Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8491

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
16-600613-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn dochter gedurende een langere periode en heeft haar daarnaast bedreigd met de dood. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600613-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats], [adres]

Raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zijn dochter in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 21 mei 2011 heeft mishandeld;

Feit 2: zijn dochter op 20 mei 2011 heeft bedreigd;

Feit 3: zijn dochter in de periode van 14 tot en met 21 juni 2011 heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het incident op 14 juni 2011 dat onder 3 ten laste is gelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feitencomplex vrijspraak bepleit en ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde gedeeltelijke vrijspraak. Verdachte heeft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten (deels) bekend.

Met betrekking tot het eerste ten laste gelegde feit heeft de raadsman opgemerkt dat dit in twee onderdelen is op te splitsen, te weten het specifieke incident waarbij verdachte zijn dochter met een riem geslagen zou hebben en meer algemeen de mishandeling van zijn dochter gedurende een langere periode.

Met betrekking tot dit algemene deel is er, behalve wat [aangever 1] daarover zegt, geen bewijs. Er zijn geen getuigen. Uit de verklaringen van getuigen blijkt namelijk niet dat de blauwe plekken die zij bij [aangever 1] gezien hebben, veroorzaakt zijn door het gedrag van verdachte. Dit verband zal wel moeten kunnen worden gelegd om tot een bewezen verklaring te komen, aldus de raadsman. De buurvrouw, [betrokkene 1], heeft niets concreets gezien wat kan worden gelinkt aan een bepaalde handeling van verdachte op een bepaalde dag. Het is bovendien opmerkelijk dat de leerkracht die [aangever 1] vier keer per week les gaf niets heeft gezien, maar de leerkracht die haar één keer per week les gaf wel allerlei blauwe plekken heeft waargenomen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde incident met de riem merkt de raadsman op dat er geen specifiek moment kan worden vastgesteld waarop dit zou hebben plaatsgevonden. De verklaringen van zowel de moeder van [aangever 1], als [aangever 1] zelf verschillen op dit punt. Daarnaast heeft [aangever 1] verklaard dat [betrokkene 2] erbij was, maar [betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat [aangever 1] helemaal niet is geslagen met een riem.

De raadsman heeft aangegeven dat hij twijfelt aan het waarheidsgehalte van onder meer de verklaringen van [aangever 1], haar moeder en haar oma. Naar zijn mening dient vrijspraak te volgen nu er geen betrouwbare en fatsoenlijke verankering in het dossier is te vinden voor [aangever 1] beweringen en zij zichzelf bovendien tegenspreekt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit hebben verdachte en zijn raadsman opgemerkt dat dit in de gehele context van het gesprek bezien dient te worden. Een deel van het opgenomen gesprek ontbreekt. Verdachte is ervan overtuigd dat dit met opzet niet is opgenomen. De raadsman van verdachte heeft verwezen naar de pagina’s 55, 56 en 57 van het dossier, waaruit kan worden afgeleid dat het gesprek niet zomaar door [aangever 1] is opgenomen, maar om verdachte bepaalde uitspraken te ontlokken. Verdachte heeft weliswaar de ten laste gelegde woorden uitgesproken tegen zijn dochter, maar door de zin direct daarna wordt duidelijk dat hij dit niet meende.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde incident op 14 juni 2011 heeft de raadsman aangevoerd dat het volstrekt onlogisch is dat [betrokkene 3] geen verklaring bij de politie wilde afleggen, omdat [aangever 1] dat niet zou willen. Volgens de raadsman is er niet alleen geen wettig bewijs voor dit feit, maar blijkt hieruit dat er iets niet klopt.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde incident op 21 juni 2011 heeft verdachte bekend dat hij zijn dochter een veeg tegen haar hoofd heeft gegeven. Hij heeft ontkend haar een knietje te hebben gegeven. Volgens de raadsman van verdachte is het niet ondenkbaar dat [getuige 1] hierover heeft verklaard wat [aangever 1] wilde. [getuige 2] is een onafhankelijke getuige. Zij heeft niet gezien dat verdachte zijn dochter een knietje heeft gegeven. Daarnaast is er geen evident verband tussen de medische verklaring en het ten laste gelegde feit.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 21 mei 2011 doet [aangever 1] aangifte tegen haar vader van mishandeling gepleegd tussen 1 oktober 2010 en 21 mei 2011 te Utrecht.

