Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8521

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
800752 UE VERZ 12-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst treft de werkgever een aanzienlijk verwijt. Bij de waardering van dat verwijt is relevant dat de werkgever een primaire verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de juiste vastlegging van de arbeidsvoorwaarden bij indiensttreding. Die verantwoordelijkheid is zeker aan de orde bij een toekomstig bestuurder die, als onderdeel van zijn arbeidsvoorwaarden, ook als beoogd aandeelhouder gaat participeren in de aandelen van werkgever. Een dergelijke rechtsverhouding als bestuurder en aandeelhouder is niet zelden gecompliceerd en de belangen van de beoogde bestuurder, de vennootschap en de aandeelhouders vereisen een juiste, duidelijke en allesomvattende schriftelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst en de aandelenparticipatie-overeenkomst.

Voor de vaststelling van de omvang van het verwijt is tevens relevant dat de mededeling van de werkgever dat zij de arbeidsovereenkomst met verweerder wilde eindigen, niet van enige vooraankondiging aan verweerder vooraf is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 800752 UE VERZ 12-240 HS

beschikking d.d. 7 juni 2012

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAS Energie B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

verder ook te noemen BAS,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E.M. van Zelm,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.E. Pasma.

1. Het verloop van de procedure

BAS heeft op 7 maart 2012 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft 1 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

BAS en [verweerder] hebben 8 mei 2012 nog producties in het geding gebracht.

Het verzoek is ter zitting van 9 mei 2012 behandeld.

De raadslieden hebben de standpunten van hun cliënten toegelicht aan de hand van (pleit)aantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.

Voorts zijn van het behandelde ter zitting aantekeningen gemaakt door de griffier.

Ter zitting heeft [verweerder] een zelfstandig (tegen)verzoek tot ontbinding gedaan waartegen BAS geen bezwaar heeft gemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De motivering

1.1. [verweerder], geboren op [1962], is op 1 februari 2011 in dienst getreden van BAS in de functie van (aankomend) algemeen directeur.

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt EUR 8.333,34 bruto per maand.

BAS verzoekt de ontbinding wegens een verandering van omstandigheden als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst naar haar mening behoort te eindigen. Zij heeft deze grondslag van het verzoek nader toegelicht. In de kern voert zij twee redenen voor het verzoek aan. De eerste reden is dat zij met [verweerder] geen overeenstemming heeft kunnen bereiken over de arbeidsvoorwaarden en de aandelenparticipatie van [verweerder] in BAS. BAS stelt dat zij [verweerder] een laatste termijn heeft gesteld en [verweerder] er op gewezen heeft dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst een reële optie geworden is. De tweede reden is dat [verweerder] niet voldoet aan het beeld dat zij van een algemeen directeur heeft omdat van enige slagvaardigheid en betrokkenheid van [verweerder] bij het bedrijf niet gebleken is.

BAS acht geen aanleiding aanwezig om [verweerder] een hogere vergoeding toe te kennen dan een maandsalaris.

1.2. [verweerder] heeft zich tegen het verzoek van BAS verweerd. Hij voert aan dat hij hard gewerkt heeft voor BAS en dat dat voortdurend door BAS werd gewaardeerd. Over de onderhandelingen voert hij (kort samengevat) aan dat hij altijd een constructieve houding heeft getoond en dat die gewaardeerd werd. Het resultaat van de onderhandelingen was dat partijen er bijna uit waren. Hij ontkent dat hem terzake van het ondertekenen van enig document een ultimatum gesteld is bij het verstrijken waarvan beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het verschiet zou liggen. De kritiek van BAS op het gebied van zijn slagvaardigheid en betrokkenheid heeft [verweerder] zeer gegriefd en is niet eerder aan hem kenbaar gemaakt.

1.3. [verweerder] heeft tevens een tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat er geen basis meer is voor verdere samenwerking omdat, als gevolg van de handelwijze van BAS, zijn vertrouwen in BAS geheel is komen te vervallen. Hij acht een vergoeding van EUR 500.000,00 redelijk.

