Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8487

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
301423 - HA ZA 11-287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring van vordering op grond van onrechtmatige daad (mogelijk foutieve diagnose huisarts). Toerekening van subjectieve wetenschap in de zin van artikel 3:310 lid 1 BW van een derde (echtgenoot van slachtoffer) aan het slachtoffer? Stelplicht en bewijs.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/323
JA 2012/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 301423 / HA ZA 11-287

Vonnis van 30 mei 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.T. Bolt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P. Oskam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- akte overlegging productie

- antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In juni 2001 kreeg [eiseres] te kampen met klachten van plotselinge duizeligheid en dubbelzien. Op 15 juni 2001 consulteerde [eiseres] haar huisarts [gedaagde].

2.2. [gedaagde] verwees [eiseres] door naar een opticien, die zij op 19 juni 2001 consulteerde. De opticien constateerde niets bijzonders aan de ogen van [eiseres].

2.3. Op 16 juli 2001 is [eiseres] getroffen door een hersenstaminfarct tengevolge van een trombose van de basilaris. Sindsdien is er sprake van het zogenaamde locked-in syndroom en kan [eiseres] haar lichaam niet of nauwelijks bewegen. Ook verloor zij haar vermogen om te spreken. De mogelijkheden om te bewegen beperken zich tot het hoofd, de rechterduim en rechter grote teen.

2.4. Van 16 juli 2001 tot 23 juli 2001 verbleef [eiseres] op de Intensive Care van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna UMCU).

2.5. Van 23 juli 2001 tot 24 januari 2002 is [eiseres] opgenomen geweest op de afdeling neurologie van het UMCU.

2.6. Nadien heeft [eiseres] gerevalideerd in Revalidatiecentrum

De Hoogstraat in Utrecht. In juli 2002 is [eiseres] naar huis teruggekeerd.

2.7. Bij brief van 10 oktober 2001 heeft de echtgenoot van [eiseres], hierna [echtgenoot], [gedaagde] als volgt bericht:

‘Beste [gedaagde],

Doel van dit briefje is je te laten weten dat [eiseres], [A] en ik van huisarts veranderen.

Ik zou me daarbij gemakkelijk kunnen verschuilen achter praktische argumenten. ([A] zit in Hilversum op school, ons leven speelt zich meer richting Loosdrecht en Hilversum af

enz.).

Maar de werkelijke reden is uiteraard een andere.

Je kent [eiseres]’s situatie, denk ik. Na een hersenstaminfarct is zij volledig verlamd en kan niet spreken. Aan dat infarct is een duidelijke waarschuwing voorafgegaan, een zg. TIA. Voor die TIA zijn we bij je geweest, maar je diagnose was: “je hebt een bril nodig”.

Inmiddels weet ik dat bij de symptomen waarmee wij naar je toe kwamen - plotselinge duizeligheid, plotseling dubbelzien - bij elke arts de alarmbel hoort af te gaan: TIA.

Een scan en een simpele bloedverdunner hadden mogelijk de verwoesting van een leven kunnen voorkomen.

Een neuroloog in het AZA meldde ongevraagd, dat je diagnose ‘mogelijk verwijtbaar’ is.

Die gebeurtenissen ondermijnen niet alleen mijn vertrouwen.

Zij maken ook een onbelemmerd contact mogelijk.

Wees zo vriendelijk de dossiers van [eiseres], [A] en mij per omgaande op te sturen naar Mw. [B], bij de Huisartsenpraktijk [woonplaats].

[echtgenoot].’

2.8. In februari 2007 en januari 2008 heeft Socutera in radio- en televisie-uitzendingen aandacht besteed aan de verschijnselen die gepaard gaan met een TIA en de mogelijkheden die er zijn om deze verschijnselen te herkennen als een aanwijzing voor een TIA.

2.9. Bij brief van 19 januari 2010 heeft [eiseres], althans haar gemachtigde, [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor toerekenbaar te kort schieten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen bestaande geneeskundige behandelovereenkomst. Tevens wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de hierdoor geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.10. Bij brief van 2 februari 2010 bericht ASR dat het voor de hand ligt dat de vordering, nu [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk houdt voor een incident dat plaats vond in juni 2001, inmiddels is verjaard.

3. Het geschil

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres] toerekenbaar te kort is geschoten in de op hem rustende verplichtingen dan wel toerekenbaar onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de schade die daaruit voor [eiseres] is voortgevloeid en nog zal voortvloeien;

2. [gedaagde] te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te vergoeden de schade die zij als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel toerekenbaar onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en

3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag van voldoening.