Zij verklaart dat zij zolang zij zich kan herinneren bij ieder bezoek van haar vader door hem werd geslagen. Dat verschilde van dagelijks tot één maal per week.

In oktober 2010 werd zij door haar vader met geschoeide voet en met kracht tegen haar heup getrapt, waardoor zij met haar hoofd tegen de bank viel. De trap deed pijn en de plek op haar heup was rood en gezwollen. Zij kon een week niet lopen van de pijn.

In de maanden november en december 2010 en januari 2011 werd zij regelmatig door haar vader geslagen middels een klap in haar gezicht of op haar lichaam. Zij hield hieraan blauwe plekken en striemen over.

In februari 2011 werd zij door haar vader met kracht met een lederen riem overal op haar lichaam geslagen en één maal in haar gezicht. Hieraan hield zij diverse striemen over.

Op 26 april 2011 is zij door haar vader met vlakke hand en met kracht op haar linkerwang geslagen.

[getuige 3], de moeder van [aangever 1], heeft op 22 juni 2011 bij de politie verklaard dat verdachte, haar ex-partner, [aangever 1] al enige jaren mishandelt. Hij sloeg haar vaak op het lichaam en in haar gezicht. Hij sloeg haar vaak erg hard. Door de klappen liep [aangever 1] rode of blauwe plekken op. De laatste jaren toonde hij meer agressie naar [aangever 1]. Hij heeft haar ook met zijn riem hard op haar benen en rug geslagen. [aangever 1] kreeg hierdoor blauwe plekken.

[betrokkene 1], de buurvrouw van [aangever 1], heeft op 14 juli 2011 bij de politie verklaard dat zij [getuige 3] en haar dochters acht jaar kent. De verstandhouding tussen hen is niet altijd goed geweest. Zij heeft in het verleden ruzie gehad met [getuige 3] over de kinderen.

Zij heeft [aangever 1] vaak horen gillen: “Nee papa, nee papa niet doen, niet weer. [aangever 1] riep dan ook “au”. Zij heeft verdachte buiten op straat wel eens [aangever 1] bij haar haar zien beetpakken en mee naar binnen zien slepen. Daarnaast heeft zij blauwe plekken en striemen op de rug van [aangever 1] gezien. [aangever 1] heeft haar verteld dat zij was geslagen met een riem. Zij heeft bij [aangever 1] rond die tijd ook blauwe plekken op haar armen gezien.

[getuige 4][naam] heeft op 30 juni 2011 bij de politie verklaard dat zij één van de leerkrachten van [aangever 1] is. Zij heeft in het afgelopen schooljaar meerdere keren letsel bij [aangever 1] gezien. Dit waren blauwe plekken op haar armen en benen. [aangever 1] vertelde haar later in het schooljaar dat zij door haar vader werd geslagen als deze thuis kwam.

De rechtbank is op grond van bovenstaande verklaringen, tezamen en in onderling verband bezien, met de officier van justitie van oordeel dat verdachte zijn dochter op meerdere tijdstippen in de ten laste gelegde periode heeft mishandeld.

Het standpunt van de verdediging dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, dan wel dat de waarnemingen van deze getuigen niet gekoppeld kunnen worden aan enig gedrag van verdachte, legt de rechtbank terzijde.

