Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8047

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
SBR 10-1708 en SBR 10-1709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwwerken werden ten tijde van de verleende bouwvergunningen gebruikt ten behoeve van praktijkruimte natuurgeneeskunde/cursusruimte. Deze functie is in strijd met het bestemmingsplan, zodat verweerder de bouwvergunningen, gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Ww, dan ook niet heeft kunnen verlenen. Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Ww had verweerder de aanvragen om bouwvergunning mede moeten aanmerken als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO. Verweerder heeft dit evenwel nagelaten. Verweerder heeft weliswaar gebruik gemaakt van haar vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder e, van het BRO 1985, doch deze bevoegdheid kan door verweerder, zoals de ABRS eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, LJN: BL1793), niet worden aangewend voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik dat slechts mogelijk is geworden door bouwvergunningplichtige bouwwerkzaamheden. Nu de bouwplannen, zoals hiervoor is overwogen, zien op met het bestemmingsplan strijdig (beoogd) gebruik ten behoeve waarvan bouwvergunningplichtige bouwwerkzaamheden noodzakelijk zijn, kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder in dit geval niet bevoegd was krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Het beroep is gegrond. Ten aanzien van het verzoek tot handhaving overweegt de rechtbank dat, nu de verleende bouwvergunningen en vrijstelling niet in stand kunnen blijven, vast staat dat de gerealiseerde bouwwerken zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning. Verweerder is dan ook bevoegd en in beginsel gehouden daartegen handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/1708 en SBR 10/1709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Bogaers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes, verweerder

(gemachtigde: mw. mr. I.M. van Gompel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: vergunninghoudster [vergunninghoudster], wonende te [woonplaats], gemachtigde: mr. J.M. Neefe.

Procesverloop

SBR 10/1708

Bij besluit van 10 februari 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet (Ww) verleend voor het vernieuwen van het dak van de zogenaamde lange schuur en het doorbreken van een muur tussen de woonkamer en de keuken in de woning op het perceel [adres] te [woonplaats] (verder: het perceel). Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 januari 2010, verzonden op 15 april 2010, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster een lichte bouwvergunning op grond van artikel 40 van de Ww verleend voor het vernieuwen van de gevels van bijgebouwen op het perceel. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 januari 2010, verzonden op 15 april 2010, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 april 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het gebruik van het perceel als praktijkruimte voor Natuurgeneeskunde. Bij besluit van 19 januari 2010, verzonden 15 april 2010, heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het besluit van 19 januari 2010 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij besluit van 9 maart 2010, verzonden op 15 april 2010, heeft verweerders het door eisers ingediende verzoek tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase afgewezen.

SBR 10/1709

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden tegen de zonder vergunning opgerichte bouwwerken op het perceel alsmede tegen het gebruik van die bouwwerken als praktijkruimte voor Natuurgeneeskunde. Verweerder heeft daartoe overwogen dat concreet zicht op legalisatie bestaat, zodat afgezien wordt van handhavend optreden. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 februari 2010, verzonden op 15 april 2010, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen. Eisers hebben hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011. Het onderzoek is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil te beslechten met behulp van mediation. De rechtbank heeft van de mediator bericht ontvangen dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Vervolgens is op 14 maart 2012 het onderzoek ter zitting voortgezet. Eisers zijn wederom in persoon verschenen, opnieuw bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich weer laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten wederom vertegenwoordigen door haar echtgenoot [echtgenoot vergunninghoudster], bijgestaan door mr. Neefe.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt ten aanzien van de bestreden besluiten de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2. Bij brief van 15 mei 2008 heeft verweerder vergunninghoudster meegedeeld dat geconstateerd is dat in een bijgebouw op het perceel de praktijk [praktijk] is gevestigd. Aangezien ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan] (1e wijziging)” op het perceel de bestemming “woondoeleinden” rust, is het gebruik als natuurgeneeskundepraktijk van een bijgebouw dat zonder bouwvergunning is gebouwd, strijdig met het bestemmingsplan. Verweerder heeft daarbij vermeld dat het gebruik en het verbouwen van het bijgebouw mogelijk kunnen worden gelegaliseerd door middel van een vrijstellingsprocedure. Voorts heeft verweerder vergunninghoudster verzocht aan te geven wat het gebruik van de overige gebouwen op het perceel is dan wel wat haar plannen daarmee zijn.

