Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8669

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
SBR 12-1810 en SBR 12-1811
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen hangende bezwaar.

Het besluit tot sluiting van het hotel en het café en intrekking van de exploitatievergunningen door de burgemeester en het besluit tot intrekking van de drank- en horecavergunningen door het college blijven naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de bezwaarfase in stand.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/1810 en SBR 12/1811

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2012 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Groot Zeist B.V., te Zeist, verzoekster,

(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist),

en

de burgemeester van de gemeente Zeist en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Visser, advocaat te Utrecht).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de burgemeester van de gemeente Zeist (verder: de burgemeester) besloten om het Steyn Hotel en het Café Steyn op de adressen Slotlaan 301 en 303 te Zeist (verder: het hotel en het café) voor de duur van een jaar te sluiten. Tevens heeft de burgemeester in dit besluit besloten de aan verzoekster verleende exploitatievergunningen voor de uitoefening van het hotel en het café met directe ingang in te trekken. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder procedurenummer SBR 12/1811.

Bij besluit van eveneens 2 mei 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (verder: het college) besloten om de aan verzoekster verleende vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening van het hotel en het café met directe ingang in te trekken. Verzoekster heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder procedurenummer SBR 12/1810.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, vergezeld van [politiemedewerker], werkzaam bij de politie Utrecht.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven.

Ten aanzien van het besluit tot sluiting door de burgemeester (SBR 12/1811)

3. Het besluit tot sluiting van het hotel en het café is gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Op grond van dit artikellid is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In lijst I van de Opiumwet zijn onder andere XTC en cocaïne (harddrugs) vermeld.

4. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2010 (LJN BL8721), dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze te toetsen.

5. Verzoekster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de burgemeester niet heeft voldaan aan de vergewisplicht uit artikel 3:9 van de Awb. Verzoekster bestrijdt dat er sprake is van handel in verdovende middelen door personeelsleden vanuit het hotel en het café. Uit de RCIE-informatie alleen heeft de burgemeester deze conclusie niet kunnen trekken en ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluitvorming, aldus verzoekster.

6. De burgemeester heeft aan het besluit tot sluiting van het hotel en het café ten grondslag gelegd de op ambtseed door [A] opgemaakte bestuurlijke rapportage van 27 april 2012. Uit deze rapportage blijkt dat uit informatie van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (RCIE) van de politie Utrecht (9 processen-verbaal in de periode van oktober 2010 tot april 2011) naar voren kwam dat vanuit het hotel en het café verdovende middelen zou worden verhandeld door personeelsleden. Naar aanleiding van deze informatie heeft de politie Utrecht op 4 februari 2012 een observatie gehouden in de buurt van het hotel en het café. Tijdens deze observatie werd de RCIE-informatie bevestigd. Zo werd gezien dat de bedrijfsleider [bedrijfsleider 1] werd aangesproken door verschillende bezoekers van het café en ging hij twee keer met een bezoeker naar het keukengedeelte. Telkens kwam hij na enkele minuten terug met de bezoeker, waarna [bedrijfsleider 1] naar de kassa liep en geld in de kassalade deed. Gezien werd dat [bedrijfsleider 1] ‘iets’ uit zijn broekzak haalde en direct daarop een bezoeker langer dan gebruikelijk de hand schudde. Volgens de observanten werd op dat moment kennelijk ‘iets’ door [bedrijfsleider 1] overhandigd aan de bezoeker. In het café was een man aanwezig waarvan het observanten bekend was dat hij meerdere antecedenten op het gebied van de opiumwetgeving heeft en meerdere personen met criminele antecedenten.