1.4. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding zoals [verweerder] die redelijk acht, is van belang dat [verweerder] heeft verzocht om bij de vaststelling van de vergoeding naar billijkheid een aantal vorderingen te betrekken die hij pretendeert te hebben jegens BAS, te weten:

- de bonus over 2011 van EUR 62.500,00 (bruto);

- de bonus over januari en februari 2012 van EUR 10.416,00 (bruto);

- de vergoeding van de gemiste mogelijkheid om in de aandelen van BAS te participeren van EUR 150.000,00;

- de vergoeding van de gemiste mogelijkheid om door middel van het halen van targets een aandelenparticipatie van 2,5 % te verkrijgen van EUR 150.000,00;

- de verschuldigde autokostenvergoeding vanaf 13 februari 2012 tot einde arbeidsovereenkomst;

- het gebruik van de tankpas voor privégebruik van de auto;

- de vergoeding voor de overbodig geworden aanschaf van een auto voor zijn werk van EUR 4.200,00.

[verweerder] acht in aanvulling op deze bedragen een beëindigingvergoeding van EUR 118.200,00 redelijk.

1.5. BAS heeft ter zitting aangegeven er bezwaar tegen te hebben dat bij de vaststelling van de vergoeding rekening gehouden wordt met het geschil tussen partijen over de bonus, de aandelenparticipatie, de autokosten, het privégebruik van de tankpas en de kosten die [verweerder] heeft gemaakt om een auto aan te schaffen.

1.6. Nu beide partijen om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken, is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op zich geen onderwerp meer van geschil. Dat geldt tevens voor de grondslag van de ontbinding. Beide partijen stellen in hun ontbindingsverzoek dat er niet langer sprake is van vertrouwen in elkaar en evenmin in de voortzetting van de samenwerking. Dit betekent dat zij allebei de tussen hen bestaande vertrouwensbreuk als relevante wijziging van omstandigheden aanvoeren als de reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zowel op verzoek van BAS als op verzoek van [verweerder] ontbonden zal worden wegens een relevante wijziging van omstandigheden bestaande uit een tussen hen ontstane vertrouwensbreuk.

1.7. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag wie van hen in overwegende mate een verwijt treft van de ontstane vertrouwensbreuk en de daaruit voortvloeiende beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

1.8. Kenmerkende feiten voor de onderhavige arbeidsverhouding zijn dat BAS een jong en ambitieus bedrijf is, opgericht door twee personen, [A] en [B], die beiden middels hun vennootschappen bestuurder en aandeelhouder zijn en wiens streven gericht is op snelle groei van de onderneming en op afzienbare termijn (van 5 tot 6 jaar zoals [verweerder] heeft gesteld en BAS niet heeft betwist) het te gelde maken daarvan door middel van een beursgang of verkoop aan een derde.

Tevens is kenmerkend dat [verweerder] in dienst is getreden bij BAS zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt over alle arbeidsvoorwaarden en de participatie van [verweerder] in de aandelen van BAS. Wel is overeenstemming bereikt over de functie van (aankomend algemeen directeur) en het salaris (EUR 8.333,34 bruto per maand) en staat ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden voldoende vast dat reeds voorafgaand aan de indiensttreding [verweerder] is toegezegd dat een deel van zijn inkomen zou bestaan uit een bonus en een aandelenparticipatie in BAS.

1.9. Deze feiten brengen met zich dat de onderhavige rechtsverhouding vanaf het begin een hybride karakter heeft gekend, te weten een (niet op schrift gestelde) arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer en een rechtsverhouding waarin BAS en [verweerder] in hun hoedanigheid van werkgever en werknemer als onderhandelende partijen tegenover elkaar staan ter vaststelling van de tussen hen geldende arbeidsvoorwaarden en een rechtsverhouding waarin [B] en [A] en [verweerder] in hun hoedanigheid van respectievelijk aandeelhouders en toekomstig aandeelhouder als onderhandelende partijen tegenover elkaar staan ter vaststelling van de (toegezegde) aandelenparticipatie van [verweerder] in BAS.

1.10. De vaststelling van dit hybride karakter is van belang omdat de rechten en verplichtingen van partijen niet alleen bepaald worden door de arbeidsovereenkomst maar tevens door de rechten en verplichtingen die onderhandelende partijen in het algemeen verbintenissenrecht jegens elkaar in acht te nemen hebben.

1.11. Onderhandelende partijen dienen rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. De inhoud van die verplichting wordt in hoge mate bepaald door de mate waarin de onderhandelende partijen bij elkaar de verwachting hebben gewekt dat zij tot overeenstemming zouden komen. Indien de onderhandelingen door de ene partij in strijd met de door hem bij de wederpartij gewekte verwachting worden gestaakt dan kan dat leiden tot aansprakelijkheid. De vaststelling daarvan is in deze procedure niet aan de orde.

