Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8791

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
324771 HARK 12-276
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 324771 HARK 12-276

beslissing van 19 juni 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

Mr. [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen mr. [verzoeker],

verzoeker.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 23 mei 2012 heeft mr. [verzoeker] bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van

mr. A.M. Crouwel, rechter in de sector Familie & Toezicht van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak van [verzoeker] tegen

[ex-echtgenote], bijgestaan door mr. P.A. Schippers, die aldaar is geregistreerd onder zaaknummer 317690 / FA RK 12-1.

1.2. Mr. Crouwel heeft niet in de wraking berust. Mr. Crouwel heeft op 31 mei 2012 haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de rechtbank doen toekomen.

1.3. De griffier van de rechtbank heeft mr. [verzoeker] en mr. Crouwel opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 5 juni 2012. Mr. Schippers is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Het wrakingsverzoek is op 5 juni 2012 in het openbaar behandeld. Daarbij waren

mr. [verzoeker] en mr. Crouwel aanwezig. Mr. [verzoeker] heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht en mr. Crouwel heeft haar standpunt nader toegelicht en geconcludeerd dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

1.5. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

De hoofdprocedure betreft een door verzoeker tegen zijn ex-echtgenote [ex-echtgenote] ingediend verzoekschrift tot wijziging van partneralimentatie. In die zaak heeft op de zitting van 16 mei 2012 de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

3. Het verzoek

3.1. Mr. [verzoeker] legt aan zijn verzoek tot wraking het volgende ter grondslag.

Door het handelen van mr. Crouwel op de zitting van 16 mei 2012 werd bij verzoeker de indruk gewekt dat hij in een ongelijke strijd terecht was gekomen en dat hij onvoldoende werd gehoord. Verzoeker heeft daartoe met name drie punten naar voren gebracht:

1- Mr. Crouwel deelde aan het begin van de zitting mede dat zij de door verzoeker ingezonden pleitnota van achttien pagina’s niet had gelezen en dat deze pleitnota verder buiten beschouwing zou worden gelaten, omdat de pleitnota niet tijdig was ingediend. Mr. Crouwel verwees daarbij naar het procesreglement. Verzoeker heeft tegen deze beslissing op de zitting bezwaar gemaakt en heeft mr. Crouwel erop gewezen dat hij vanwege de omvang van zijn pleitnota op 14 mei 2012 telefonisch contact had opgenomen met de rechtbank om te overleggen over het al dan niet accepteren van de pleitnota door de rechtbank. Verzoeker heeft na het faxen van zijn pleitnota geen commentaar van de rechtbank vernomen. Doordat verzoeker pas op de zitting hoorde dat zijn pleitnota niet geaccepteerd werd kon hij zich niet meer op een andere wijze voorbreiden op de mondelinge behandeling. Het niet met verzoeker over de ingediende pleitnota in debat gaan en het niet op voorhand vaststellen dat de wederpartij geen bezwaren tegen de pleitnota had, getuigt van een persoonlijke instelling van vooringenomenheid en partijdigheid bij mr. Crouwel. Zo hier geen sprake zou zijn van persoonlijke vooringenomenheid bij mr. Crouwel dan heeft zij ten minste de schijn van partijdigheid gewekt.

2- Mr. Crouwel heeft tijdens de zitting verzoeker het woord gegeven om zijn verzoek toe te lichten. Tijdens zijn toelichting gaf verzoeker op enig moment aan dat hij nog gebruik wilde maken van zijn schriftelijke zittingsnotities en dat hij die notities van de toegestane twee pagina’s ook wilde overleggen. Mr. Crouwel zei daarop dat verzoeker nog slechts drie minuten spreektijd had en dat was volgens haar te weinig om deze zittingsaantekeningen voor te dragen. Mr. Crouwel heeft het overleggen van de zittingsaantekeningen geweigerd en verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen de resterende tijd een samenvatting daarvan te geven. Dit tweede conflict versterkte bij verzoeker het gevoel dat mr. Crouwel “tegen” verzoeker was. De omstandigheid dat mr. Crouwel verzoeker een zeer fundamenteel recht in het kader van hoor en wederhoor heeft ontnomen leidde ertoe dat mr. Crouwel in alle objectiviteit niet geacht kon worden onpartijdig te zijn, althans op zijn minst de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

