Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8510

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
16/610240-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto van een persoon die voorafgaand aan deze diefstal door een ander is mishandeld en is gevlucht met achterlating van zijn auto. Van deze laatste beroving is verdachte vrijgespreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/610240-11, 16/601262-11 (gev) en 16/710866-10 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [adres],

gedetineerd voor deze zaak te Nieuwegein (P.I. Utrecht, HvB Nieuwegein).

Raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaken

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 april 2012, waarbij de officier van justitie, mr. K.K. van Nie-Beishuizen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de zaken met parketnummers 16/610240-11 en 16/601262-11 te voegen.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht dit verzoek af te wijzen op grond van het belang van verdachte bij een mogelijk beroep op artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt vooreerst dat artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering geen grond vormt om een verzoek tot voeging van zaken af te wijzen.

In beide strafzaken is [verdachte] de verdachte. Gelet hierop voegt de rechtbank, in het belang van verdachte en de strafoplegging, de zaken onder voormelde parketnummers ingevolge artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging onder parketnummer 16/601262-11 van feit 1, primair en subsidiair, is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, op het volgende neer:

Parketnummer 16/610240-11:

Feit 1, 2 en 3: dat hij al dan niet samen met een ander in juli, mei en augustus 2011 een drietal woninginbraken heeft gepleegd in Leeuwarden, Veenendaal en Driebergen.

Parketnummer 16/601262-11:

Feit 1 en 2: dat hij al dan niet samen met anderen op 28 december 2011 in Veenendaal [aangever 1] met geweld en/of dreiging met geweld heeft beroofd van zijn telefoon en zijn auto.

3. De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot de onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feiten betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

De raadkamer van de rechtbank te Leeuwarden heeft de gevangenhouding van verdachte ten aanzien van voornoemde ten laste gelegde feiten afgewezen, omdat er volgens de raadkamer onvoldoende ernstige bezwaren aanwezig waren. Het Openbaar Ministerie heeft tegen deze beslissing geen appèl ingesteld. Hiermee heeft het Openbaar Ministerie bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt erin te berusten dat er geen ernstige bezwaren tegen hem waren en hoefde verdachte er om die reden geen rekening mee te houden dat het Openbaar Ministerie alsnog het standpunt zou innemen dat er op basis van hetzelfde dossier wel wettig en overtuigend bewijs zou zijn, aldus de raadsman van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat het Openbaar Ministerie geen appèl heeft ingesteld tegen voornoemde beslissing van de raadkamer, niet tot gevolg heeft dat verdachte hieraan het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat verdere vervolging zou uitblijven, zelfs niet bij het ontbreken van nadere onderzoeksresultaten zoals in casu het geval is. Het betoog van de raadsman vindt immers geen steun in de tekst of de strekking van enige wettelijke bepaling, noch in de jurisprudentie. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feit 1 en de onder parketnummer 16/601262-11 ten laste gelegde feiten 1 primair en 2 heeft begaan.

De officier van justitie vraagt vrijspraak van de onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feiten 2 en 3.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van alle onder parketnummers 16/610240-11 en 16/601262-11 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot het eerste onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feit, de inbraak in Leeuwarden, heeft de raadman aangevoerd dat er een goede verklaring is voor het na de inbraak aantreffen van de vingerafdrukken van verdachte op een spiegelkast en doosje in de woning. In deze woning wonen namelijk een oom en tante van verdachte. Hij is daar geregeld op bezoek geweest. Het aantreffen van zijn vingerafdrukken is volgens de raadsman van verdachte dan ook nietszeggend.

Met betrekking tot de onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feiten 2 en 3 is de raadsman met de officier van justitie van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Ten aanzien van de onder parketnummer 16/601262-11 ten laste gelegde feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) niet regelmatig heeft gebeld om hem te bedreigen, maar om tegen hem te zeggen dat hij de papieren van de scooter, die [aangever 1] aan een bekende van verdachte had verkocht, moest leveren. Het initiatief van verdachte om [aangever 1] en de koper van de scooter, ‘[betrokkene 1]’, samen te brengen had niet tot doel om een telefoon of auto af te persen, maar om het zakelijke geschil dat tussen [aangever 1] en [betrokkene 1] bestond uit te praten. Verdachte heeft de telefoon van [aangever 1] gevraagd om hiermee [betrokkene 1] te kunnen bellen, omdat hij zelf geen beltegoed had. Verdachte heeft de telefoon daarna aan [aangever 1] teruggegeven. Hij en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) waren uit de auto gestapt. Verdachte was niet betrokken bij het handgemeen dat later tussen [aangever 1] en [betrokkene 1] in de auto plaatsvond. [aangever 1] is vervolgens weggegaan en heeft daarbij zijn auto met de sleutel erin achtergelaten. Verdachte heeft de auto vervolgens als zaakwaarnemer meegenomen, niet met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen maar om [aangever 1] te gaan zoeken, aldus de raadsman van verdachte.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Parketnummer 16/610240-11

