Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8477

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
16-655275-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van poging doodslag, nu bewezen is dat verdachte het slachtoffer met een mes in de rug/schouder heeft gestoken, waardoor een klaplong is veroorzaakt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655275-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Veenendaal

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(primair) zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag door slachtoffer [slachtoffer] met een (zwaar) voorwerp op het hoofd te slaan en/of met een mes in de schouder/rug te steken;

(subsidiair) samen met een ander op voornoemde wijze het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

(meer subsidiair) aldus heeft gepoogd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, in die zin dat verdachte verweten kan worden dat hij met een mes in de schouder/rug van aangever [slachtoffer] heeft gestoken.

Volgens de officier van justitie kan niet bewezen worden dat verdachte met betrekking tot dit feit samen met een ander heeft gehandeld en met een (zwaar) voorwerp op het hoofd van aangever [slachtoffer] heeft geslagen. Op deze onderdelen dient verdachte partieel te worden vrijgesproken.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank in zijn geheel niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastelegde. Evenals de officier van justitie heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde medeplegen en slaan met het voorwerp op het hoofd van aangever [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1]). Daar komt bij dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad aangever [slachtoffer] van het leven te beroven, nu de verdachte in een opwelling het mes heeft gepakt en in de rug van aangever [slachtoffer] heeft gestoken om onmiddellijk gevaar af te wenden.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het tenlastegelegde het volgende.

Er is op 31 december 2011 in de woning aan de [adres] te Utrecht een ruzie ontstaan tussen aangever [slachtoffer] enerzijds en verdachte en [medeverdachte 1] anderzijds. Alle vier de aanwezige personen hadden alcoholhoudende drank genuttigd. Drie van hen waren dronken of (zwaar) onder invloed van alcohol. Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 april 2012 bekend dat hij aangever [slachtoffer] met een mes in zijn schouder/rug heeft gestoken. [medeverdachte 1] heeft bij de politie bekend dat zij aangever [slachtoffer] later, toen [slachtoffer] op de bank was gaan zitten, met droogbloemen in een vaasje op zijn hoofd heeft geslagen. Aangever [slachtoffer] heeft van deze handelingen aangifte gedaan.

De rechtbank constateert dat door de verdachten, aangever en de aanwezige getuige meerdere scenario’s omtrent de feitelijke gang van zaken worden geschetst en dat deze scenario’s in details uiteen lopen. De rechtbank kan niet vaststellen hoe de feitelijke gang van zaken precies is geweest. Wel stelt de rechtbank vast dat verdachte, [medeverdachte 1] en ook aangever [slachtoffer] hebben bijgedragen aan een sfeer tot escalatie.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat, gelet op voornoemde wisselende scenario’s niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Nu de rechtbank medeplegen van het tenlastegelegde derhalve niet bewezen acht, zijn ook de handelingen van [medeverdachte 1] – het slaan met het vaasje – niet aan verdachte toe te rekenen en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank voorts dat uit onderzoek is gebleken dat aangever [slachtoffer] een steekverwonding had aan de achterzijde van zijn bovenlichaam, te weten aan de rechterzijde van de hals aan de bovenzijde van de rug en dat door de messteek een klaplong is veroorzaakt. Hoewel niet precies vast te stellen is wie welke geweldshandelingen op welke plek heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aangever met een mes in zijn rug heeft gestoken. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat aangever mijn zijn rug naar hem, verdachte, toe stond toen hij stak en dat hij heeft gestoken met een ‘heftig mes’ . Het mes waarmee verdachte heeft gestoken betreft een mes met een relatief groot lemmet van circa 20 centimeter, met een scherpe punt. Verdachte heeft gestoken op een plaats van het lichaam waar zich vitale delen bevinden en heeft aldus letsel aan een vitaal orgaan veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aldus op deze plaats van het lichaam met een mes te steken zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever [slachtoffer] als gevolg van de messteek het leven zou verliezen. De gedragingen van verdachte – het steken in de rug ter hoogte van de plek waar zich vitale delen bevinden – kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de hierboven beschreven aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