3. Vergunninghoudster heeft bij brief van 4 juni 2008 op het schrijven van verweerder gereageerd. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om vrijstelling tot het wijzigen van het gebruik van het perceel ten behoeve van de praktijkruimte [praktijk]. Bij brief van 22 juni 2008 heeft vergunninghoudster op verzoek van verweerder nadere informatie verstrekt over het gebruik van het perceel. Vergunninghoudster heeft naar aanleiding daarvan vermeld dat er op het perceel in de toekomst gewoond gaat worden en dat de andere bijgebouwen gebruikt gaan worden als cursusruimte en opslag. Vergunninghoudster heeft voorts vermeld dat er twee praktijkruimtes zijn en één ruimte waar maximaal drie huurders afwisselend gebruik van kunnen maken. De openingstijden zijn, zo heeft vergunninghoudster in deze brief vermeld, van 9.00 uur tot 17.30 uur en op maandag- en woensdagavond tot 22.00 uur.

4. Bij brief van 11 september 2008 heeft verweerder aan vergunninghoudster meegedeeld voornemens te zijn om medewerking te verlenen aan de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO. Aan de vrijstellingsprocedure heeft verweerder de voorwaarden verbonden dat er tenminste 14 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd, dat de openingstijden op werkdagen beperkt blijven van 9.00 uur tot 22.00 uur en dat de oorspronkelijke woning tot eengezinswoning moet worden verbouwd en dat die woonfunctie behouden blijft. In verband daarmee heeft verweerder vergunninghoudster er op gewezen dat zij voor zowel de woning als het bijgebouw een bouwaanvraag moet indienen teneinde de illegale bouw te legaliseren.

5. Naar aanleiding hiervan heeft vergunninghoudster op 19 november 2008 een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het geheel vernieuwen van het dak van de schuur en voor het doorbreken van een muur tussen woonkamer en keuken op het perceel. Vergunninghoudster heeft in de aanvraag om bouwvergunning vermeld dat het gebruik van het bouwwerk na uitvoering van de werkzaamheden ‘opslag en cursusruimte’ zal zijn.

Deze aanvraag heeft er toe geleid dat verweerder bij besluit van 10 februari 2009 aan vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning heeft verleend voor het geheel vernieuwen van het dak van de schuur en de doorbraak in de woonkamer/keuken van de woning op het perceel.

Vergunninghoudster heeft vervolgens op 27 januari 2009 een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het geheel vernieuwen van de zijgevel van de schuur en de stal op het perceel. In de aanvraag heeft vergunninghoudster ook voor dit bouwwerk als gebruik na uitvoering van de werkzaamheden ‘opslag en cursusruimte’ vermeld.

Deze aanvraag heeft er toe geleid dat verweerder bij besluit van 24 februari 2009 aan vergunninghoudster een lichte bouwvergunning heeft verleend voor het vernieuwen van de gevels van de bijgebouwen op het perceel.

Het door eisers tegen de besluiten van 10 februari 2009 en 24 februari 2009 ingediende bezwaarschrift, heeft verweerder bij besluit van 19 januari 2010 (verzonden 15 april 2010) ongegrond verklaard.

6. Via een publicatie in de plaatselijke courant van 26 februari 2009 heeft verweerder bekendgemaakt voornemens te zijn om medewerking te verlenen aan de vrijstellingsprocedure voor het gebruik van het perceel als praktijkruimte natuurgeneeskunde. Nadat het ontwerpbesluit met ingang van 27 februari 2009 gedurende zes weken voor een ieder ter visie heeft gelegen en verweerder heeft geconstateerd dat binnen die termijn geen schriftelijke dan wel mondelinge zienswijzen zijn kenbaar gemaakt, heeft verweerder bij besluit van 28 april 2009 aan vergunninghoudster met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO 1985) vrijstelling verleend voor wijziging van het gebruik van het perceel ten behoeve van de praktijk voor natuurgeneeskunde. Het door eisers daartegen ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit van 19 januari 2010 (verzonden 15 april 2010) ongegrond verklaard.