Vrijspraak

Feit 1

De rechtbank overweegt dat uit de stukken in het dossier blijkt dat tijdens het sporenonderzoek, dat de politie na de inbraak in de woning heeft uitgevoerd, twee vingerafdrukken zijn aangetroffen en veiliggesteld. Eén afdruk met SINnummer AADE0747NL werd op een doosje van een navigatieapparaat in de woonkamer aangetroffen, de andere met SINnummer AADE0746NL op een spiegeldeur van een kast in de badkamer. Uit de stukken in het dossier blijkt voorts dat alleen de eerstgenoemde vingerafdruk door de forensisch-technische recherche van politie Fryslan is onderzocht. Hieruit blijkt dat dit spoor overeenkomt met de vingerafdruk van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is niet uit te sluiten dat deze afdruk op een ander moment dan tijdens de gepleegde inbraak op dit doosje terecht is gekomen. In de woning woont immers familie van verdachte bij wie hij, ook volgens de verklaringen van zijn oom en tante, wel eens op bezoek gaat. Uit het dossier blijkt niet dat het spoor met het nummer AADE0746 ook is vergeleken met de vingerafdruk van verdachte. Ander bewijs ontbreekt. De oom van verdachte verklaart dat hij zijn neef [verdachte] op de bewuste dag niet in Veenendaal heeft gezien, maar dat betekent niet dat hij daar niet aanwezig is geweest en evenmin dat hij heeft ingebroken in Leeuwarden. De rechtbank overweegt dan ook dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Gelet daarop spreekt de rechtbank verdachte van dit feit vrij.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden dat verdachte heeft ingebroken in de woning aan het [adres] te Veenendaal. Gelet daarop spreekt de rechtbank verdachte van dit feit vrij.

Feit 3

Hetzelfde geldt voor de inbraak in Driebergen. Gelet daarop spreekt de rechtbank verdachte ook van dit feit vrij.

4.3.2. Parketnummer 16/601262-11

Vrijspraak feit 1

De rechtbank overweegt dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast staat dat verdachte op 28 december 2011 een afspraak had met [aangever 1] en [betrokkene 2] en samen met hen in de auto van [aangever 1] heeft gezeten. Vast staat eveneens dat verdachte in de beslotenheid van deze auto een voor [aangever 1] dreigende sfeer heeft gecreëerd door zijn gedrag. De rechtbank acht het, gelet op de aangifte van [aangever 1] en de erkenning van verdachte ter terechtzitting dat het gedrag van [aangever 1] tot veel irritatie en kwaadheid bij hem had geleid, aannemelijk dat verdachte op het dashboard heeft geslagen en heeft geschreeuwd. Tot slot staat vast dat verdachte in de auto gebruik heeft gemaakt van de telefoon van [aangever 1] om ‘[betrokkene 1]’ te bellen. Dit hebben zowel [aangever 1], [betrokkene 2], als verdachte zelf verklaard.

Onduidelijk is echter gebleven of verdachte de telefoon van [aangever 1] hierna heeft gehouden, zoals [aangever 1] verklaart, of dat verdachte de telefoon aan [aangever 1] heeft teruggegeven, zoals verdachte verklaart. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de politie de telefoon later in de auto van [aangever 1] of bij verdachte heeft aangetroffen.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte, bij de manier waarop hij gehandeld heeft, ook het oogmerk heeft gehad zich daarmee wederrechtelijk te bevoordelen. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich de telefoon wederrechtelijk toegeëigend heeft. De rechtbank spreekt verdachte derhalve van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit vrij.

Feit 2

Op 28 december 2011 doet [aangever 1] (hierna: aangever) melding en aangifte van diefstal met geweld, mishandeling en bedreiging. Volgens aangever heeft verdachte de sleutel van aangevers auto uit het contactslot gehaald en in zijn jaszak gestoken. Hierna is hij door een jongen, welke kort daarvoor door verdachte gebeld was, tweemaal op zijn lip geslagen. Aangever is vervolgens weggevlucht met achterlating van zijn auto.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] krijgen op 28 december 2011 de opdracht naar het Shell tankstation aan de [adres] te Veenendaal te gaan. Daar treffen zij aangever aan. Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat aangever een bloedende onderlip heeft.