De aangifte van [aangever 1] wordt onder meer ondersteund door de verklaringen die haar moeder, een buurvrouw en een leerkracht van haar school hebben afgelegd. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat [aangever 1], haar moeder, de buurvrouw en de leerkracht leugenachtige verklaringen hebben afgelegd om verdachte een hak te zetten, zoals hij stelt. De rechtbank ziet daarnaast niet in welk belang de buurvrouw en de leerkracht van [aangever 1], onafhankelijke getuigen, zouden hebben bij het afleggen van een valse verklaring.

Anders dan de raadsman wil, levert een verklaring over het bestaan van blauwe plekken of ander letsel, ook steunbewijs wanneer de waarnemer daarvan niet de mishandeling heeft waargenomen.

Het enkele feit dat de buurvrouw, zoals verdachte stelt, boos op hem is omdat hij in het verleden een keer ruzie met haar zou hebben gehad, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing van zijn stelling. Voor zover verdachte bedoelt dat de buurvrouw partij kiest voor [aangever 1] en haar moeder, acht de rechtbank dat onaannemelijk nu zij heeft verklaard dat zij in het verleden eveneens ruzie heeft gehad met de moeder van [aangever 1].

De stelling van verdachte dat het opmerkelijk is dat de leerkracht van [aangever 1] letsel bij haar heeft gezien terwijl zij haar maar één keer per week les gaf en een andere leerkracht dit niet heeft gezien terwijl die haar vier keer per week les gaf, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de verklaring en waarnemingen van leerkracht [naam].

Dat de moeder van [aangever 1] heeft verklaard dat het slaan met de riem op een ander tijdstip zou hebben plaatsgevonden dan [aangever 1] heeft verklaard, acht de rechtbank van ondergeschikt belang. Er is sprake geweest van een reeks van mishandelingen gedurende een langere periode. Aannemelijk is dat getuigen die frequent mishandelingen meemaken de afzonderlijke feiten minder goed kunnen dateren dan getuigen die eenmalig zoiets meemaken.

Feit 2

Op 21 mei 2011 doet [aangever 1] ook aangifte tegen haar vader van bedreiging met de dood, naar de rechtbank begrijpt (mede) gepleegd te Utrecht. Zij verklaart dat zij op 20 mei 2011 door haar vader werd gebeld. Hij was boos op haar omdat hij haar brutaal vond. Hij dreigde haar op maandag 23 mei 2011 dood te slaan.

Op 23 juni 2011 heeft verbalisant [verbalisant] de geluidsbestanden op de mobiele telefoon van [getuige 3] beluisterd. [getuige 3] heeft met haar mobiele telefoon enkele telefoongesprekken tussen [aangever 1] en verdachte opgenomen. Geluidsfragment 7 bevat onder meer de volgende tekst:

[aangever 1]: Je gaat mij weer bedreigen.

Vader: Ik zweer jou, ik ga jou afslachten. Ik zweer het je op mijn lieve moeder: ik slacht jou af als ik er ben!

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever 1] op 20 mei 2011 telefonisch heeft gesproken. Hij heeft verklaard dat hij de ten laste gelegde woorden wellicht heeft gezegd.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zijn dochter [aangever 1] op 20 mei 2011 bedreigd heeft met de woorden zoals deze zijn tenlastegelegd.

De beweerde context ontneemt aan deze uitlatingen niet het bedreigende karakter.

Feit 3

Op 21 juni 2011 doet [aangever 1] aangifte tegen haar vader van mishandeling op 14 en 21 juni 2011.

Op 14 juni 2011, aldus [aangever 1], gaf verdachte haar in haar huis in Utrecht een harde klap tegen haar kaak, waardoor zij pijn kreeg en waardoor een deel van haar kaak ging uitsteken.

Op 21 juni liep zij met een nichtje op straat in Utrecht. Haar vader gaf haar een knietje tegen haar kont; dat deed pijn. Hij gaf haar ook een harde klap met de vlakke hand op haar rechterwang, zodat zij pijn kreeg en een rode, opgezette wang.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 21 juni 2011 in Utrecht zag dat verdachte verbaal tegen [aangever 1] tekeer ging, aan het haar van [aangever 1] trok, haar met kracht een klap in haar gezicht gaf en haar met kracht een knie gaf tegen haar rug.