1.12. Het is deze achtergrond waartegen de feiten beoordeeld dienen te worden.

1.13. Bij brief van 22 juni 2011 ontving [verweerder] een eerste voorstel van [B] en [A] om voor 4,95% te participeren in de aandelen in BAS, 1,65% als onderdeel van de beloning, 1,65% op basis van koop tegen een gereduceerd tarief en 1,65% als onderdeel van de bonus over de komende drie jaar.

Daarop heeft [verweerder] gereageerd per e-mail van 23 juni 2011 waarin hij ter voorbereiding van het gesprek over de aandelenparticipatie onder meer aandacht vraagt voor de samenhang met andere onderdelen van het beloningspakket, de hoogte van het gereduceerde tarief (symbolische cashstorting), de redelijkheid van de targets en het aantal jaren waarover de bonus vastgesteld dient te worden.

1.14. In het verzoekschrift staat dat [verweerder] het voorstel niet heeft aanvaard, maar een tegenvoorstel heeft gedaan. Daarmee lijkt BAS [verweerder] een verwijt te maken.

Dit verwijt is niet terecht. Het voorstel van 22 juni 2011 was op tal van relevante punten niet compleet, zodat het zich niet voor aanvaarding leende. Dat dat ook niet de bedoeling was blijkt uit het voorstel waarin BAS aangeeft graag tot een gesprek te komen om het voorstel verder te bespreken en in te vullen. De reactie van [verweerder] van 23 juni 2011 is niet anders op te vatten dan ter voorbereiding van de bespreking. [verweerder] geeft ook aan dat de inhoud van zijn brief van 23 juni 2003 “input” is voor de bespreking. Getuige de reactie van [A] van 26 juni 2011 is de brief ook zo opgevat.

1.15. Vervolgens heeft [verweerder] na de bespreking van 26 juni 2011 op verzoek van [B] en [A] op 28 juni 2011 “voorstel nav aanbod en discussie” gedaan.

1.16. In het verzoekschrift stelt BAS dat [verweerder] op 28 juni 2011 met een nieuw tegenvoorstel is gekomen waarbij hij opnieuw voorbij ging aan de uitgangspunten van [B] en [A]. Voorzover BAS ook met deze beschrijving een verwijt aan

[verweerder] poogt te maken, is dat niet terecht omdat [verweerder] op verzoek van [B] en [A] het tegenvoorstel op schrift heeft gesteld en niet gesteld of gebleken is dat dat tegenvoorstel onredelijk was.

1.17. Daarna is het kennelijk enige tijd stil rondom de onderhandelingen over de aandelen participatie. Op 1 september 2011 stuurt [A] aan [verweerder] een benoemingsbesluit. Dat besluit kent de navolgende tekst:

“Hierbij wordt [ver[verweerder] unaniem benoemd tot statutair directeur van de BAS Energie BV met ingang van 5 september 2011. Er zijn beperkende voorwaarden”

In de begeleidende email schrijft [A] aan [verweerder] dat het gaat om de reguliere beperkingen die voor (de vertegenwoodigingsbevoegdheid van) alle directieleden gelden.

Voorts staat in de begeleidende brief dat [verweerder] dit besluit moet aanvaarden en vragen [B] en [A] [verweerder] of hij daartoe bereid is.

Bij brief van 4 september 2011 heeft [verweerder] laten weten dat hij het besluit een goede stap vooruit acht, de benoeming als directeur serieus neemt en als onderdeel van de aanvaarding van de benoeming duidelijkheid wenst over de rolvervulling en onderlinge verantwoordelijkheden. Aan het slot van de brief vraagt [verweerder] om een reactie maar BAS heeft niet gesteld dat en, zo ja, wanneer zij die heeft gegeven.

1.18. In het verzoekschrift stelt BAS met een verwijtende ondertoon dat [verweerder] het benoemingsbesluit niet aanvaard en evenmin concreet bevestigd heeft.

Ook dit verwijt is niet terecht. [verweerder] is in zijn reactie op het benoemingsbesluit duidelijk positief. Omdat aanvaarding betekende dat [A], [verweerder] en [B] samen het bestuur van BAS zouden vormen en (de vennootschappen van) [A] en [B] de meerderheid van de aandelen bezitten, is het geheel begrijpelijk dat [verweerder] voorafgaand aan de aanvaarding duidelijkheid wenste over de onderlinge taakverdeling en de verantwoordelijkheden.