[verbalisant] ziet op 28 december 2011, nadat hij op de hoogte is gebracht van de melding van aangever, de auto van aangever rijden op de [adres] in Veenendaal. Hij herkent verdachte voor honderd procent als bijrijder. [verbalisant] keert hierop zijn voertuig en rijdt achter de auto aan, waarop deze stopt en verdachte uitstapt en wegrent. De bestuurder stapt eveneens uit en rent ook weg. Verdachte wordt kort hierna in de woning aan de [adres] gezien en aangehouden. De bestuurder [betrokkene 2] komt eveneens uit de woning en wordt ook aangehouden.

Verdachte legt bij de politie geen verklaring af en beroept zich op zijn zwijgrecht. Bij de rechter-commissaris verklaart verdachte op 30 december 2011 dat er naar zijn weten niets is gebeurd op 28 december 2011.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte op die dag heeft bemiddeld bij een zakelijke afspraak tussen aangever en ‘[betrokkene 1]’. Nadat [aangever 1] was weggegaan met achterlating van zijn auto met daarin de sleutel, is verdachte op verzoek van [betrokkene 2] met hem meegegaan om [aangever 1] te zoeken. Om beurten hebben zij de auto bestuurd en hebben zij wat rondjes gereden. Ze zijn naar de woning van verdachte gegaan om te overleggen wat zij verder moesten doen, nu zij [aangever 1] niet konden vinden. Verdachte heeft de auto van [aangever 1] derhalve niet meegenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, maar als zaakwaarnemer.

Vast staat naar het oordeel van de rechtbank, dat verdachte op 28 december 2011 een afspraak had met [aangever 1] en [betrokkene 2] en samen met hen in de auto van [aangever 1] heeft gezeten. Daarnaast staat vast dat verdachte in de beslotenheid van deze auto door zijn gedrag een voor [aangever 1] dreigende sfeer heeft gecreëerd en dat hij met de telefoon van aangever ‘[betrokkene 1]’ heeft gebeld. Voorts staat naar het oordeel van de rechtbank, op basis van onder andere de verklaring van [aangever 1] en zijn verwondingen vast dat deze ‘[betrokkene 1]’ geweld heeft gebruikt jegens aangever en dat aangever hierna is weggevlucht met achterlating van zijn auto. Kort na de melding van aangever zijn verdachte en [betrokkene 2] vervolgens door verbalisant [verbalisant] rijdend in de auto van [aangever 1] gezien, in de buurt van de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Verdachte is nadat verbalisant [verbalisant] zijn voertuig keerde uit de auto van aangever gestapt en weggerend.

Verdachte is eerst ter terechtzitting met de verklaring gekomen dat het feit dat hij, na de mishandeling en vlucht van aangever, in diens auto is aangetroffen in de buurt van zijn woning, te verklaren is omdat hij de auto als zaakwaarnemer onder zich zou hebben. De rechtbank acht deze verklaring, mede gelet op het hiervoor beschreven verloop van de gebeurtenissen en het lange zwijgen van verdachte hieromtrent, niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze verklaring louter om de waarheid omtrent de werkelijke gang van zaken te bemantelen en zij stelt deze dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm (het zonder toestemming van de rechthebbende diens auto meenemen en deze als bestuurder en bijrijder in gebruik nemen) gericht was op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de auto. Het oogmerk om wederrechtelijk over het weggenomene als heer en meester te beschikken was derhalve naar het oordeel van de rechtbank aanwezig, hetgeen verdachtes handelen kwalificeert als diefstal. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 2] het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de auto had, nu hij een vriend van aangever is. Evenmin kan ‘[betrokkene 1]’ aangemerkt worden als mededader nu de rechtbank geen bewijs aanwezig acht dat het door hem op aangever uitgeoefende geweld is gepleegd met het oogmerk de diefstal van de auto voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van ‘medeplegen’. Bovendien vond dit geweld plaats zonder dat verdachte in de auto aanwezig was. De rechtbank zal verdachte om die reden eveneens van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 16/601262-11

Feit 2

op 28 december 2011 te Veenendaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk Volkswagen, type Golf, kleur paars), toebehorende aan [aangever 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Parketnummer 16/601262-11