In de avond/nacht van 21 op 22 april 2012 heeft een bijzonder opsporingsambtenaar de beelden van een camera die staat gericht op de ingang van het Steyn Hotel uitgekeken. Daarbij werd vastgesteld dat er in de periode tussen 22:02 uur en 00:22 uur 47 personen het hotel binnen gingen en vervolgens in diezelfde tijd 41 personen weer naar buiten kwamen. Meermalen viel het op dat personen binnen enkele minuten weer naar buiten kwamen. Deze constatering is volgens de politie een signaal dat het vermoeden van handel in verdovende middelen in het hotel en het café bevestigt en duidt op een soort afhaalfunctie. Vervolgens heeft de politie op 22 april 2012 een doorzoeking gedaan in het hotel en het café. Tijdens de veiligheidsfouillering is bij bedrijfsleider [bedrijfsleider 1] en barkeeper [barkeeper] een handelshoeveelheid van in totaal 2,41 gram harddrugs (XTC-tabletten en cocaïne) aangetroffen en in beslag genomen. Verder werd onder de bar in het café een verboden stroomstootwapen (een zogenaamde Teaser) aangetroffen. Daarnaast zijn in de auto van directeur [directeur] twee verboden busjes met CS-gas (traangas) aangetroffen. De burgemeester heeft uit deze informatie van de politie geconcludeerd dat het gehele perceel (het hotel en het café) gedurende langere tijd (in ieder geval 1,5 jaar lang) een belangrijke rol heeft vervuld bij de handel in verdovende middelen, en wel door personeelsleden.

7. Verzoekster heeft niet betwist dat de twee personeelsleden die vanwege het bezit van harddrugs zijn aangehouden een volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie handelshoeveelheid bij zich hadden. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS blijkt dat door de enkele aanwezigheid van deze hoeveelheid drugs de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet reeds bevoegd was handhavend op te treden, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2010 (LJN BO1193).

Verder blijkt uit het dossier dat de RCIE-informatie de aanleiding was voor het nadere onderzoek van de politie Utrecht en ook voor de doorzoeking op 22 april 2012. Hiervan is voornoemde bestuurlijke rapportage opgemaakt. De burgemeester heeft zijn besluit tot sluiting dus niet enkel op RCIE-informatie gebaseerd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester zich voldoende heeft vergewist als bedoeld in artikel 3:9 van de Awb.

8. Verzoekster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de burgemeester uit de RCIE-informatie niet de conclusie heeft mogen trekken dat vanuit beide panden drugs werd verhandeld. De burgemeester heeft volgens verzoekster ten onrechte besloten om zowel het hotel als het café te sluiten. De personeelsleden zijn volgens directeur [directeur] in het café gefouilleerd. In het hotel zelf is geen drugs aangetroffen. Nu dit niet het geval was, kon de burgemeester volgens verzoekster geen gebruik maken van zijn sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Ten aanzien van deze grond heeft de gemachtigde van de burgemeester ter zitting desgevraagd toegelicht dat zowel het hotel als het café door de besloten vennootschap Groot Zeist B.V. worden geëxploiteerd. Daarnaast blijkt uit de huurovereenkomst dat de adressen Slotlaan 301-303 te Zeist samen bekend zijn als “Gemeente Zeist, Sectie H, Nummer 3166”.

Verder blijkt uit de plattegrond van het perceel, die als bijlage bij de bestuurlijke rapportage van de politie Utrecht van 27 april 2012 is gevoegd, dat het hotelgedeelte en het cafégedeelte bouwkundig met elkaar verbonden zijn. Er is één gemeenschappelijke hal en één gemeenschappelijke keuken en daarnaast zijn er verbindingen vanuit het café naar het hotel en andersom.

Maar ook als gekeken wordt naar de personeelsleden, blijkt dat er sprake is van een juridische (het personeel wordt aangesteld in de functie van algemeen medewerker), maar ook een praktische (in de praktijk is het personeel zowel in het café als het hotel werkzaam) verwevenheid. Ook uit het proces-verbaal van het verhoor op 24 april 2012 van bedrijfsleider [bedrijfsleider 1] (een van de personen waarbij drugs is aangetroffen) blijkt dat hij zowel in het café (als barmedewerker) als in het hotel (als receptionist) werkzaam was.