1.19. Op 12 december 2011 doen [A] en [B] zowel als aandeelhouders alsook als bestuurders van BAS aan [verweerder] een voorstel dat ziet op de arbeidsvoorwaarden, de verantwoordelijkheid, de uitvoerende taken, de pensioenregeling en de aandelenparticipatie van [verweerder]. Ten behoeve van de aandelenparticipatie was bovendien een ‘BAS Groep aandeelhoudersovereenkomst’ (ter vastlegging van de rechten en verplichtingen van de aandeelhouders onderling) bijgevoegd en een ‘Valuation model’ (ter waardebepaling van de aandelen).

Op dit voorstel reageert [verweerder] met een brief van 20 december 2012 aan [A] en [B]. De reactie van [verweerder] is zakelijk van toon. Daarbij valt op dat hij vooral “veel verschil van inzicht” constateert in het kader van de participatie in BAS en in het bijzonder betreffende de waardering van de aandelen.

Daarop laten [A] en [B] aan [verweerder] weten dat zij geschrokken zijn van de reactie van [verweerder]. Zij schrijven in hun e-mail van 23 december 2011 onder meer dat zij graag goede afspraken maken, duidelijk hebben aangegeven wat zij [verweerder] hebben te bieden en van [verweerder] verwachten.

1.20. Vervolgens sturen [B] en [A] op 30 december 2011 een intentieverklaring betreffende de participatie van [verweerder] in BAS en het aangaan van de aandeelhoudersovereenskomst. Daarop reageert [verweerder] met zijn brief van 16 januari 2012 waarin hij aangeeft op hoofdlijnen akkoord te kunnen gaan maar ook enkele serieuze uitzonderingen en opmerkingen heeft.

Op 20 januari 2012 reageert [A] en uit zijn commentaar blijkt enerzijds dat hij meent dat partijen er bijna uit zijn en anderzijds dat hij er van uitgaat dat zowel de aandeelhoudersovereenkomst van 12 december 2011 en de intentieverklaring van 30 december 2011 voor [verweerder] akkoord zijn. Om die reden verzoekt hij [verweerder] om ondertekening van de intentieverklaring.

Vervolgens hebben partijen gesproken over (onder meer) de vaststelling van de targets voor een deel van de aandelenparticipatie. Daarover is 23 januari 2012 gesproken en naar aanleiding daarvan heeft [verweerder], naar hij stelt ‘volgens afspraak’ wat door BAS niet weersproken is, 27 januari 2011 een uitgewerkt voorstel gedaan. Dit voorstel is in overleg nog nader aangepast door [verweerder] op 2 februari 2012.

Op 13 februari 20102 vindt een bijeenkomst tussen [A], [B] en [verweerder] plaats waarin [verweerder] wordt medegedeeld dat BAS streeft naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

1.21. In het verzoekschrift van BAS wordt het niet tot overeenstemming kunnen komen over de aandeelhoudersovereenkomst en de intentieverklaring als de reden voor ontbinding aangevoerd. BAS verwijt [verweerder] dat hij geen positieve houding heeft getoond ten aanzien van het bereiken van overeenstemming. BAS verwijt [verweerder] ook dat hij voortdurend met tegenvoorstellen kwam terwijl met de andere participanten wel overeenstemming bereikt is.

1.22. Dit verwijt is niet terecht. Dat BAS over de aandelenparticipatie met anderen overeenstemming heeft bereikt, zegt over de houding van [verweerder] niets. De andere participanten waren immers geen beoogd bestuurder van BAS. Juist het feit dat [verweerder] beoogd bestuurder van BAS was en op gelijke voet diende samen te werken met [A] en [B], was het een begrijpelijke wens van [verweerder] om de afspraken goed vast te leggen.

Die wens werd weliswaar ook door [A] en [B] gedeeld, maar in de praktijk leidden de reacties van [verweerder] op het benoemingsbesluit, de aandeelhoudersovereenkomst en de intentieverklaringen niet tot een daadwerkelijke onderhandelingssituatie op grond waarvan een volledig duidelijke schriftelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst en de aandeelhoudersovereenkomst kon plaats vinden.