De verdachte heeft tegen de politie verklaard dat hij de week voor 22 juni bij [aangever 1] thuis was en dat hij toen boos was. Ook heeft hij verklaard dat hij zijn dochter [aangever 1] op 21 juni 2011 te Utrecht een corrigerende tik heeft gegeven.

[getuige 3] heeft verklaard dat [aangever 1] de laatste keer dat zij geslagen was naar haar, [getuige 3], toe kwam en dat zij toen met haar hand op [aangever 1]’s kaak kon voelen dat die knakte aan een kant van het gezicht, niet aan de andere kant.

De rechtbank is van oordeel dat zowel het incident op 21 juni 2011 bewezen is, als het incident op 14 juni 2011. Dat de verdachte op 21 juni “slechts een veeg” heeft gegeven, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, is gelet op zijn eigen verklaring bij de politie en de verklaringen van [aangever 1] en haar nichtje niet aannemelijk.

Dat de getuige [getuige 2] niet een knietje heeft gezien leidt niet tot het oordeel dat dat niet gegeven is, omdat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij met zijn rug naar haar toe stond, zodat hij tussen haar en dit incident moet hebben ingestaan.

Voor het bewijs van het incident van 14 juni 2011 acht de rechtbank mede van belang dat uit de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2 en het incident op 21 juni 2011 blijkt dat de verdachte zijn dochter regelmatig mishandelde, ondermeer door haar hard in het gezicht te slaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 mei 2011 te Utrecht telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [aangever 1] (geboren op [1998]), heeft geslagen in/tegen haar gezicht en op/tegen haar lichaam en geschopt/getrapt op/tegen haar lichaam en met een (leren) riem in haar gezicht en/of op/tegen haar rug heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 2

op 20 mei 2011 te Utrecht (zijn dochter) [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] in een telefoongesprek dreigend de woorden toegevoegd: “Ik zweer jou, ik ga jou afslachten. Ik zweer het op mijn lieve moeder: ik slacht jou af als ik er ben”;

Feit 3

op tijdstippen in de periode van 14 juni 2011 tot en met 21 juni 2011 te Utrecht telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [aangever 1], in het gezicht heeft geslagen en/of een knietje heeft gegeven tegen haar lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1

Mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Feit 2

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3

Mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De door de rechter-commissaris ingeschakelde psycholoog drs. J. Heerschop rapporteert dat een door haar vermoede persoonlijkheidsstoornis mogelijk verdachtes gedrag(skeuzes) heeft beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde, maar dat dit niet met zekerheid valt te zeggen.

Verdachte is strafbaar, omdat een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit dus niet aannemelijk is geworden.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uur met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat begeleiden door de Reclassering en zich laat behandelen bij De Waag.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de strafoplegging als uitgangspunt genomen dat verdachte van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten (deels) vrijgesproken dient te worden.

Voor de bedreiging en mishandeling die bewezen kunnen worden stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten opgelegd dient te worden. Verdachte is first offender. Normaal gesproken wordt dan een geldboete opgelegd. Verdachte heeft vast gezeten en is dus genoeg gestraft, aldus de raadsman.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat behandeling van verdachte bij De Waag niet zinvol is, nu verdachte hier niet aan wil meewerken. Hij heeft hier na zijn eerdere contacten met de Reclassering en de psycholoog geen vertrouwen meer in.

Tot slot stelt de raadsman zich op het standpunt dat een contactverbod, hoewel niet door de officier van justitie geëist, ook niet opgelegd dient te worden. Verdachte heeft in de afgelopen periode op geen enkele manier contact met zijn kinderen of ex-partner gezocht. Hij laat het aan hen over om het contact te herstellen als zij dat willen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn dochter gedurende een langere periode en heeft haar daarnaast bedreigd met de dood.