Daarnaast heeft de gemachtigde van de burgemeester ter zitting gewezen op de foto’s in de bijlagen bij de bestuurlijke rapportage van de politie Utrecht. Op die foto’s is te zien dat het hotel en het café buiten als één geheel worden gepresenteerd. Boven de ingang van het café hangen namelijk de borden “Steyn Hotel”.

Ten aanzien van de aangetroffen drugs is namens de burgemeester ter zitting verklaard dat uit de stukken inderdaad niet blijkt waar de betreffende werknemers precies zijn aangehouden, maar dat dit in de bezwaarprocedure nog nagevraagd kan worden. Belangrijker is volgens de burgemeester echter dat de keuken, die zowel voor het hotel als voor het café wordt gebruikt, een rol heeft gespeeld in de handel van drugs en dat de betrokken medewerkers, in ieder geval [bedrijfsleider 1], feitelijk zowel in het hotel als in het café werkzaam is.

Gelet op de hiervoor namens de burgemeester genoemde argumenten is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de burgemeester, gelet op de juridische en de praktische verwevenheid van beide lokalen en de rol van de keuken in het geheel, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot de sluiting van zowel het café als het hotel over te gaan.

9. Verzoekster heeft daarnaast aangevoerd dat het sluitingsbevel onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de sluitingsduur van een jaar en tevens voor een deel is aan te merken als een punitieve sanctie. Vooral de duur van de sluiting maakt dat het handhavingsbesluit verder gaat dan enkel het herstel van de openbare orde, aldus verzoekster. Dit aspect samen met de relatief kleine hoeveelheid aangetroffen drugs, maakt dat de sluiting voor de duur van een jaar als te lang en onevenredig moet worden geoordeeld, aldus verzoekster.

Ter zitting is naar voren gekomen dat de burgemeester ter uitvoering van zijn bevoegdheid uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geen beleid heeft vastgesteld. De voorzieningenrechter merkt op dat het ontbreken van een dergelijk beleid ongewenst is. Gelet op de ingrijpendheid van het middel verdient het dan ook aanbeveling om daarover duidelijkheid te bieden.

Dit laat echter onverlet dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een dergelijk beleid niet verplicht stelt en dat de burgemeester ook zonder beleid (al dan niet in de vorm van een stappenplan) de bevoegdheid heeft om in de daar beschreven situaties bestuursdwang toe te passen. Wel dient het besluit extra goed gemotiveerd te zijn om op zichzelf de toets aan proportionaliteit en subsidiariteit te kunnen doorstaan en ook overigens niet in strijd te zijn met het recht.

Uit het besluit is op te maken dat de burgemeester voor de sluitingsduur van een jaar heeft gekozen, omdat met deze termijn de loop naar het pand en de bekendheid hiervan in kringen van drugsgebruikers wordt doorbroken. Ook de duidelijk actieve rol van directeur [directeur] maakt volgens de burgemeester dat een sluiting van een jaar passend is. Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester hieraan toegevoegd dat door verschillende gemeentes in Nederland de volgende lijn wordt gehanteerd: een sluiting van drie maanden in geval van softdrugs en een sluiting van zes maanden in geval van harddrugs. Deze termijnen kunnen worden verlengd in geval er sprake is van verzwarende omstandigheden. De burgemeester acht het gegeven dat er door personeelsleden werd gehandeld en het gegeven dat dit handelen werd toegestaan door directeur [directeur] verzwarende omstandigheden. Daarnaast blijkt uit de RCIE-informatie dat er al gedurende 1,5 jaar tekenen zijn van handel in verdovende middelen. Een sluitingsduur van een jaar is volgens de burgemeester dan zeker nodig om de loop eruit te halen.

