Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8100

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
16/655274-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de afgelopen nieuwjaarsnacht samen met anderen geweld gebruikt tegen de politie en de brandweer. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655274-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsman mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de afgelopen nieuwjaarsnacht samen met anderen geweld heeft gebruikt tegen de politie en de brandweer.

3 De voorvragen

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging, daar er in strijd met artikel 6 EVRM geen sprake is geweest van een eerlijk proces. De raadsman heeft in dit kader gewezen op het feit dat de politieagenten hun bevindingen hebben vastgelegd, zij bij hun eigen korps aangifte hebben gedaan, hetzelfde korps het dossier heeft samengesteld en dat zij zich in een aantal gevallen hebben gesteld als benadeelde. Volgens de raadsman is er in een dergelijk geval als het ware sprake van een slager die zijn eigen vlees keurt. Door deze handelwijze van de politie is verdachte de kans op een eerlijk proces ontnomen, aldus de raadsman.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie geenszins aan de orde. In het geval een verbalisant zelf verdachte is wordt de betreffende zaak overgedragen aan een ander korps dan wel de nationale recherche. In dit geval waren de verbalisanten zelf slachtoffer en in een dergelijk geval bestaat er geen enkele afspraak dan wel rechtsregel die voorschrijft dat de behandeling van de zaak overgedragen dient te worden aan een ander korps. De verbalisanten hebben in dit geval ambtsedige processen-verbaal van bevindingen opgesteld waarin zij ieder afzonderlijk hun bevindingen hebben beschreven. Voorts blijkt uit het dossier en de getuigenverhoren dat er ook gekeken is naar voor verdachte ontlastende verklaringen.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank stelt voorop dat slechts plaats is voor niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie indien door een vormverzuim opsporingsambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank overweegt hieromtrent dat geen rechtsregel geschonden is bij de wijze waarop het proces-verbaal is opgemaakt en tot stand gekomen. Voorts zijn er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden dat de zaak op een bepaalde manier is ingekleurd. De rechtbank acht geen vormvoorschrift geschonden en bovendien acht zij het recht op een eerlijk proces voor verdachte ook anderszins niet geschonden.

3.2 De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat zijns inziens de bevindingen van verbalisant [verbalisant C] als onbetrouwbaar dienen te worden beschouwd en daarom niet gebezigd mogen worden voor het bewijs. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de voor verdachte ontlastende verklaringen en dat uit de verklaringen geenszins is gebleken dat verdachte heeft deelgenomen aan het tegen de hulpverleners uitgeoefende geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

4.3.1.1 De bevindingen van verbalisanten [verbalisant A], [verbalisant B] en [verbalisant C]

Op 31 december 2011 stonden er twee olievaten opgesteld ter hoogte van de woning aan [adres] te De Bilt, zijnde de woning van de [familie verdachte en medeverdachte A].

Deze olievaten waren geplaatst om daarin vreugdevuren te ontsteken om daarmee oud en nieuw te vieren. De vreugdevuren in de olievaten werden omstreeks 12.00 uur die dag ontstoken en brandden de hele dag. Volgens de brandweercommandant was de brandweer omstreeks 22.16 uur ter plaatse gegaan en werden daar twee in brand staande olievaten met daaromheen wat houten planken geblust. Voorts werd toen volgens de brandweercommandant de afspraak gemaakt dat de vreugdevuren alleen gedoogd werden in de genoemde olievaten. Omstreeks 23.00 uur werd door de verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B] waargenomen dat er een enorme brand woedde op de parkeerplaatsen tegenover genoemde woning. Nadat door deze verbalisanten de brandweer was opgeroepen en de brand vervolgens door de brandweer werd geblust werd er ter plaatse gesproken met [betrokkene A], die volgens deze verbalisanten verkeerde onder invloed van alcoholische drank. Deze [betrokkene A] verklaarde dat [medeverdachte B] vuurwerk naar de brandweer had gegooid, maar dat hij [medeverdachte B] al had gestraft. [betrokkene A] deelde de verbalisanten mede dat hij er op toe zou zien dat het vuur enkel in de olievaten zou branden.