3- Ter zitting heeft mr. Crouwel tot verbazing van verzoeker op verzoek van de wederpartij toegelaten dat de wederpartij na de zitting nog stukken zou overleggen, indien mr. Crouwel dat van belang zou achten. Mr. Crouwel heeft de wederpartij niet voorgehouden dat aan een zodanig verzoek reeds voorafgaand aan de zitting had moeten zijn voldaan. De gerechtssecretaris had immers op 10 mei 2012 telefonisch aan verzoeker medegedeeld dat aan de wederpartij een eerste bevel ex artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) was gegeven en dat het tweede bevel ex artikel 22 Rv die dag nog aan de advocaat van de wederpartij zou worden gegeven. Mr. Crouwel heeft het aldus aan de wederpartij toegestaan om niet te voldoen aan de twee bevelen ex artikel 22 Rv zonder daaraan de conclusie te verbinden die dat artikel daarvoor geeft. Dit versterkte bij verzoeker het gevoelen van vooringenomenheid bij mr. Crouwel.

Verzoeker concludeert dat de door hem aangehaalde feiten en omstandigheden een concrete en zwaarwegende aanwijzing zijn voor het oordeel dat mr. Crouwel jegens hem een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij hem bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd was.

3.2. De reactie van de betrokken rechter is als volgt:

Mr. Crouwel heeft ter zitting toegelicht dat de zitting op 16 mei 2012 stroef verliep en dat zij achteraf bezien wellicht op een aantal punten ook anders had kunnen beslissen dan zij tijdens de zitting heeft gedaan. Mr. Crouwel vindt het spijtig dat dat niet is gebeurd, maar is van mening dat zij daarmee niet partijdig of vooringenomen is geweest en dat zij daarmee ook niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

Ten aanzien van het weigeren van de pleitnota heeft mr. Crouwel opgemerkt dat verzoeker op 14 mei 2012 per fax een pleitnota van achttien pagina’s naar de rechtbank had gezonden. Ten tijde van de zitting was mr. Crouwel niet op de hoogte van de inhoud van de door verzoeker gestelde communicatie met de griffier omtrent het al dan niet toezenden van de pleitnota van een dergelijke omvang. Het beleid van de rechtbank, dat ook gepubliceerd is op www.rechtspraak.nl, bij dit soort levensonderhoudzaken is dat een pleitnota van maximaal twee pagina’s wordt toegestaan. Daarnaast volgt uit artikel 5.3 van het toepasselijke landelijke procesreglement dat nadere stukken en/of producties tot uiterlijk tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Mr. Crouwel heeft haar beslissing om de pleitnota te weigeren op deze twee uitgangspunten gebaseerd. Zij is daarom van mening dat ze met die beslissing geen partijdigheid of vooringenomenheid heeft getoond en ook niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

Ten aanzien van het weigeren van het overleggen van de zittingsaantekeningen heeft

mr. Crouwel opgemerkt dat zij verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunt mondeling toe te lichten in de aan hem daartoe toebedeelde tijd van tien minuten. Aan verzoeker was bij oproepingsbrief van 16 maart 2012 al medegedeeld dat er voor de hele zitting dertig minuten was uitgetrokken. Om redenen van efficiency en proceseconomie heeft mr. Crouwel verzoeker drie minuten voor het einde van de tien minuten erop gewezen dat hij tot een afronding moest komen. Verzoeker verzocht toen zijn twee pagina’s tellende zittingsaantekeningen te mogen voordragen en overleggen. In verband met de tijd heeft

mr. Crouwel verzoeker aangeraden een samenvatting te geven en heeft mr. Crouwel het overleggen van de zittingsaantekeningen geweigerd, omdat verzoeker binnen de drie minuten deze niet in z’n geheel zou kunnen voordragen. Ook hierin ziet mr. Crouwel geen partijdigheid of (schijn van) vooringenomenheid terug.

Ten aanzien van het bevel ex artikel 22 Rv heeft mr. Crouwel opgemerkt dat zij ter zitting heeft aangegeven dat zij zich nog zou beraden over de beslissing ex artikel 22 Rv naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren zou komen. Mr. Crouwel heeft toegelicht dat er geen sprake is geweest van een reeds een- of tweemaal voorafgaand aan de zitting door haar gegeven bevel ex artikel 22 Rv. De door verzoeker opgeworpen bezwaren op dit punt zijn daarom naar de mening van mr. Crouwel niet ter zake doende.

Mr. Crouwel heeft voorts nog toegelicht dat zij om partijen een gelijke mogelijkheid te geven hun standpunten naar voren te brengen ook bij de wederpartij strak de hand heeft gehouden wat de tien minuten spreektijd in eerste termijn betreft. Vervolgens heeft zij beide partijen nog in tweede termijn nadere opmerkingen laten maken. Verzoeker heeft ter zitting alle van belang zijnde standpunten uit zijn verzoekschrift nader kunnen toelichten en onderbouwen. Mr. Crouwel is van mening dat zij verzoeker en de wederpartij ieder een gelijkwaardige gelegenheid heeft gegeven aan de zaak deel te nemen. Naar de mening van mr. Crouwel hebben zich dus geen feiten of omstandigheden voorgedaan die ertoe leiden dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid.