Anders dan door verzoekster is gesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat bij twee werknemers, waaronder de bedrijfsleider, een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen in samenhang bezien met de RCIE-informatie omtrent de inhoud en duur, en de bevindingen naar aanleiding van de observatie op 4 februari 2012 en de camerabeelden van 21 en 22 april, zoals hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 6, voldoende zijn om een ernstig vermoeden van drugshandel aan te nemen. Gelet op dit vermoeden van handel voor een duur van anderhalf jaar en de betrokkenheid van de bedrijfsleider is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten het café en het hotel thans te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Gelet op het ontbreken van beleid zoals hiervoor aan de orde is gekomen, roept de voorzieningenrechter de burgemeester op om op niet al te lange termijn een besluit op het bezwaar te nemen en bij die heroverweging in bezwaar uitdrukkelijk te bezien of de omstandigheden de maatregel van sluiting tot 3 mei 2013 rechtvaardigen.

Ten aanzien van het besluit tot intrekking van de exploitatievergunningen door de burgemeester (SBR 12/1811)

10. Vaststaat dat op 25 augustus 2006 aan verzoekster een exploitatievergunning is verleend voor de exploitatie van een hotel op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 22 februari 2008 heeft de burgemeester aan verzoekster tevens een exploitatievergunning verleend voor de exploitatie van een café op het adres [adres] te [woonplaats]. Bij het thans bestreden besluit van 2 mei 2012 heeft de burgemeester deze beide vergunningen ingetrokken wegens het in strijd met de Opiumwet aantreffen van een handelsvoorraad verdovende middelen en vanwege de daarom door de burgemeester bevolen sluiting.

11. Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester desgevraagd toegelicht dat de wettelijke grondslag van de intrekking van de exploitatievergunningen is gebaseerd op artikel 1:6, aanhef en onder b, in combinatie met artikel 2:28, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zeist 2011 (APV).

De voorzieningenrechter stelt vast dat deze wettelijke grondslag in het bestreden besluit van 2 mei 2012 ontbreekt. De voorzieningenrechter ziet desondanks geen aanleiding om op grond hiervan over te gaan tot schorsing van het voorliggende besluit, nu verweerder dit gebrek in het kader van de heroverweging van dat besluit in bezwaar zal kunnen helen.

12. In artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV staat dat de vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of de ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de APV is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tegen het besluit tot intrekking van de exploitatievergunningen geen specifieke gronden heeft aangevoerd. Ter beoordeling aan de voorzieningenrechter staat derhalve dan ook alleen de vraag of verweerder de exploitatievergunningen in redelijkheid heeft kunnen intrekken.

14. Niet in geschil is dat op 22 april 2012 in een bij het hotel en het café behorende ruimte een handelshoeveelheid harddrugs en een verboden stroomstootwapen zijn aangetroffen. Tevens zijn op die datum in de auto van directeur [directeur] twee verboden busjes met CS-gas (traangas) aangetroffen. Zoals reeds overwogen is het feit dat bij twee werknemers, waaronder de bedrijfsleider, een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen in samenhang bezien met de RCIE-informatie en de bevindingen naar aanleiding van de observatie op 4 februari 2012 en de camerabeelden van 21 en 22 april, zoals hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 6, voldoende om een ernstig vermoeden van drugshandel aan te nemen. Bovendien was in ieder geval de bedrijfsleider hiervan op de hoogte. Gelet op dit ernstige vermoeden van drugshandel, alsmede de aanwezigheid van het stroomstootwapen en de busjes CS-gas, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in en om het hotel en het café feiten hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Gelet op artikel 2:28, derde lid, van de APV was de burgemeester bevoegd te besluiten tot intrekking van de exploitatievergunningen.

Ten aanzien van het besluit tot intrekking van de drank- en horecavergunningen door het college (SBR 12/1810)