Iets later op de avond zijn de olievaten wederom in brand gestoken en stond ook materiaal rondom de vaten in brand. De vlammen van deze brandhaard waren volgens verbalisant [verbalisant C] ongeveer 3 meter hoog en de brand werd wederom door de brandweer geblust.

Op 1 januari 2012 omstreeks 00.00 uur werd op de genoemde locatie nogmaals een flink vuur aangetroffen, waarbij ook pallets, stoelen en ander huisraad op het vuur lagen. De vlammen waren ditmaal nog hoger dan bij de voorgaande keren. De groep bestond aldaar uit wederom ongeveer 25 personen. De sfeer was volgens verbalisant [verbalisant C] echter omgeslagen en was te omschrijven als grimmig. De inmiddels ook weer ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B] zagen dat de brandweer de brand weer aan het blussen was.

Verbalisant [verbalisant D] verklaart dat de groep uit was op een confrontatie en dat zij zag, dat onder meer door [verdachte] en [medeverdachte C] oliebollen, lege bierflesjes en zwaar vuurwerk in de richting van de politie en de brandweer werden gegooid.

Verbalisant Muller ziet [medeverdachte C] ook met lege bierflesjes, oliebollen en zwaar vuurwerk in de richting van de politie gooien.

Verbalisant [verbalisant B] zag ook dat de groep het brandweervoertuig en de politievoertuigen bekogelde. Door deze verbalisant werd gezien dat [medeverdachte C] meerdere malen in de richting van de politie en de brandweer voorwerpen gooide. Deze [medeverdachte C] begaf zich volgens laatstgenoemde verbalisant in de genoemde groep van 25 personen. In deze groep was hij samen met [medeverdachte A], [medeverdachte B] en [verdachte]. [medeverdachte A] liep daarbij uitdagend naar de politie.

Door verbalisant [verbalisant C] werd gezien dat door zowel [medeverdachte A] als [verdachte] meerdere malen met voorwerpen naar de politie en brandweer werd gegooid. Uit enkele door hen gegooide voorwerpen zag hij een flits komen gevolgd door een harde knal. Ook zag deze verbalisant [medeverdachte B] gooiende bewegingen maken en een vuurpijl gericht houden en afschieten op de politie en brandweer. Daarnaast zag hij dat [verdachte], [medeverdachte B] en [medeverdachte A] heel recalcitrant op hem af kwamen lopen en dat zij zich erg uitdagend gedroegen.

Verbalisant [verbalisant A] zag vervolgens dat de verbalisanten L. [verbalisant D], D. Muller en O. [verbalisant B] probeerden om [betrokkene A] aan te houden. Tijdens de aanhouding zag deze verbalisant dat voortdurend zwaar en illegaal vuurwerk in de richting van hem en de genoemde verbalisanten werd gegooid. Ook zag hij dat dergelijk vuurwerk in de richting van de met bluswerkzaamheden bezig zijnde brandweerlieden werd gegooid. Op dat moment werd de groep van ongeveer 25 personen op afstand gehouden door twee ter plaatse gekomen hondengeleiders. Vanuit de groep werd echter nog steeds vuurwerk gegooid in de richting van de verbalisanten en de brandweer. Door verbalisant [verbalisant A] werd gezien dat [medeverdachte A] probeerde om langs de hondengeleiders heen te lopen en dat Billy nadat hij werd weggeduwd door verbalisant [verbalisant C] op hem kwam aflopen, waarop hij door [verbalisant A] tegen zijn schouders werd geduwd. Om de brandweer af te schermen bleef verbalisant [verbalisant A] op zijn positie staan. Hij zag vervolgens dat er een stuk vuurwerk in zijn richting werd gegooid en dat dit vlakbij zijn gezicht tot ontploffing kwam, waarbij hij een harde knal hoorde en een felle flits zag. Hierop voelde hij een stekende pijn in zijn rechterbeen ter hoogte van zijn knie. In zijn oren hoorde hij een luide piep. Door een brandweerman werd hij vervolgens beetgepakt en samen zijn zij naar de dienstauto gelopen. Aldaar hoorde hij verbalisant [verbalisant B] roepen dat zij zich zouden terugtrekken. Nadat de verbalisant [verbalisant B] en [verbalisant A] zich teruggetrokken hadden voerden zij overleg met de andere verbalisanten en werd besloten om [medeverdachte A], [verdachte], [medeverdachte B] en [medeverdachte C] aan te houden.