3.1. Aan deze vordering legt [eiseres] - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

[gedaagde] heeft bij het consult op 15 juni 2001 ten onrechte geen rekening gehouden met de diagnose TIA en zijn behandeling/beleid daardoor onvoldoende afgestemd op de noodzaak om vervolgschade, zoals een nieuwe TIA of enig infarct of hersenstaminfarct, te voorkomen. Meer specifiek heeft [gedaagde] [eiseres] ten onrechte niet met spoed doorgestuurd naar een neuroloog en haar evenmin de aangewezen medicatie voorgeschreven.

Op deze wijze heeft [gedaagde] verhinderd dat de aan de orde zijnde medische problemen bij [eiseres] vroegtijdig konden worden herkend en het hersenstaminfarct op 16 juli 2001 kon worden voorkomen. Aangenomen moet worden dat bij juist handelen van [gedaagde] het hersenstaminfarct achterwege zou zijn gebleven, althans de kans daarop aanzienlijk zou zijn verkleind. Voorts betwist [eiseres], onder verwijzing naar diverse arresten van de Hoge Raad, dat de vordering verjaard is.

3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat de vordering van [eiseres] is verjaard. omdat [eiseres] langer dan 5 jaar voorafgaand aan de aansprakelijkheidsstelling van 19 januari 2010, of anders gezegd voor 19 januari 2005, daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon.

[gedaagde] heeft deze bekendheid van [eiseres] als volgt onderbouwd.

Primair stelt hij dat [echtgenoot] vanwege diens brief van 10 oktober 2001 aan [gedaagde] voor 19 januari 2005 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon en dat zijn bekendheid toegerekend dient te worden aan [eiseres].

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat (zie blz. 7 conclusie van dupliek) “mocht de rechtbank aannemen dat de echtgenoot van [echtgenoot] niet (de gehele periode) als haar vertegenwoordiger heeft opgetreden, dan is niet duidelijk op welk moment die vertegenwoordiging is geëindigd en [echtgenoot] zelf (weer) wilsbekwaam kon worden geacht. Overlegging van (medische) stukken is noodzakelijk om dit moment te kunnen bepalen.”

Meer-subsidiair stelt hij dat [eiseres] voor 19 januari 2005 zelf daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] doet een beroep op verjaring. Op verzoek van partijen zal in dit tussenvonnis uitsluitend dit verweer worden behandeld.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:310 lid 1 BW twee verjaringstermijnen bevat: een korte van vijf jaren die begint op de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waarvan de schade het gevolg is. Aan de lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak van de Hoge Raad de rechtszekerheid ten grondslag. De korte verjaringstermijn - waar het in de onderhavige zaak om gaat - staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid maar ook van de billijkheid.

Blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de benadeelde partij aldus worden opgevat dat het gaat om daadwerkelijke bekendheid en dat het criterium ‘bekendheid’ subjectief moet worden opgevat (zie HR 6 april 2001 NJ 2002/383, [naam]/Wilton Fijenoord).

Voorts heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2003, NJ 2006/112 ([naam]) geoordeeld dat de korte verjaringstermijn pas begint te lopen zodra de benadeelde of diens wettelijk vertegenwoordiger voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade.

Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen is de vereiste mate van zekerheid pas aanwezig, indien de oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd (HR 24 januari 2003 NJ 2003/300, BASF/[naam]) .

4.3. Het komt er dus op aan dat degene die zich op verjaring beroept, stelt en zo nodig bewijst dat de benadeelde op een bepaald moment daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Die bekendheid kan, bij betwisting door de benadeelde, tevens afgeleid worden uit bepaalde vaststaande feiten en omstandigheden.

4.4. Partijen twisten over de vraag vanaf welk moment [eiseres] daadwerkelijk bekend was met het feit dat haar letsel (mede) veroorzaakt is door tekortschietend of foutief medisch handelen van [gedaagde].

4.5. [gedaagde] stelt dat [eiseres] voor 19 januari 2005 daadwerkelijk bekend was met het feit dat het letsel (mede) veroorzaakt is door tekortschietend of foutief medisch handelen van [gedaagde]. [gedaagde] leidt die bekendheid primair af uit de brief van [echtgenoot] aan [gedaagde] van 10 oktober 2001 omdat uit de inhoud van die brief blijkt dat [echtgenoot] reeds op 10 oktober 2001 subjectief bekend was met [gedaagde] als aansprakelijke persoon en deze bekendheid aan [eiseres] kan worden toegerekend aangezien [echtgenoot] als vertegenwoordiger van [eiseres] heeft gehandeld.

