Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8312

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
16-600842-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord. OVAR. TBS met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600842-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

gedetineerd te PPC Scheveningen te Scheveningen,

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 1 december 2011 en 21 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te vermoorden althans opzettelijk te doden;

subsidiair: heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, al dan niet met voorbedachten rade.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, te weten de poging tot moord, heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van poging tot moord en poging tot doodslag, omdat de opzet van verdachte er niet op was gericht om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van poging tot zware mishandeling, omdat de opzet van verdachte er niet op was gericht om [slachtoffer] zwaar letsel toe te brengen. De verdediging heeft betoogd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring dient te komen van mishandeling.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.3.2 De bewijsoverwegingen

De rechtbank is, anders dan de verdediging heeft betoogd, van oordeel dat uit het bewijs volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte onomwonden heeft aangegeven dat het zijn bedoeling was [slachtoffer] te vermoorden. Uit die uitlatingen leidt de rechtbank af dat het (minstgenomen) zijn bedoeling was [slachtoffer] te doden. Verdachte heeft het slachtoffer met een metalen schaar van ongeveer 20 centimeter met poten die eindigen in een scherpe punt in de buik gestoken. Het steken met een schaar in de buik is in zijn algemeenheid een geschikt middel om dat gevolg te bewerkstelligen.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens over dient uit te laten is of er sprake is van poging tot moord dan wel poging tot doodslag.

Om tot een bewezenverklaring van moord te komen is het noodzakelijk dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. Hiervan is sprake

als komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verdachte is naar zijn kamer gelopen om een schaar te pakken. Vervolgens is verdachte terug gelopen naar het slachtoffer en heeft geroepen “ik ga je vermoorden”. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte het plan heeft opgevat om het slachtoffer te doden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de tijd dat hij naar zijn kamer is gelopen, de schaar heeft gepakt en weer terug is gelopen, de tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van voorbedachten rade en zal verdachte veroordelen voor een poging tot moord.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 24 augustus 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal met een schaar in de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: poging tot moord.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

In de Pro Justitia rapportage d.d. 26 oktober 2011, opgesteld door F.A.T. van Maarschalkerweerd, GZ-psycholoog, wordt geadviseerd om verdachte klinisch te laten observeren in het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

In de Pro Justitia rapportage d.d. 1 november 2011, opgesteld door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, wordt geadviseerd verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren vanwege het psychotisch toestandsbeeld van verdachte. De psychiater adviseert om verdachte klinisch te laten observeren in het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Verdachte is vervolgens klinisch geobserveerd in het Pieter Baan Centrum te Utrecht van 23 februari 2012 tot en met 12 april 2012.

G.H. van den Bosch, psychiater in opleiding, onder supervisie van dr. Th. Rinnie, psychiater, en A. de Jong, psycholoog, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, hebben een rapport uitgebracht op 16 mei 2012. In dit rapport wordt verdachte beschreven als een man die permanent verkeert in een psychotische toestand. Zijn innerlijke wereld is gefragmenteerd en leeg geworden en de zelfverwaarlozing is fors. Alle onderzoeksgegevens wijzen onomstotelijk op de aanwezigheid van een chronische progressieve schizofrenie van het paranoïde type. De deskundigen stellen dat verdachtes psychose in volle ernst en omvang aanwezig is geweest in de aanloop tot en tijdens het tenlastegelegde. De deskundigen adviseren verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren

De rechtbank neemt de conclusies van de hierboven genoemde deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank beschouwt verdachte derhalve als volledig ontoerekeningsvatbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De oplegging van de maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de conclusies van de psychiater en de psycholoog gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, in het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft verzocht de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen en daarbij te bepalen dat deze ten uitvoer zal worden gelegd in een forensisch psychiatrische kliniek.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een hulpverlener gestoken met een schaar. Verdachte heeft hiermee geprobeerd zijn hulpverlener te vermoorden. De rechtbank beschouwt dit als een zeer ernstig feit.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- het onder 5.2 genoemde Pro Justitia rapport van de GZ-psycholoog F.A.T. van Maarschalkerweerd;

- het onder 5.2 genoemde Pro Justitia rapport van de forensisch psychiater, drs. H.A. Gerritsen;

- het onder 5.2 genoemde rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum spreken van een hoog recidiverisico. Verdachte dient volgens de deskundigen in een als veilig ervaren, gestructureerde behandelingsomgeving te worden geplaatst met een gemiddeld beveiligingsniveau. Bij de behandeling zou de aandacht zich moeten richten op een hoog zorgniveau, voldoende continuïteit van de zorg, nadere stabilisatie en het instellen op medicatie en volledige abstinentie van in ieder geval harddrugs. De deskundigen concluderen dat eerdere behandelingen in een psychiatrisch ziekenhuis niet voldoende zijn gebleken om de gevolgen van de ziekte voldoende te behandelen. Vanwege de relatie tussen verdachtes onderliggende stoornissen en het tenlastegelegde, met daarnaast het hoge recidive- en escalatiegevaar, de te verwachten behandelduur en het feit dat verdachte zich zorgmijdend opstelt, adviseren de deskundigen verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen, waarbij de tenuitvoerlegging van de maatregel het beste in een forensisch psychiatrische kliniek kan plaatsvinden.

Gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het bewezen verklaarde misdrijf is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

De rechtbank adviseert daarbij de maatregel in een Forensisch Psychiatrische Kliniek ten uitvoer te leggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.421,11, waarvan € 421,11 ter zake van materiële schade en € 1.000,-- ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

8 Het beslag

8.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: poging tot moord;

- verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een schaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.421,11. waarvan € 421,11 ter zake van materiële schade en € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 juni 2012.