Op de plaats waar eerder de brand had gewoed werden geen personen meer aangetroffen. De verdachten [medeverdachte C] en [verdachte] werden vervolgens gezien op de rotonde van de Looijdijk en de Hessenweg. Deze beide verdachten zijn evenals de verdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B], die werden gezien in een groep die zich bevond bij de rotonde Blauwkapelseweg en Hessenweg, aangehouden.

4.3.1.2 De verklaringen van de brandweerlieden

Brandweerman [brandweerman A] heeft op 1 januari 2012 verklaard dat de groep mensen behoorlijk agressief overkwam en dat de sfeer grimmig en gewelddadig te noemen was. Ook zag hij dat hij en zijn collega’s ([brandweerman B], [brandweerman C], [brandweerman D], [brandweerman E] en [brandweerman F]) bekogeld werden door zwaar vuurwerk. Aan hun brandwerende kleding, helmen en handschoenen was het te danken dat zwaar letsel kon worden voorkomen. Wel hadden diverse collega’s behoorlijk veel last van piepende oren, dit in verband met zware knallen. Op een gegeven moment werd er volgens deze brandweerman ook met andere voorwerpen gegooid. Zo zag hij onder andere dat er gericht met bierflessen werd gegooid. Hierop besloot de bevelvoerder, mede vanwege de veiligheid, om weg te gaan. [brandweerman A] kreeg nog glasscherven van een kapot springend bierflesje tegen zijn hand, hetgeen een hevige bloeding opleverde.

[brandweerman B], bevelvoerder van de brandweer, verklaart dat het zware vuurwerk dat vanuit de groep gegooid werd een ronde vorm had met vijf tot zeven centimeter doorsnee, zodat het leek op nitraatbommen. Hij relateert dat vanuit de groep ook bierflessen naar de brandweer werden gegooid en dat hij werd geraakt op zijn helm. Hij hoorde glasgerinkel op de grond en zag dat er een uit elkaar gespat bierflesje lag. Hij rook meteen een bierlucht en maakte daaruit op dat het een vol bierflesje was dat hem geraakt had. Hij voelde dat het pijn deed, alsof hij een klap in zijn nek kreeg.

4.3.2 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk het openlijk in vereniging plegen van geweld aan de openbare weg, Burgemeester van Heemstrakwartier te De Bilt. Volgens vaste rechtspraak is van “in vereniging” plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Ook is voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging niet nodig dat wordt vastgesteld wie welk geweld heeft gepleegd binnen het geheel.

De rechtbank stelt omtrent de bijdrage van verdachte aan het tegen de politie en brandweer uitgeoefende geweld vast dat verdachte zich bevond in een groep van waaruit meerdere malen zwaar vuurwerk, oliebollen en flessen werden gegooid. Uit de genoemde bevindingen van verbalisant [verbalisant C] blijkt dat verdachte meermalen voorwerpen gooide in de richting van politie en brandweer. Daarnaast gedroeg verdachte zich volgens deze verbalisant uitdagend en recalcitrant. De rechtbank acht verdachtes handelswijze van dien aard dat deze beschouwd kunnen worden als een voldoende significante bijdrage aan het uitgeoefende geweld tegen politie en brandweer en acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat in het dossier weliswaar ook verklaringen van getuigen aanwezig zijn die verdachte geen significante bijdrage aan het geweld hebben zien leveren, doch dat zij verdachte dit niet hebben zien doen maakt nog niet dat dit niet is gebeurd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te De Bilt met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, Burgemeester van Heemstrakwartier, in elk geval op of aan

een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- [verbalisant D] en/of [betrokkene E] en/of [verbalisant B] en/of [betrokkene F] en/of [verbalisant A] (allen ambtenaar van politie) en/of