4. De beoordeling

4.1. De ontvankelijkheid van het verzoek tot wraking

4.1.1. Het standpunt van mr. Crouwel

Mr. Crouwel heeft in haar reactie primair naar voren gebracht dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder verwijzing naar hetgeen artikel 37 Rv bepaalt. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept hebben zich voorgedaan ten tijde van de zitting van 16 mei 2012. Het had daarom op de weg van verzoeker gelegen om reeds ten tijde van de zitting een wrakingsverzoek te doen en niet pas een week na de zitting, aldus mr. Crouwel.

4.1.2. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij zijn wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de zitting van 16 mei 2012 in de middag heeft plaatsgevonden, het de dag daarna Hemelvaartsdag was, de vrijdag daarna de rechtbank eveneens gesloten was en hij pas op maandag 21 mei 2012 bij de rechtbank heeft kunnen informeren naar de naam van de betreffende rechter die de zaak behandelde. Verzoeker gaf ook te kennen enige tijd nodig gehad te hebben om over hetgeen zich op de zitting had voorgedaan na te denken en met collega’s overleg te hebben gepleegd over het al dan niet indienen van een wrakingsverzoek. Verzoeker is van mening dat hem onder deze omstandigheden niet verweten kan worden dat hij te lang heeft gewacht met het indienen van het verzoek en dat daarbij evenmin het ‘zodra-vereiste’ van artikel 37 Rv is geschonden.

4.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat in artikel 37 Rv is bepaald dat het verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Weliswaar waren de in het wrakingsverzoek aangevoerde feiten en omstandigheden reeds ter zitting van 16 mei 2012 bekend, maar het indienen van een wrakingsverzoek vergt enig beraad. Nu in deze zaak naar het zich laat aanzien sprake is geweest van een opeenstapeling van beslissingen/mededelingen op de zitting van 16 mei 2012, die voor verzoeker uiteindelijk de reden zijn geweest om het wrakinsgverzoek in te dienen, kan de rechtbank zich voorstellen dat verzoeker enige tijd nodig had om zich op zijn verzoek te beraden. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met het feit verzoeker als advocaat zijn eigen verdediging voert in de hoofdzaak. De indiening op de derde werkdag na de zitting acht de rechtbank daarom nog in overeenstemming met het bepaalde in artikel 37 Rv. De rechtbank acht verzoeker aldus ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2. Het verzoek tot wraking van mr. A.M. Crouwel

4.2.1. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.2.3. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. Crouwel jegens verzoeker. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij mr. [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees dat mr. Crouwel jegens mr. [verzoeker] een vooringenomenheid koestert -objectief- gerechtvaardigd is.

4.2.4 De rechtbank maakt uit hetgeen door verzoeker en mr. Crouwel naar voren is gebracht op dat op de zitting van 16 mei 2012 de communicatie tussen de partijen stroef en enigszins ongemakkelijk is verlopen en dat achteraf bezien wellicht andersluidende beslissingen hadden kunnen worden genomen. Dat die andersluidende beslissingen niet zijn genomen levert echter naar het oordeel van de rechtbank geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het oordeel dat mr. Crouwel partijdig is geweest dan wel dat zij de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

4.2.5 Verzoeker heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota van achttien pagina’s aan de rechtbank gefaxt. De rechtbank maakt hieruit op dat verzoeker deze pleitnota heeft willen invoeren als processtuk. Mr. Crouwel heeft de pleitnota direct aan het begin van de zitting als processtuk geweigerd, omdat deze op basis van het procesreglement te laat was ingediend en omdat deze volgens het algemeen gevoerde beleid van de rechtbank zestien pagina’s als pleitnota te lang was. De beslissing om de pleitnota als processtuk te weigeren moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Het middel van wraking is niet bedoeld om te ageren tegen dergelijk onjuist geachte beslissingen. Als verzoeker het niet eens is met die beslissing heeft hij de mogelijkheid deze in een eventueel ingesteld hoger beroep in te brengen.