[eiseres] heeft gesteld dat [echtgenoot] op 10 oktober 2001 niet meer dan een vermoeden had van de nalatigheid van [gedaagde] en betwist dat dat vermoeden voldoende is voor de subjectieve bekendheid van [echtgenoot] met [gedaagde] als aansprakelijke persoon. Voorts heeft [eiseres] betwist dat [echtgenoot] als haar vertegenwoordiger is opgetreden.

4.6. De beantwoording van de vragen of [echtgenoot] voor 19 januari 2005 subjectief bekend was met [gedaagde] als aansprakelijke persoon, en als vertegenwoordiger voor [eiseres] optrad, in het bijzonder bij het schrijven van de brief van 10 oktober 2001, kan voor de beoordeling van de primaire stelling in het midden blijven.

Aan de primaire stelling van [gedaagde] ligt het uitgangspunt ten grondslag dat in het algemeen bij volmacht de subjectieve bekendheid van de gevolmachtigde toegerekend kan worden aan de volmachtgever. Dit uitgangspunt is onjuist omdat toerekening van subjectieve wetenschap in beginsel niet verenigbaar is met de betekenis van subjectiviteit in de zin van behorend tot één individu of het gevolg van inwendige, niet voor anderen waarneembare oorzaken. Van toerekening van subjectieve wetenschap van de vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de strekking van de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW en tegen de achtergrond van de hiervoor in 4.2 genoemde rechtspraak, slechts sprake zijn in het geval van wettelijke vertegenwoordiging. Het gaat dan om die gevallen waarin een individu niet in staat kan worden geacht subjectieve wetenschap te verkrijgen danwel te verwerken, althans zijn belangen te behartigen en voor wie de wetgever het instituut van wettelijke vertegenwoordiging in het leven heeft geroepen, zoals bij minderjarigen en in het geval van curatele of bewind. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in (r.o. 3.5 van) het [naam] arrest waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de korte verjaringstermijn pas gaat lopen op het moment dat de benadeelde of diens wettelijk vertegenwoordiger voldoende zekerheid heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. De Hoge Raad laat daarin geen ruimte voor andere dan wettelijke vertegenwoordigers.

4.7. Het is gelet op het vorenstaande thans de vraag of [echtgenoot] als wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] kan worden aangemerkt.

[gedaagde] stelt dat [echtgenoot] aangemerkt dient te worden als de wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] in de zin van artikel 7:465 lid 3 BW.

[eiseres] heeft dit betwist.

4.8. Hoewel niet uit te sluiten is dat [echtgenoot] na het hersenstaminfarct op 16 juli 2001 gedurende zekere tijd heeft opgetreden als de (wettelijk) vertegenwoordiger van [eiseres] als bedoeld in artikel 7:465 lid 3 BW, kan de vraag of daarvan daadwerkelijk sprake is geweest in het midden blijven omdat deze (mogelijke) hoedanigheid van [echtgenoot] geen toerekening met zich brengt van de (mogelijke) subjectieve kennis van [echtgenoot] van [gedaagde] als aansprakelijke persoon aan [eiseres]. Artikel 7:465 BW ziet uitsluitend op vertegenwoordiging van een wilsonbekwame patiënt jegens de hulpverlener in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en bepaalt in welke gevallen de verplichtingen van de hulpverlener jegens de patiënt jegens een ander nagekomen dienen te worden. Deze beperkte strekking van de vertegenwoordiging van de patiënt staat er aan in de weg om de subjectieve kennis van de in artikel 7:465 lid 3 BW genoemde personen die betrekking heeft op het handelen van derden voorafgaand aan het totstandkomen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarin de wilsonbekwaamheid optreedt, toe te rekenen aan de patiënt.

4.9. Nu gesteld noch gebleken is dat er (tevens) sprake is van een andere vorm van wettelijke vertegenwoordiging door [echtgenoot] van [eiseres] kan van toerekening van de (mogelijke) subjectieve bekendheid bij [echtgenoot] aan [eiseres] geen sprake zijn.

Dit heeft tot gevolg dat voor de beoordeling van de primaire stelling de vraag of er sprake is van subjectieve bekendheid bij [echtgenoot] verder onbesproken kan blijven.