- [brandweerman A] en/of [brandweerman B] en/of [brandweerman C] en/of [brandweerman D] en/of [brandweerman E] en/of [brandweerman F] (allen op dat moment

werkzaam bij de brandweer), welk geweld bestond uit het gooien van oliebollen

en/of (lege en/of volle) (bier)fles(sen) en/of brandend(e), althans ontstoken,

stuk(ken) (zwaar) vuurwerk en/of vuurpijl(en) en/of stenen en/of een of meer

andere (harde) voorwerpen op/tegen, althans in de richting, van die [verbalisant D] en/of die [betrokkene E] en/of die [verbalisant B] en/of die [verbalisant C] en/of

die [verbalisant A] en/of die [brandweerman A] en/of die [brandweerman B] en/of die [brandweerman C] en/of die [brandweerman D] en/of die [brandweerman E]en/of die [brandweerman F]

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden -kort gezegd-: reclasseringscontact en huisarrest rond de komende twee oud- en nieuwjaarsvieringen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich -zoals hiervoor al is weergegeven- op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft derhalve geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen politieambtenaren en brandweerlieden. Nadat tijdens het vieren van oud en nieuw een vreugdevuur was ontstoken ontstond er door deze brandhaard gevaar voor omliggende objecten. In plaats van de brandweer de brand te laten blussen hebben verdachte en zijn mededaders –veelal onder invloed van het gebruik van alcoholische drank- op gewelddadige wijze de confrontatie gezocht met de aanwezige politieambtenaren en brandweerlieden. Zo werd er veelvuldig met allerlei projectielen, waaronder zwaar vuurwerk en flesjes bier naar de hulpverleners gegooid. Meerdere hulpverleners hebben daardoor letsel opgelopen. De rechtbank vindt het onaanvaardbaar dat mensen die noodzakelijke diensten verlenen aan het publiek op een dergelijke wijze behandeld worden. Het is immers van groot belang dat deze mensen - zeker wanneer zij werkzaam zijn in publieke functies- vrijelijk hun werkzaamheden kunnen verrichten, zonder dat zij bedacht hoeven zijn op verbaal dan wel fysiek geweld. Bij de strafmaat zal de rechtbank hiermee rekening houden in die zin dat een zwaardere straf op zijn plaats is dan wanneer sprake zou zijn geweest van geweld jegens ‘gewone’ burgers.

Daarnaast roept openlijke geweldpleging bij passanten, en ook in de samenleving als geheel, gevoelens van onrust en onveiligheid op. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, nog enige tijd de lichamelijke en psychische gevolgen daarvan moeten dragen. Verdachte en zijn mededaders hebben hieraan bijgedragen. Dat het geweld buitensporig is geweest is ook gebleken uit de diverse verklaringen van de betreffende brandweerlieden. Enkele van deze personen zaten al tientallen jaren bij de brandweer, maar hebben zich in nooit eerder zo bedreigd gevoeld als in deze situatie.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 13 april 2012, waaruit blijkt dat verdachte op 16 december 2011 nog is veroordeeld voor een bedreiging en aan hem toen een deels voorwaardelijke werkstraf is opgelegd.

Omtrent verdachte is geen rapport door de reclassering opgemaakt. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte samen met zijn vriendin bij zijn moeder woont, dat hij geen werk heeft en dat hij leeft van een wajong-uitkering. Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij wel behoefte heeft aan reclasseringstoezicht. Volgens verdachte zou de reclassering hem kunnen helpen bij het verkrijgen van werk en een zelfstandige woning. Verdachte heeft ook verklaard dat hij begrijpt dat hij de reclassering inzicht moet geven in zijn handel en wandel en dat hij zich moet houden aan de door hen gegeven aanwijzingen.