Feit 2

diefstal.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank om toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht verzocht.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft de officier van justitie de hoofdelijke toewijzing van de vordering gevorderd tot een bedrag van € 879,20, bestaande uit € 400,00 wegens immateriële schade en € 479,20 wegens materiële schade, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft voorts haar vordering van 5 december 2011 gehandhaafd, waarbij de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 1 maart 2011 opgelegde voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar werd gevorderd, wegens het niet naleven door verdachte van zowel de algemene voorwaarde.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de strafoplegging het standpunt ingenomen dat verdachte van alle hem onder parketnummer 16/610240-11 en parketnummer 16/601262-11 ten laste gelegde feiten vrijgesproken dient te worden. Derhalve dient ook de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarden te worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft de raadsman primair betoogd dat deze afgewezen dient te worden, gelet op zijn standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem onder parketnummer 16/601262-11 ten laste gelegde feiten.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade tot een lager bedrag zou moeten worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde immateriële schade, nu de benadeelde partij zou hebben overdreven bij de beschrijving van de ernst van het letsel.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto van een persoon die voorafgaand aan deze diefstal door een ander is mishandeld en vervolgens is gevlucht met achterlating van zijn auto. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij van deze situatie heeft geprobeerd te profiteren door zich na deze gebeurtenissen de auto van het slachtoffer toe te eigenen.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat het feit dat verdachte nog in een proeftijd liep, voor hem kennelijk geen beletsel vormde om door te gaan met het plegen van strafbare feiten.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op:

- het strafblad van verdachte d.d. 2 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens (soortgelijke) feiten als bewezen verklaard in aanraking met politie en/of justitie is geweest;

- een pro justitia rapport betreffende de verdachte d.d. 29 maart 2012, opgemaakt door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, welk rapport – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als schriftelijke verklaring van deze deskundige:

Er is sprake van een zich ontwikkelende antisociale persoonlijkheidsstoornis met een lacunaire gewetensfunctie en een gestoorde agressieregulatie. Betrokkene functioneert intellectueel beneden gemiddeld niveau ofwel er is sprake van beperkte intellectuele capaciteiten bij betrokkene.

Aangezien betrokkene een geheel ontkennende verdachte is kunnen over het verband tussen de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, en de psychopathologie alleen hypothesen worden geformuleerd. Vermoed kan worden dat de afpersing van de mobiele telefoon en de diefstal van de auto met geweldpleging planmatig en berekend hebben plaatsgevonden, samenhangend met de gebrekkige gewetensfunctie als onderdeel van de zich ontwikkelende antisociale persoonlijkheidsstoornis. Op grond hiervan kan betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

- een pro justitia rapport betreffende de verdachte d.d. 12 maart 2012, opgemaakt door drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog NIP, welk rapport – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als schriftelijke verklaring van deze deskundige:

Hoewel hij de indruk wil maken van een volwassene en als zodanig wenst te worden behandeld, is juist de wijze waarop het fout gaat met leeftijdgenoten tekenend voor een jongere persoonlijkheid.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

Gelet op deze conclusies met betrekking tot de intelligentie en persoonlijkheid van verdachte en het verzoek van de officier van justitie, zal de rechtbank, hoewel verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde delicten 18 jaar was, het strafrecht voor minderjarigen toepassen.

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van 1 maand passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, nu deze uitging van een groter aantal gepleegde strafbare feiten, maar naar het oordeel van de rechtbank passend bij de ernst van de bewezenverklaarde diefstal en de persoon van de verdachte.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 879,20 voor de onder parketnummer 16/601262-11 ten laste gelegde feiten.

Verdachte is (partieel) vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De schade komt niet voort uit de diefstal van de auto.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2011 wegens overtreding van de algemene voorwaarde, gelet op de bij afzonderlijke beschikking door deze rechtbank genomen beslissing van 24 april 2012 omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van hetzelfde vonnis wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77c, 77g, 77h, 77i en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 16/601262-11 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 16/610240-11 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Vordering benadeelde partij

- verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk;

Vordering tenuitvoerlegging

- verklaart het Openbaar Ministerie met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, die bij vonnis d.d. 1 maart 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/710866-10 wegens overtreding van de algemene voorwaarde, niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, en mrs. J.E. Kruijff-Bronsing en M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A.S.E. Lantain, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 april 2012.

Mr. M.J. Veldhuijzen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.