4.10 Indien de rechtbank de subsidiaire stelling van [gedaagde] goed begrijpt, dan acht hij de medische gegevens van belang omdat hij van de veronderstelling uit gaat dat gedurende de periode van handelingsonbekwaamheid van [eiseres] de wetenschap van [echtgenoot] toegerekend kan worden aan [eiseres]. Deze veronderstelling is , zoals reeds overwogen, onjuist omdat de vraag of, en de periode waarover, [eiseres] al dan niet wilsonbekwaam is, niet relevant is gelet op de vaststelling dat [echtgenoot] niet aan te merken is als haar wettelijk vertegenwoordiger en alleen in die hoedanigheid toerekening van zijn subjectieve wetenschap mogelijk is.

4.11 Meer subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit diverse omstandigheden blijkt dat [eiseres] al voor 19 januari 2005 subjectief en daadwerkelijk op de hoogte was met [gedaagde] als de aansprakelijke persoon. Ter onderbouwing van die omstandigheden verwijst [gedaagde] naar zijn algemene toelichting bij dupliek op de primaire stelling en dat wat hij bij antwoord over de bekendheid van [eiseres] heeft aangevoerd.

In de kern komt zijn stelling er op neer dat de subjectieve bekendheid van [eiseres] voor 19 januari 2005 kan worden afgeleid uit de volgende omstandigheden:

- het feit dat de behandelend neuroloog medio 2001 aan [echtgenoot] heeft verteld dat de diagnose van [gedaagde] mogelijk verwijtbaar was;

- het door [echtgenoot] opzeggen van het vertrouwen in [gedaagde] als huisarts van het gezin van [eiseres] en de aanleiding daarvoor zoals beschreven in diens brief van 10 oktober 2001 aan [gedaagde], namelijk dat aan het infarct een duidelijke waarschuwing vooraf is gegaan in de vorm van een TIA en dat met de symptomen waarmee [eiseres] bij [gedaagde] kwam, bij elke arts een alarmbel hoort af te gaan dat er sprake is van een TIA.

[gedaagde] stelt dat het vertrouwen in hem is opgezegd vanwege mogelijk verwijtbaar handelen door hem vanwege het missen van de TIA. Het bestaan van dat mogelijke verwijt is volgens [gedaagde] voldoende om vast te stellen dat er bekendheid is met hem als (mogelijk) aansprakelijke persoon. Hij stelt dat [eiseres] ook deze bekendheid heeft gehad omdat het onder de genoemde omstandigheden niet denkbaar/geloofwaardig is dat [eiseres] niet vóór 19 januari 2005 op de hoogte was van de verandering van huisarts en de reden daarvan: het mogelijke verwijt dat [gedaagde] een TIA bij haar gemist heeft. Voorts stelt [gedaagde] dat het niet denkbaar/geloofwaardig is dat de behandelend neuroloog van [eiseres] wel tegen [echtgenoot] maar niet tegen haar heeft gezegd dat de door [gedaagde] gestelde diagnose mogelijk verwijtbaar is.

4.12. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden zijn door [eiseres] niet betwist en staan mitsdien vast. Dit betekent dat de vraag resteert of op grond van die omstandigheden [eiseres] voor 19 januari 2005 geacht moet worden daadwerkelijk bekend te zijn geweest met [gedaagde] als aansprakelijke persoon.

Voor de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank het door de Hoge Raad in het arrest van 24 januari 2003, NJ 2003/300 (BASF/[naam]) geformuleerde uitgangspunt relevant. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen is de vereiste mate van zekerheid pas aanwezig, indien de oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.

4.13. Dit criterium is ook van toepassing in de onderhavige zaak, waarin sprake is van een lichamelijke aandoening waarvan niet zonder meer duidelijk is dat die voorkomen had kunnen worden door een juiste diagnose van een, aan die aandoening voorafgaande, klacht waarvoor de huisarts is bezocht.

Niet gesteld of gebleken is dat een deskundige arts bij [eiseres] heeft vastgesteld dat [gedaagde] de klachten waarmee [eiseres] hem op 19 juni 2001 consulteerde, onjuist heeft gediagnosticeerd en bij een juiste diagnose de daarvoor geldende behandeling en/of medicatie het hersenstaminfarct had voorkomen, althans de kans daarop in relevante mate zou hebben verkleind.

Het uitgangspunt dat in het algemeen de vereiste mate van zekerheid pas aanwezig is zodra er een deskundige diagnose van de oorzaak is, sluit de mogelijkheid in dat de vereiste mate van zekerheid ook zonder een dergelijke diagnose aanwezig kan zijn. Of daarvan sprake is is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het individuele geval.