De rechtbank overweegt dat zij - anders dan de officier van justitie - het niet opportuun acht aan verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal echter wel de maximale werkstraf voor de duur van 240 uren opleggen. De tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis zal rechtbank in mindering brengen op deze laatstgenoemde straf naar rato van 2 uur per dag. De rechtbank zal daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 maanden. De rechtbank hoopt met deze voorwaardelijke gevangenisstraf verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst nogmaals strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel het gevorderde (en in het dictum uitgeschreven) huisarrest bij wege van bijzondere voorwaarde koppelen, alsmede verplicht reclasseringscontact aan hem opleggen. De rechtbank zal dit huisarrest echter beperken tot één oud en nieuwviering. De rechtbank acht -anders dan de officier van justitie- geen termen aanwezig om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen. De rechtbank heeft er hierbij rekening mee gehouden dat het bewezenverklaarde feit dateert van voor 1 april 2012 en de wettelijke mogelijkheid van dadelijke uitvoerbaarheid toen nog niet van kracht was. Deze wetswijziging is niet een voor verdachte gunstiger bepaling dan de oude regeling.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 29 mei 2012, gelet op gestelde in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering, de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

7 De benadeelde partijen

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in totaal zeven ingediende vorderingen integraal (hoofdelijk) toe te wijzen. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd ten aanzien van de toegewezen vorderingen telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft met betrekking tot de vorderingen geen inhoudelijk verweer gevoerd daar hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Gelet hierop dienen de vorderingen niet ontvankelijk verklaard te worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen [brandweerman A] (€ 500,-), [brandweerman B] (€ 1.650), [brandweerman C] (€ 1.650,-), [brandweerman D] (€ 400,-), [brandweerman E] (€ 400,-), [brandweerman F] (€ 400,-), [verbalisant A] (€ 500,-) hebben een vordering ingediend in verband met door hun geleden immateriële schade. Uit de door hen gegeven toelichting blijkt dat de schade onder meer bestaat uit gehoorschade (bij [brandweerman C] en [brandweerman b]), een flink litteken (bij [verbalisant A]) en ondervonden angst, pijn en verontwaardiging.

De rechtbank is van oordeel dat de door de zeven afzonderlijke benadeelde partijen gevorderde schade telkens een rechtstreeks gevolg is van het hiervoor bewezenverklaarde en acht de verdachte aansprakelijk voor die betreffende schade. De hiervoor genoemde en gevorderde bedragen zijn voldoende aannemelijk gemaakt zodat deze (hoofdelijk) zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen, met dien verstande dat de rechtbank zal volstaan met telkens oplegging van de schademaatregel ten hoogte van een vierde deel van het toegewezen bedrag. De rechtbank beoogt hiermee dat verdachte en zijn mededaders ieder een gelijk deel voor hun rekening nemen en zij ieder verantwoordelijk worden gesteld voor een gelijk deel als het tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis zou komen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte verplicht is van 31 december 2012 vanaf 12:00 uur tot 1 januari 2013 om 9:00 binnen te blijven, met opgave van zijn verblijfadres en telefoonnummer voor deze periode aan de politie op uiterlijk 30 december 2012.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij [brandweerman A]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman A] van € 500,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman A], € 125,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [brandweerman B]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman B] van 1.650,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman B], € 412,50,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [brandweerman C]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman C] van 1.650,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman C], € 412,50,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [brandweerman D]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman D] van € 400,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman D], € 100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [brandweerman E]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman E] van € 400,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman E], € 100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [brandweerman F]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [brandweerman F] van € 400,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [brandweerman F], € 100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [verbalisant A]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant A] van € 500,-, geheel ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant A], € 125,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juni 2012.