Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8898

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
16/600409-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tul afgewezen (cf eis OM) en bijzondere voorwaarde gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600409-10

Datum uitspraak: 29 mei 2012

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht d.d. 20 april 2012.

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [woonplaats], [adres],

heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van een aan veroordeelde opgelegde straf. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De procedure.

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

- een gewaarmerkt extract van voormeld vonnis, waarbij de veroordeelde onder meer is veroordeeld tot -kort gezegd - een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafvordering, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden:

”dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die gegeven worden door of namens Reclassering Nederland zolang de reclassering dat nodig acht en

dat de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA).”;

- een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

- een afschrift van de beslissing van deze rechtbank d.d. 6 juli 2011, waarbij voornoemde bijzondere voorwaarde is aangevuld met de voorwaarde dat “veroordeelde een ambulante behandeling zal ondergaan bij De Waag of een soortgelijke instelling”;

- een brief van de Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem d.d. 13 december 2011, waaruit blijkt dat de veroordeelde voormelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 15 mei 2012, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman, mr. J.G.M. Dassen, alsmede E.M. Versteeg, Reclassering Nederland.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering na voorwaardelijke veroordeling gewijzigd, in die zin dat zij deze aangevuld heeft met de bijzondere voorwaarde zoals gesteld in de beslissing van deze rechtbank d.d. 6 juli 2011.

De raadsman heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de door de officier van justitie ingediende wijziging.

2 De beoordeling.

Op grond van het onderzoek ter zitting, alsmede gelet op de inhoud van voormelde brief van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 13 december 2011, is onder meer gebleken dat De Waag vijf gesprekken met betrokkene heeft gevoerd en heeft laten weten betrokkene niet in behandeling te nemen. De Waag geeft aan dat er geen aanknopingspunten zijn voor een behandeling van betrokkene, nu er sprake is van een gebrek aan probleembesef bij betrokkene omdat hij van mening is dat er niets met hem aan de hand is. De reclassering en De Waag zien wel degelijk dat de wijze waarop betrokkene zich opstelt in conflictsituaties hem in de problemen brengt.

E.M. Versteeg heeft ter zitting de brief en het advies van de reclassering toegelicht en – zakelijk weergeven – verklaard dat veroordeelde zijn afspraken met de reclassering wel goed na komt en dat hij de afgelopen periode geen nieuwe politiecontacten heeft gehad. Het gebrek aan probleem inzicht is, voor zover zij dat kan beoordelen, niet aan veroordeelde zelf te wijten omdat hij het niet in zich heeft dat inzicht te hebben. Behandeling van veroordeelde is wel geïndiceerd, echter op dit moment ziet men geen alternatief waar mee men veroordeelde tot en gedragsverandering kan brengen. Het recidiverisico wordt afgeleid uit het gegeven dat veroordeelde zijn werk is kwijt geraakt nadat hij in een conflictsituatie terecht was gekomen, mogelijk was hij niet ontslagen als hij die situatie anders had aangepakt. De reclassering kan niet aangeven of het huidige contact een toegevoegde waarde heeft omdat men geen zicht heeft op hetgeen veroordeelde doet.

Ter zitting heeft de veroordeelde aangegeven dat de gesprekken die hij met de reclassering voert voor hem wel een meerwaarde hebben. In zijn contacten met de reclassering bespreekt hij de situaties waarin hij terecht is gekomen. De reclassering geeft in die gesprekken een andere kijk op die situaties en geeft hem een advies waar hij wat mee kan doen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen en de opgelegde bijzondere voorwaarden te wijzigen, in die zin dat de voorwaarden die betrekking hebben op het deelnemen aan de COVA training en het meewerken aan een behandeling bij De Waag komen te vervallen en waarbij de voorwaarde van reclasseringscontact gehandhaafd blijft.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie dient te worden afgewezen en dat de aan veroordeelde opgelegde bijzondere voorwaarden dienen te worden gewijzigd.

De rechtbank overweegt daartoe dat de bij bijzondere voorwaarden opgelegde behandelingen van veroordeelde niet van de grond zijn gekomen, zonder dat hem daarover een verwijt gemaakt kan worden en dat de reclassering thans geen alternatieven hiervoor heeft. Voorts heeft de veroordeelde kennelijk wel baat bij het reclasseringscontact, mede gelet op het feit dat hij tot op heden geen nieuwe politiecontacten heeft gehad.

BESLISSING:

De rechtbank:

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis.

Wijzigt de bijzondere voorwaarde, vastgesteld in voormeld vonnis in die zin dat deze komt te luiden:

´dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die gegeven worden door of namens Reclassering Nederland zolang de reclassering dat nodig acht.”

Aldus gedaan door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn, rechters, bijgestaan door G. van Engelenburg als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 29 mei 2012.

Mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.