4.2.6 De rechtbank overweegt nog op dit punt dat verzoeker ter zitting te kennen heeft gegeven ervan op de hoogte te zijn dat het beleid van de rechtbank is om pleitnota’s te beperken tot maximaal twee pagina’s. Dat verzoeker daarmee bekend was blijkt ook uit het feit dat hij voor de zitting contact heeft opgenomen met de rechtbank over zijn voornemen om een pleitnota met een betrekkelijk uitvoerige omvang bij de rechtbank in te dienen. Uit het feit dat verzoeker daarbij aan de secretaresse van de gerechtssecretaris de vraag heeft gesteld dezelfde dag met hem te overleggen of de pleitnota door de rechtbank zou worden geaccepteerd, hetgeen niet is gebeurd, had verzoeker niet de conclusie mogen trekken dat de pleitnota door de rechter zou worden geaccepteerd. De beslissing van mr. Crouwel op zitting om de pleitnota niet als processtuk aan te nemen was gebaseerd op de bij verzoeker bekende van toepassing zijnde regels. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat mr. Crouwel met die beslissing partijdig dan wel vooringenomen is geweest en ook niet dat zij daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

4.2.7 Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat mr. Crouwel op de zitting niet zowel verzoeker als de wederpartij dezelfde mogelijkheid heeft gegeven om hun standpunten naar voren te brengen en dat zij niet zowel verzoeker als de wederpartij aan de voor hen bestemde tien minuten spreektijd heeft gehouden. Daar komt bij dat verzoeker door de informatie in de oproepingsbrief voor de zitting er reeds van op de hoogte was dat er dertig minuten voor de zitting was uitgetrokken en dat hem door mr. Crouwel op zitting voordat hij het woord kreeg is gezegd dat hij tien minuten spreektijd had. Het moet ook voor verzoeker duidelijk zijn geweest dat hij, door pas drie minuten voor het einde van zijn spreektijd aan te geven dat hij van zijn twee pagina’s zittingsaantekeningen wilde gebruikmaken en hij deze wilde overleggen, hij hiertoe niet meer de volledige mogelijkheid zou hebben. Verzoeker heeft vervolgens de mogelijkheid gekregen om een samenvatting van zijn zittingsaantekeningen te geven en hij heeft in tweede termijn nogmaals de gelegenheid gekregen nadere opmerkingen te maken. Dat mr. Crouwel het volledig voordragen en overleggen van deze zittingsaantekeningen om redenen van efficiency en proceseconomie heeft geweigerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat zij partijdig is geweest of daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

4.2.8 De rechtbank overweegt tot slot dat verzoeker van mening is dat door mr. Crouwel voorafgaande aan de zitting twee keer telefonisch een bevel ex artikel 22 Rv aan de wederpartij is gedaan. Het punt van verzoeker dat mr. Crouwel voorafgaande aan de zitting reeds (een) bevel(en) ex artikel 22 Rv aan de wederpartij had afgegeven vindt geen steun in de telefoonnotitie d.d. 10 mei 2012 van de gerechtssecretaris die zich in het dossier in de onderliggende zaak bevindt. Uit die telefoonnotitie maakt de rechtbank op dat voorafgaande aan de zitting telefonisch met verzoeker is gesproken over het overleggen van stukken door de wederpartij, maar niet dat in dat kader een bevel ex artikel 22 Rv aan de wederpartij is afgegeven. Dat voorafgaande aan de zitting telefonisch slechts over het overleggen van stukken is gesproken wordt ook gezegd door mr. Crouwel. Zij heeft ter zitting van de wrakingskamer benadrukt dat er voorafgaande aan de zitting wel telefonisch contact is geweest over het overleggen van producties, maar dat er geen sprake is geweest van een reeds een- of tweemaal voorafgaande aan de zitting door haar gegeven bevel ex artikel 22 Rv. Daarom heeft mr. Crouwel op zitting aangegeven dat zij zich naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren zou komen zou beraden ten aanzien van een beslissing ex artikel 22 Rv. De rechtbank ziet in het punt van verzoeker dat mr. Crouwel ter zitting heeft aangegeven dat er geen bevel ex artikel 22 Rv was gegeven dan ook geen reden om te veronderstellen dat mr. Crouwel partijdig is geweest dan wel dat zij de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Van een dergelijk gegeven bevel was immers geen sprake. Voor het horen als getuige van de betreffende gerechtssecretaris, zoals verzoeker heeft verzocht, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

4.9. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot wraking van

mr. Crouwel af.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking af;

5.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

mr. [verzoeker] en mr. Crouwel, alsmede aan de voorzitter van sector Familie & Toezicht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. ter Brugge, mr. A.C. van den Boogaard en

mr. G. Perrick en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012, in aanwezigheid van de griffier.

Mr. Perrick is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.