7. In beroep hebben eisers als meest verstrekkende grond aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de aanvragen om bouwvergunning heeft verzuimd om het beoogde gebruik van de bouwwerken bij de toetsing te betrekken. Verweerder heeft om die reden naar de mening van eisers ten onrechte de gevraagde bouwvergunningen verleend en gebruik gemaakt van de in artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder e, van het BRO 1985 neergelegde bevoegdheid om het gebruik van de bouwwerken als praktijkruimte voor natuurgeneeskunde te legaliseren. Dit betoog slaagt waartoe de rechtbank als volgt overweegt.

8. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Daarvoor was per 1 juli 2008 de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Op grond van het bij deze wetten behorende toepasselijke overgangsrecht en gelet op de datum van de aanvraag is op de voorbereiding en vaststelling van de beslissing op die aanvraag de WRO van toepassing.

Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Deze uitvoeringsregeling is gegeven in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985).

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een brutovloeroppervlak van 1500 m2.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Ww is voor het realiseren van onderhavig bouwplan een bouwvergunning vereist. In artikel 44, eerste lid, van de Ww staan de gevallen genoemd waarin een bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit is onder meer, voor zover hier relevant, het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Doen zich geen van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden voor, dan moet de bouwvergunning worden verleend. Een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO wordt ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

SBR 10/1708

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Zoals de ABRS voorts eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 18 januari 2012, LJN: BV1218), dient bij de beoordeling of sprake is van met de planvoorschriften strijdig beoogd gebruik, wanneer er sprake is van de beslissing op een aanvraag omtrent een bouwvergunning voor een reeds voltooid bouwwerk, acht te worden geslagen op hetgeen omtrent het gebruik van het reeds gebouwde bekend is of kan zijn.

10. Ingevolge het geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan] (1e wijziging)” rust op het perceel, voor zover hier van belang, de bestemming ‘woondoeleinden, eengezinshuizen A’. Ingevolge artikel 3, eerste lid, zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen, nader aangeduid met A, B en C, met de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen, andere bouwwerken, tuinen, erven, paden en parkeerplaatsen.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder 2e, van de planvoorschriften mogen overeenkomstig het bepaalde in lid 1 bij de eengezinshuizen bijgebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat bij elk eengezinshuis A bijgebouwen mogen worden gebouwd, waarbij de totale oppervlakte van de bijgebouwen niet meer dan 60 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden, onverminderd het bepaalde in artikel 22, lid 2, van deze voorschriften, de gronden binnen het plangebied te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de op de kaart aangegeven bestemmingen en deze voorschriften.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, is het verboden, onverminderd het bepaalde in artikel 22, lid 2, van deze voorschriften, de gebouwen, die worden of reeds zijn gebouwd op plaatsen waar dit krachtens het plan is toegestaan, te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de op de kaart aangegeven bestemmingen en deze voorschriften.

Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in lid 4 in elk geval verstaan het gebruik van bijgebouwen voor bewoning, praktijk- en kantoorruimte en bedrijfsactiviteiten, tenzij dit gebruik volgens de voorschriften is toegestaan.

Ingevolge artikel 17, achtste lid, onder c, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 4, met dien verstande dat in alle eengezinshuizen A en B, als bedoeld in artikel 3, een gebruik van maximaal 40 m² oppervlakte voor kindercrèches en voor een bedrijf uit categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten(…) is toegestaan, mits het gebouw in overwegende mate zijn woonfunctie blijft behouden en er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

11. In dit geval is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat ten tijde van de verleende bouwvergunningen de bouwwerken werden gebruikt ten behoeve van praktijkruimte natuurgeneeskunde/cursusruimte dan wel werd beoogd om daarvoor te worden gebruikt. Deze functie is in strijd met het bestemmingsplan, zodat verweerder de bouwvergunningen, gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Ww, dan ook niet heeft kunnen verlenen.

12. Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Ww had verweerder de aanvragen om bouwvergunning dan ook mede moeten aanmerken als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO. Verweerder heeft dit evenwel nagelaten.

Verweerder heeft weliswaar gebruik gemaakt van haar vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder e, van het BRO 1985, doch deze bevoegdheid kan door verweerder, zoals de ABRS eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, LJN: BL1793), niet worden aangewend voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik dat slechts mogelijk is geworden door bouwvergunningplichtige bouwwerkzaamheden. Nu de bouwplannen, zoals hiervoor is overwogen, zien op met het bestemmingsplan strijdig (beoogd) gebruik ten behoeve waarvan bouwvergunningplichtige bouwwerkzaamheden noodzakelijk zijn, kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder in dit geval niet bevoegd was krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit van 19 januari 2010 (verzonden: 15 april 2010) te worden vernietigd wegens strijd met artikel 44 van de Ww en artikel 19, derde lid van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder e,van het BRO 1985. Omdat de primaire besluiten om dezelfde redenen niet in stand kunnen blijven en de gebreken die eraan kleven zich niet in een hernieuwde heroverweging in bezwaar laten herstellen, ziet de rechtbank aanleiding om die besluiten te herroepen. Verweerder zal opnieuw op de aanvragen van vergunninghoudster dienen te beslissen.

SBR 10/1709

14. Ten aanzien van het verzoek tot handhaving overweegt de rechtbank dat, nu de verleende bouwvergunningen en vrijstelling niet in stand kunnen blijven, vast staat dat de gerealiseerde bouwwerken zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning. Verweerder is dan ook bevoegd en in beginsel gehouden daartegen handhavend op te treden.

Nu de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO en de bouwvergunningen niet in stand blijven, moet worden geoordeeld dat er thans geen concreet zicht meer is op legalisatie. Het voorgaande leidt er toe dat ook het besluit van verweerder van 2 februari 2010 (verzonden 15 april 2010) niet in stand kan blijven, zodat ook dit beroep van eisers gegrond verklaard dient te worden. Hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit van 5 maart 2009. De rechtbank zal ook dit besluit herroepen, zodat verweerder opnieuw op het handhavingsverzoek van eisers zal moeten beslissen.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De beroepszaken worden in dit verband aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat zij voor de bepaling van de vergoeding worden aangemerkt als één zaak. De rechtbank begroot de proceskosten van eisers met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.299,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank, 0,5 punt voor de nadere zitting van de rechtbank, waarde per punt € 437,-; 2 x 1 punt voor verschijnen op de hoorzittingen van 28 mei 2009 en 26 oktober 2009, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers zelf de beroepschriften hebben ingediend, alsmede de onderscheidenlijke bezwaarschriften, zodat te dien aanzien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor verleende rechtsbijstand. Voorts moet een bedrag van € 412,36 worden vergoed als verletkosten vanwege het bijwonen van eisers van de zittingen van de rechtbank. Nu verweerder bij besluit van 9 maart 2010, verzonden op 15 april 2010, het door eisers ingediende verzoek tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase ten onrechte heeft afgewezen, dient ook dit besluit van verweerder te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb.

Griffierecht

16. Tevens dient verweerder op de voet van artikel 8:74, eerste lid van de Awb, het door eisers betaalde griffierecht van € 150,- in de zaak met nummer 10/1708 en € 150,- in de zaak met nummer 10/1709 te vergoeden.

Beslissing

- verklaart de beroepen gegrond,

- vernietigt de bestreden besluiten van 19 januari 2010, 2 februari 2010 en 9 maart 2010,

- herroept de besluiten van 10 februari 2009, 24 februari 2009, 28 april 2009 en 5 maart 2009,

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,-

(2 x € 150,-) aan hen dient te vergoeden,

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.711,86.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.

De griffier, De rechter,

mr. L.M. Janssens-Kleijn mr. J.M. Willems

(de griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.