1.23. In het verzoekschrift en tijdens de mondelinge toelichting ter zitting heeft BAS benadrukt dat [verweerder] met tegenvoorstellen kwam. Daarmee lijkt BAS het uitgangspunt te hanteren dat het enkele feit dat [verweerder] de aandeelhoudersovereenkomst en de intentieverklaring niet zonder meer accepteerde, hem te verwijten valt. Dit blijkt ook uit het feit dat [verweerder] in de reactie van [A] van 20 januari 2012 verzocht wordt om de intentieverklaring te tekenen en het niet tekenen [verweerder] wordt kwalijk genomen.

Dit uitgangspunt getuigt van een te eenzijdige visie van BAS op de rechtsverhouding tussen [A] en [B] en [verweerder] als onderhandelende partijen over de aandelenparticipatie. De kern van die rechtsverhouding is dat partijen rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Deze algemene verbintenissenrechtelijke notie geldt (zeker) ook daar waar de onderhandelende partijen ([A] en [B] via hun vennootschappen als bestuurders van BAS) zich reeds op basis van een arbeidsovereenkomst jegens elkaar verbonden hebben en in dat kader door BAS toezeggingen zijn gedaan over de aandelenparticipatie van [verweerder].

1.24. Juist de gehoudenheid om rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen, brengt met zich dat BAS begrip diende te hebben voor de reacties van [verweerder] en zij diende die als een basis te beschouwen om in constructief overleg tot een algehele duidelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst en de aandelenparticipatie te komen.

Dit zou mogelijk anders zijn indien op voorhand reeds duidelijk is dat de door BAS opgestelde documenten niets aan duidelijkheid te wensen overlieten en de wensen van [verweerder] duidelijk onredelijk waren. De onvolledige en op tal van punten nog nader uit te werken aandeelhouders- en arbeidsovereenkomst van BAS voldeden niet aan deze eis en dat [verweerder]s reacties daarop inhoudelijk onredelijk waren, is door BAS onvoldoende gesteld en overigens evenmin gebleken.

Dit heeft er toe geleid dat een schriftelijke arbeidsovereenkomst niet to stand is gekomen. Een duidelijke vastlegging van de aandelenparticipatie evenmin. In dit kader heeft de intentieverklaring geen zelfstandige betekenis. Immers daarin staat nu juist expliciet genoemd dat die niet de strekking heeft rechten en verplichtingen in het leven te roepen. Juist dat ontbreken van een bindende kracht betekent dat de intentieverklaring zeker niet is te beschouwen als een duidelijke vastlegging van de te maken afspraken. Het verwijt van BAS aan het adres van [verweerder], dat hij de intentieverklaring niet getekend heeft, is reeds om die reden niet terecht. De bij de overeenkomst betrokken belangen van [verweerder] rechtvaardigden dat hij veel aandacht besteedde aan de door hem gewenste duidelijkheid. Als bestuurder zou [verweerder] sterk afhankelijk worden van [A] en [B] en als aandeelhouder zouden zijn financiële belangen aanzienlijk zijn.

1.25. Dit betekent dat BAS ten onrechte aan [verweerder] een verwijt maakt ten aanzien van zij opstelling in het onderhandelingsproces. Dat de arbeidsovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst niet tot stand zijn gekomen ligt op basis van de in het kader van deze procedure gebleken feiten en omstandigheden in de risicosfeer van (de aandeelhouders van) BAS.

1.26. BAS verbindt aan het (door haar aandeelhouders) staken van de onderhandelingen over de aandelenparticipatie het verwijt dat [verweerder] niet slagvaardig en evenmin bij BAS betrokken is en slechts oog heeft voor zijn eigen positie.

[verweerder] heeft aangevoerd dat hij de korte tijd dat hij in dienst was bij BAS heel hard en over het algemeen in goede harmonie met de mede-bestuurders heeft gewerkt en hem enig negatief commentaar niet heeft bereikt. [verweerder] stelt ook dat hem tijdens de onderhandelingen nimmer verweten is dat hij zijn handtekening nog niet had gezet, integendeel hem zou gezegd zijn dat de ondertekening helemaal niet zo belangrijk is.

1.27. BAS heeft dit verwijt op geen onderdeel hard kunnen maken. Het feit dat [verweerder] in de onderhandelingen op kwam voor zijn begrijpelijke belang aan duidelijkheid, en niet zonder meer accepteerde wat hem aan (op tal van punten nog nader uit te werken) documenten door BAS ter ondertekening werd voorgehouden, kan moeilijk als het ontbreken van slagvaardigheid of een gebrek aan betrokkenheid worden uitgelegd. Ook aan dit onterechte verwijt van BAS ligt in de kern ten grondslag dat [verweerder] diende te accepteren wat hem door de aandeelhouders werd voorgehouden. Zoals reeds overwogen is dit uitgangspunt onjuist.