Het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood heeft gehad, omdat hij in een opwelling een mes heeft gepakt en heeft gestoken om onmiddellijk gevaar af te wenden, verwerpt de rechtbank gelet op het voorgaande.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte

op 31 december 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt

heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, die [slachtoffer] met een mes met kracht in diens schouder/rug gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweerexces meer subsidiair putatief noodweer en heeft derhalve ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van noodweer(exces) en is daarbij uitgegaan van het scenario dat aangever [slachtoffer] kort voor en kort na het incident op de bank zat en op/bij de bank in de rug is gestoken door verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op hetgeen onder 4.3 omtrent de verschillende scenario’s is overwogen, is de feitelijke gang van zaken aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet precies vast te stellen. Uitgaand van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) heeft gesteld merkt de rechtbank het volgende op. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat voor de verdachte op enig moment mogelijk een dreiging van de zijde van aangever is ontstaan, in die zin dat aangever mogelijk met een kettingslot betrokkene [medeverdachte 1] heeft geslagen en verdachte met dat kettingslot heeft bedreigd waardoor mogelijk sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, waartegen -in beginsel- gepast geweld gerechtvaardigd is, stuit het beroep op noodweer reeds af omdat het steken met een mes in de rug van het slachtoffer ter afwering van die aanranding niet als proportioneel kan worden beschouwd. Het beroep op noodweerexces kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen, nu door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er -in het door de verdediging geschetste scenario- sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte door de aanranding veroorzaakt. De loutere stelling dat verdachte boos was door een (mogelijke) dreiging acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachte de mogelijkheid heeft bestaan om zich, op het moment kort voorafgaande aan de steekpartij, aan de confrontatie met aangever te onttrekken. Aangever stond immers met zijn rug naar verdachte toe en verdachte had de keuken, waarin verdachte zich naar zijn zeggen op dat moment bevond, kunnen verlaten.

Een beroep op putatief noodweer is door de verdediging niet nader onderbouwd en daarvan is ook voorts niet gebleken.

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot doodslag

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid is gebleken die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een klinische behandeling in FPK De Roosenburg of soortgelijke instelling voor de duur van 12 maanden of zoveel korter als deze instelling noodzakelijk acht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte geen agressief persoon is, zelf ook gewond is geraakt en dat verdachte bereid is de door de officier van justitie geformuleerde bijzondere voorwaarden te aanvaarden. De verdediging heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar met de op te leggen bijzondere voorwaarden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit. Verdachte heeft in een conflict met het slachtoffer zich kennelijk zo hevig opgewonden, dat hij het slachtoffer met een mes te lijf is gegaan. Hij heeft daarmee geen respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer getoond.

Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol die het slachtoffer in het conflict heeft gespeeld.

Verdachte is gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie meerdere keren veroordeeld ter zake van vermogenscriminaliteit. Een dergelijk geweldsdelict heeft verdachte niet eerder begaan. Omtrent verdachte is een persoonlijkheidsrapportage opgemaakt door psycholoog dr. D.J. Burck. Zij concludeert dat het risico dat verdachte opnieuw tot agressief gedrag komt groot is en adviseert een klinische opname in een FPA, toegespitst op dubbeldiagnoseproblematiek.

Ook Centrum Maliebaan heeft d.d. 5 april 2012 gerapporteerd omtrent verdachte en adviseert een plan van aanpak waarin verdachte, mede volgens zijn verklaring ter terechtzitting, zich kan vinden.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte, waarbij het plan van aanpak, zoals door Centrum Maliebaan in het kader van haar advies, als bijzondere voorwaarden integraal door de rechtbank wordt overgenomen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Partiële vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op het medeplegen en voor zover dit betrekking heeft op het slaan met een (zwaar) voorwerp op het hoofd;

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

Stelt als algemene voorwaarde(n) dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

4. zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich binnen drie dagen volgend op de dag van zijn ontslag uit de penitentiaire inrichting, of drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis, melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan op het volgende adres: Tolsteegsingel 2A te Utrecht. Hierna moet hij zich gedurende de proefperiode blijven melden conform de frequentie van het toezichtniveau. In het geval van opname in een 24-uurs setting aansluitend op de detentie, geldt dat de veroordeelde zich eveneens dient te houden aan het meldingsgebod, echter met dien verstande dat hij zich dient te melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan binnen drie dagen na beëindiging van de behandeling. In het geval dat de veroordeelde eenzijdig de behandeling afbreekt, dient hij zich dezelfde dag te melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan;

5. moet deelnemen aan de gedragsinterventie Leefstijltraining;

6. zal verblijven in en zal meewerken aan een klinische behandeling in een voor de veroordeelde meest geschikte behandelsetting in een inrichting te bepalen door het NIFP/IFZ, dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een dergelijke intramurale behandeling zal kunnen worden gegeven, met inachtneming van de mate van zorg en beveiliging die voor veroordeelde noodzakelijk is. De behandeling van veroordeelde zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en

mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2012.