Huiselijk geweld, met name op de wijze zoals dat door verdachte is gepleegd, is zeer ernstig. De lichamelijke integriteit van de dochter van verdachte is op ernstige en indringende wijze door hem aangetast.

Verdachte heeft bovendien haar gevoel van veiligheid in de huiselijke omgeving aangetast, terwijl men zich juist in de eigen woonomgeving veilig zou moeten voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daar nog lange tijd gevolgen, zoals psychische problemen en gevoelens van angst en onveiligheid, van kunnen ondervinden. Huiselijk geweld of (bedreiging met) geweld van ouders tegen hun kinderen heeft bovendien een maatschappelijk effect. Dergelijk geweld veroorzaakt maatschappelijke verontwaardiging, ook omdat dit strijdig is met de bescherming die een gezin, een ouder, aan een kind behoort te bieden. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen jegens zijn dochter zeer kwalijk.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op:

- het strafblad van verdachte d.d. 16 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens bedreiging en wegens vernieling is veroordeeld;

- een rapport van de Reclassering betreffende verdachte d.d. 8 maart 2012, opgemaakt door H. Luites, reclasseringswerker van Reclassering Nederland te Utrecht, waarin geadviseerd wordt verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en behandelverplichting geadviseerd worden;

- een pro justitia rapport betreffende de verdachte d.d. 21 februari 2012, opgemaakt door mw. drs. J. Heerschop, gz-psycholoog, welk rapport – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als schriftelijke verklaring van deze deskundige:

Betrokkene is een man die functioneert op een laag gemiddeld intelligentieniveau, bij wie sprake is van narcistische en antisociale trekken in de persoonlijkheid. Hoewel betrokkene een grotendeels ontkennende verdachte is, beschikt hij over een aantal persoonlijkheidseigenschappen die agressief gedrag in de hand kunnen werken. Zo is er sprake van een verhoogde krenkbaarheid en lijkt betrokkene gemakkelijk achterdochtig te raken. (…) De verhoogde krenkbaarheid en prikkelbaarheid brengen een risico op (nieuwe) agressieve handelingen met zich mee (indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard). (…) Gezien het vermoeden van persoonlijkheidsproblematiek, de ernst van hetgeen betrokkene tenlaste wordt gelegd en het gegeven dat de mishandelingen binnen het gezin klaarblijkelijk reeds enkele jaren aan de gang waren voordat er ingegrepen werd, is de onderzoeker van mening dat er een behandeling bij een forensische polikliniek als de Waag ingezet dient te worden.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich door de Reclassering laat begeleiden en door een forensische polikliniek als De Waag laat behandelen, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, maar naar het oordeel van de rechtbank passend bij de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte.

Met oplegging van een voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt bovendien een verplichte begeleiding door de Reclassering en een behandeling bij De Waag mogelijk opdat de kans op recidive kan worden verminderd. De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw dat het handelen van verdachte jegens zijn dochter lijkt voort te komen uit een door hem ervaren gevoel van onmacht in zijn verstandhouding met haar. Verdachte lijkt, gelet op de bewezenverklaarde feiten, moeilijk in staat zijn gedrag jegens zijn dochter op een andere, minder schadelijke, wijze vorm te geven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een behandeling bij een instantie als De Waag nodig is om verdachte inzicht en handvatten te verschaffen op dit gebied, zodat een gezond contact met zijn dochter in de toekomst wellicht mogelijk zal zijn.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 57, 285, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering ook als die inhouden dat:

* verdachte zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijft melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* verdachte zich laat behandelen in een ambulant forensisch psychiatrische instelling, zoals De Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- voor zover deze voorwaarden het gedrag van de verdachte betreffen, moet verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf naar de maatstaf van 2 uur werkstraf per dag voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, en mrs. P.L.C.M. Ficq en P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A.S.E. Lantain, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 mei 2012.

Mr. P.P.C.M. Waarts is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.