Daarbij komt dat BAS geen enkel concreet voorbeeld heeft gegeven waaruit blijkt dat [verweerder] niet goed zou functioneren. Integendeel. In zijn e-mail van 30 december 2011 schrijft [A] aan [verweerder] nog enthousiast te zijn over de samenwerking.

1.28. De slotsom luidt dat BAS ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een aanzienlijk verwijt treft. Bij de waardering van dat verwijt is relevant dat BAS als werkgever een primaire verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de juiste vastlegging van de arbeidsvoorwaarden bij indiensttreding. Die verantwoordelijkheid is zeker aan de orde bij een toekomstig bestuurder die, als onderdeel van zijn arbeidsvoorwaarden, ook als beoogd aandeelhouder gaat participeren in de aandelen van BAS. Een dergelijke rechtsverhouding als bestuurder en aandeelhouder is niet zelden gecompliceerd en de belangen van de beoogde bestuurder, de vennootschap en de aandeelhouders vereisen een juiste, duidelijke en allesomvattende schriftelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst en de aandelenparticipatie-overeenkomst. Hoewel ongetwijfeld beide partijen bij de indiensttreding van [verweerder] vertrouwen hadden in de juiste schriftelijke vastlegging van de afspraken, komt het feit dat die documenten bij in diensttreding niet reeds volledig klaar, uitgewerkt en duidelijk waren, voor rekening van BAS. Ook deze verantwoordelijkheid brengt met zich dat BAS begrip diende te hebben voor de onderhandelingssituatie die tijdens de arbeidsverhouding ontstond en zich constructief diende op te stellen om tot een algehele duidelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst en de aandelenparticipatie te komen. Daaraan heeft het ontbroken.

1.29. Voor de vaststelling van de omvang van het verwijt is tevens relevant dat de mededeling van BAS op 13 februari 2012 dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wilde eindigen, niet van enige vooraankondiging aan [verweerder] vooraf is gegaan. Hem is tevoren niet gezegd dat het uitblijven van een schriftelijke vastlegging van de afspraken het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst op losse schroeven zette.

1.30. Aan [verweerder] komt een vergoeding toe. Vanwege het korte dienstverband verschaft de kantonrechtersformule geen bruikbaar houvast om een billijke vergoeding vast te stellen.

Deze formule wordt daarom buiten toepassing gelaten. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding dienen alle omstandigheden in aanmerking genomen te worden.

Tot die omstandigheden worden gerekend het feit dat [verweerder] onverwacht op non actief gesteld is en BAS direct na zijn non-actiefstelling de autokostenvergoeding van

EUR 850,00 per maand heeft gestaakt en het gebruik van de tankpas heeft geblokkeerd.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, waaronder tevens de leeftijd van [verweerder] en de hoogte van zijn salaris, dient BAS aan [verweerder] een vergoeding te betalen van EUR 80.000,00 bruto.

1.31. Bij de vaststelling van deze vergoeding zijn de aanspraken van [verweerder] op de bonussen en de aandelenparticipaties buiten beschouwing gelaten. Het valt buiten het bereik van deze procedure om een oordeel te geven over deze betwiste aanspraken. Deze aanspraken staan niet vast en richten zich ten aanzien van de aandelenparticipaties tegen (de vennootschappen van) [A] en [B] die in die hoedanigheid geen partij zijn in deze procedure. Ook de vaststelling van de mogelijke aansprakelijkheid van BAS en (de vennootschappen van) [A] en [B] jegens [verweerder] vanwege het afbreken van de onderhandelingen valt buiten het bestek van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

stelt BAS in de gelegenheid uiterlijk 14 juni 2012 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van BAS met ingang van 1 juli 2012;

kent aan [verweerder] ten laste van BAS een vergoeding toe van EUR 80.000,00 bruto en veroordeelt BAS tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek door BAS tijdig wordt ingetrokken:

stelt [verweerder] in de gelegenheid uiterlijk 21 juni 2012 het tegenverzoek in te trekken;

en voor het geval het tegenverzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [verweerder] met ingang van 1 juli 2012;

kent aan [verweerder] ten laste van BAS een vergoeding toe van EUR 80.000,00 bruto en veroordeelt BAS tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.