15. Vaststaat dat op 25 augustus 2006 aan verzoekster een drank- en horecavergunning is verleend voor de uitoefening van een hotel op het adres Slotlaan 303 te Zeist. Als leidinggevenden zijn op deze vergunning opgenomen [directeur], [bedrijfsleider 3], [bedrijfsleider 4], [bedrijfsleider 5] en [bedrijfsleider 6]. Bij besluit van 2 september 2011 heeft het college aan verzoekster tevens een drank- en horecavergunning verleend voor de uitoefening van een café op het adres Slotlaan 301 te Zeist. Als leidinggevenden zijn op deze vergunning opgenomen [directeur], [bedrijfsleider 1], [bedrijfsleider 7], [bedrijfsleider 8] en [bedrijfsleider 9]. Bij het thans bestreden besluit van 2 mei 2012 heeft het college deze beide vergunningen ingetrokken. Het college heeft het besluit tot intrekking van de drank- en horecavergunningen gebaseerd op de grondslag dat verzoekster niet langer voldoet aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is en zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid (artikelen 8, tweede lid, onder b, en 31, eerste lid, aanhef en onder b en onder d van de Drank- en Horecawet).

16. Verzoekster heeft aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het van kracht blijven van de aan verzoekster verleende drank- en horecavergunningen gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de te vrezen problemen op het gebied van openbare orde, veiligheid of zedelijkheid verband houden met de aan verzoekster verleende drank- en horecavergunningen. Daarnaast heeft verzoekster betwist dat directeur [directeur] in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Deze conclusie kan niet worden getrokken uit de dossierstukken. Verzoekster is van mening dat de heer [directeur] geen verwijt kan worden gemaakt van het gegeven dat op het lijf van de barmedewerkers drugs zijn aangetroffen. Ook acht verzoekster het van belang dat er al lange tijd een onderzoek naar de horecabedrijven liep. Voor het college was dat kennelijk op de datum van afgifte van de drank- en horecavergunning (2 september 2011) geen reden om aan te nemen dat er sprake was van verstoring van de openbare orde.

17. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de eis van het niet van slecht levensgedrag zijn in de wet is opgenomen, omdat aan leidinggevende personen in horecabedrijven met betrekking tot hun levensgedrag bijzondere, meer dan gemiddelde eisen dienen te worden gesteld (zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 31 oktober 2007, LJN: BB6825 en van 28 juli 2004, LJN: AQ6005).

Vaststaat dat bij de inval op 22 april 2012 bij de heer [bedrijfsleider 1], die als leidinggevende op de drank- en horecavergunning van het café staat, tijdens een veiligheidsfouillering vijf stuks XTC-tabletten met een gewicht van 1,96 gram en een ponypack (inclusief verpakking) met 0,4 gram cocaïne zijn aangetroffen. Verder zijn op 22 april 2012 in de woning van [bedrijfsleider 1] nog 0,81 gram harddrugs en 474,52 gram softdrugs aangetroffen. Daarnaast zijn in de auto van de heer [directeur], die zowel op de drank- en horecavergunning van het hotel als die van het café als leidinggevende staat vermeld, twee verboden busjes met CS-gas (traangas) aangetroffen. Ook is achter de bar een verboden stroomstootwapen aangetroffen die volgens de verklaringen van een aantal medewerkers toebehoort aan leidinggevende [directeur]. Zowel [directeur] als [bedrijfsleider 1] zijn aangehouden.

In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter met het college voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat zowel leidinggevende [bedrijfsleider 1] als [directeur] hebben gehandeld op een wijze die niet past bij een horecaondernemer. Daardoor kan niet meer worden gezegd dat deze leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Daarnaast heeft het college zich op grond van deze omstandigheden op het standpunt kunnen stellen dat er zich in het hotel en het café feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Gelet op het ernstige vermoeden van drugshandel (zoals hiervoor onder rechtsoverweging 14 is overwogen), alsmede de aanwezigheid van het stroomstootwapen en de busjes CS-gas, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in en om het hotel en het café feiten hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college er in dit geval voor heeft kunnen kiezen om zowel artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW als artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW als grondslag voor de intrekking van de drank- en horecavergunningen te gebruiken.

Gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, van de DHW was het college dan ook gehouden de drank- en horecavergunning in te trekken.

18. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de bestreden besluiten in de bezwarenprocedure niet in stand zullen blijven. Er bestaat, gelet op de betrokken belangen, dan ook geen aanleiding voor het toewijzen van de verzoeken om een voorlopige voorziening.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 12/1810):

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 12/1811):

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.