspanningen, zelfs louter formele, bedingt van de pandhouder, waartegenover nu een boedelbijdrage ontbreekt. Zeker gelet op de aard van de – in deze veronderstelling – verpande zaken, is het onwaarschijnlijk dat de Rabobank zelf zou executeren en zou een boedelbijdrage aan de orde zijn. Dat heeft effect op de verhaalspositie van alle schuldeisers, omdat de boedel erdoor wordt vergroot.

4.11. De curator heeft de schade uit onrechtmatige daad begroot op € 11.000,- voor de auto en op € 5.900,- voor de zes scootmobielen die aan het verhaal van de gezamenlijke schuldeisers zijn onttrokken.

4.12. De eerste schadepost is niet betwist. Deze zal dus worden toegewezen.

4.13. De tweede schadepost is wel betwist. De curator heeft deze schade berekend door de zes scootmobielen te laten taxeren tegen juni 2009. Zowel de executiewaarde als de onderhandse verkoopwaarde is getaxeerd. Het rekenkundig gemiddelde van deze twee bedragen is € 8.300,-. De curator heeft de zes scootmobielen geveild. Vier zijn aldus verkocht en twee zijn later onderhands verkocht (gelet op de prijs aan een opkoper, vermoedt de rechtbank). De totale opbrengst heeft de curator afgetrokken van de genoemde € 8.300,-. Het verschil van € 5.900,- heeft de curator als schade aangemerkt, ontstaan doordat hij niet in staat was de scootmobielen in 2009 te verkopen.

[gedaagde sub 1] heeft geen opmerkingen gemaakt over de opbrengst of de verkoopstrategie van curator. [gedaagde sub 1] heeft echter de taxatiewaardes tegen juni 2009 betwist. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat zij direct na aankoop ‘serieuze verkoopinspanningen’ heeft ontplooid ter zake de zes scootmobielen. Zij heeft slechts één bod ontvangen, op alle zes tegelijk, van € 3.000,-. Dit verweer wordt gepasseerd. De term ‘serieuze verkoopinspanningen’ is te vaag. Wat [gedaagde sub 1] precies heeft gedaan om tot verkoop te komen, volgt daaruit niet, noch ook met welke mate van intensiteit en gedurende welke periode. Die periode lijkt overigens kort te zijn geweest, ‘direct na aankoop’. Een veiling, al dan niet via het internet, lijkt niet tot die inspanningen behoord te hebben, anders is nauwelijks verklaarbaar dat slechts één bod is ontvangen, terwijl de curator 2½ jaar later in korte tijd alle zes scootmobielen weet te verkopen. Nu het verweer te vaag is, komt de rechtbank niet toe aan het bewijsaanbod van [gedaagde sub 1] ter zake. Ook deze schadepost van de curator zal worden toegewezen.

4.14. Tegen de door de curator gevorderde wettelijke handelsrente is geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze over de toewijsbare hoofdsom van € 16.900,- zal worden toegewezen. In zijn eis heeft de curator, over een andere hoofdsom, de rente berekend over een periode van 28 augustus 2009 tot 18 januari 2011 en deze samen met de rente van daarna gevorderd. De curator vordert echter geen rente op rente, zodat in het dictum de rente (niet verder uitgerekend) kan worden toegewezen over € 16.900,- vanaf 28 augustus 2009.

4.15. Tegen de door de curator gevorderde buitengerechtelijke kosten is wel verweer gevoerd. De activiteiten van de curator zouden te gering zijn om deze kosten te rechtvaardigen en voor het overige voorbereidende gerechtelijke activiteiten betreffen. Dit verweer wordt verworpen. Uit het dossier blijkt dat tussen partijen meermaals contact is geweest in het kader van een schikking. Die handelingen zijn niet te gering om buitengerechtelijke kosten te rechtvaardigen en evenmin te beschouwen als voorbereiding voor de procedure. De kosten worden daarom conform eis toegewezen.

4.16. De vordering van de curator tegen [gedaagde sub 2] wordt afgewezen en die tegen [gedaagde sub 1] wordt toegewezen. [gedaagde sub 1] c.s. procedeerden gezamenlijk. De rechtbank ziet hierin aanleiding de proceskosten tussen partijen te verrekenen in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van AZP,

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan de curator van € 16.900,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) daarover, vanaf 29 augustus 2009 tot de dag van voldoening,

5.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan de curator van € 1.158,- aan buitengerechtelijke kosten,

5.4. verrekent de proceskosten tussen alle partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. verklaart 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.?