4.14. Ten aanzien van die bijzondere omstandigheden is in de onderhavige zaak van belang dat, zoals uit de brief van [echtgenoot] aan [gedaagde] van 10 oktober 2001 blijkt en door [eiseres] ook is gesteld, [echtgenoot] door de neuroloog, die [eiseres] vanaf haar opname op 6 juli 2001 heeft behandeld, er ongevraagd op gewezen is dat de diagnose die [gedaagde] naar aanleiding van de door [eiseres] geuite klachten heeft gesteld, mogelijk verwijtbaar is.

[gedaagde] stelt dat met deze informatie van de neuroloog de vereiste mate van zekerheid bij [echtgenoot] is gegeven en dat deze informatie ook [eiseres] heeft bereikt omdat het ondenkbaar is dat [echtgenoot] deze informatie niet eerder dan na 19 januari 2005 met [eiseres] heeft gedeeld.

4.15. Kernvraag is wanneer de vereiste mate van zekerheid gegeven is zonder dat van een deskundige vaststelling van de oorzaak sprake is.

In het BASF-arrest heeft de de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtbank in die zaak van een juiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door te oordelen dat de vereiste mate van zekerheid is ontstaan “op het moment dat de (ex)werknemer bij een terzake deskundige enige bevestiging vond voor zijn vermoeden dat de chemicaliën op het werk zijn klachten veroorzaakten”. De feitelijke grondslag voor dit oordeel was in die zaak dat de afdeling neurologie aan de huisarts van de werknemer had laten weten dat “het klachtenpatroon van [naam] (toevoeging rechtbank: de werknemer) kan passen bij een milde organische oplosmiddelenintoxicatie”.

Hieruit dient afgeleid te worden dat de vereiste mate van zekerheid ook aanwezig kan zijn zodra een deskundige gewezen heeft op de mogelijkheid van een causaal verband tussen de klachten en het handelen van de wederpartij. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Immers de behandelend neuroloog van [eiseres] heeft in het kader van zijn behandeling ongevraagd [echtgenoot] verteld dat de diagnose van [gedaagde] mogelijk verwijtbaar is. Deze informatie heeft [echtgenoot] in ieder geval voor 10 oktober 2001 van de neuroloog verkregen. Dit betekent dat [echtgenoot] voor 10 oktober 2001 daadwerkelijk bekend was met [gedaagde] als de aansprakelijke persoon.

4.16. Vervolgens is het de vraag of, en zo ja wanneer, [eiseres] deze informatie heeft bereikt. [gedaagde] stelt dat [eiseres] voor 19 januari 2005 bekend was met de informatie van de neuroloog. Hij heeft dat onderbouwd met de stelling dat het ondenkbaar en/of ongeloofwaardig is dat [echtgenoot] en/of de neuroloog deze informatie niet aan haar hebben verteld. [eiseres] heeft ontkend dat zij deze informatie voor 19 januari 2005 van [echtgenoot] en/of de behandeld neuroloog heeft verkregen. Indien komt vast te staan dat [eiseres] voor 19 januari 2005 wist dat haar behandelend neuroloog van mening was dat de diagnose van [gedaagde] mogelijk verwijtbaar is, dan is haar vordering verjaard. Omdat [gedaagde] stelt dat [eiseres] dit voor 19 januari 2005 wist, zal hij tot het bewijs van die stelling worden toegelaten.

4.17. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs dat [eiseres] voor 19 januari 2005 wist dat haar behandelend neuroloog heeft gemeld dat de diagnose van [gedaagde] mogelijk verwijtbaar was.

4.18. Partijen hebben verzocht om tussentijds hoger beroep van dit vonnis toe te staan. De rechtbank zal dit verzoek honoreren. De rechtbank zal partijen evenwel eerst in de gelegenheid stellen antwoord te geven op de vraag of zij de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep wensen van dit tussenvonnis of van het tussenvonnis na bewijslevering door [gedaagde]. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol van 27 juni 2012 verwijzen. Indien één der partijen verzoekt reeds tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis toe te staan, dan zal de rechtbank dat honoreren.

4.19. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank,

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 27 juni 2012 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich gelijktijdig bij akte uit te laten over (uitsluitend) de hiervoor in 4.18 geformuleerde vraag en

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, mr. I.M. Vanwersch en mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012