Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8040

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
16-512579-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan een brute ramkraak op een supermarkt. Vlak voor deze ramkraak heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan de diefstal van de auto, waarmee de ramkraak is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/512579-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1995] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een supermarkt door met een auto de pui van die winkel te rammen;

Feit 2: primair zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak van een personenauto, dan wel subsidiair zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van deze auto.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat zijn medeverdachten de auto de supermarkt in zouden gaan rijden ongeloofwaardig acht. Verdachte is, samen met de medeverdachten, met twee auto’s naar de plaats van de ramkraak gereden. Als verdachte en zijn medeverdachten niet van plan waren geweest om een ramkraak te gaan plegen, had medeverdachte [medeverdachte 1] zijn eigen auto niet mee hoeven nemen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zijn auto kennelijk meegenomen om zijn medeverdachten een vluchtmogelijkheid te verschaffen nadat de auto waarin zij naar de plaats delict waren gekomen kapot was gereden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie betoogd dat de primair ten laste gelegde diefstal met braak bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de aangever zijn auto op 20 november 2011 om 21.00 uur voor het laatst heeft gezien. Een buurman van aangever heeft in de nacht van 21 november 2011 rond 3.00 uur een auto hard weg horen rijden. Daarop kan gebaseerd worden dat de auto van aangever op dat tijdstip is weggenomen. Gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal van de auto en de ramkraak, die rond 3.15 uur is gepleegd, en de afstand van 15,2 kilometer die in die tijd kan zijn afgelegd, moeten verdachte en zijn medeverdachten de diefstal van de auto wel hebben gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte en de medeverdachten van plan waren naar de supermarkt te gaan om daar een kluis weg te halen. Hierbij zou de deur worden opengebroken met een schroevendraaier. Toen dat niet lukte heeft een medeverdachte met de auto, waar ook verdachte in zat, de pui van de winkel geramd. Verdachte was niet op de hoogte van dit plan en had geen mogelijkheid om zich hiervan te distantiëren. Gelet op deze gang van zaken is er naar het oordeel van de raadsman geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot een poging ramkraak. Er dient een partiële vrijspraak te volgen van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het met een auto rammen van de pui van de winkel.

Omdat in de tenlastelegging de feitelijke omschrijving van het handelen zelf ontbreekt, namelijk het met een schroevendraaier proberen open te breken van de deur van de supermarkt, dient verdachte eveneens van het overige onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Verdachte dient voorts van het onder 2 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de auto heeft gestolen. Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde heling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vastgestelde feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn op 21 november 2011 in de nacht naar supermarkt Attent, gevestigd aan de J. Schaapmanstraat in Oudleusen, gemeente Dalfsen, gegaan. Door de eigenaar van deze supermarkt en meerdere getuigen is omstreeks 3.15 uur een harde knal gehoord. Een Ford Escort met kenteken [kenteken] bleek met de achterzijde in de supermarkt gereden te zijn. De pui van de winkel was daardoor geheel ontzet.

Op korte afstand van de supermarkt stond in de Schoolstraat een donkerkleurige personenauto. Een aantal meters van die auto vandaan, op de hoek van de J. Schaapmanstraat met de Schoolstraat, stond een licht getinte man van 25 tot 30 jaar met donker haar, die de indruk wekte dat hij aan het bellen was. Vanuit de richting van de supermarkt renden twee mannen, zijnde [medeverdachte 2] en [verdachte], naar deze auto toe. De man die stond te bellen stapte samen met deze twee mannen in de auto en reed hard weg.

De politie zag kort hierna op de Hessenweg in de richting van Zwolle een donkere personenauto rijden met drie personen erin. Deze mannen bleken verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te zijn. Het voertuig werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte zat op de achterbank. Het voertuig was van medeverdachte [medeverdachte 1] en is onderzocht. Daarbij werd in het dashboardkastje een enveloppe aangetroffen met daarop geschreven het adres [adres] Oudleusen en Dalfsen/Ommen/Harderberg, waarbij Dalfsen was omcirkeld.

Langs de Hessenweg zijn diverse goederen aangetroffen. Bij deze spullen lag ook het kenteken van een personenauto, Ford Escort, voorzien van kenteken [kenteken].

Op 21 november 2011 is aangifte gedaan van diefstal van voornoemde Ford Escort door [benadeelde]. Op 20 november 2011 om 21.00 uur stond de auto nog geparkeerd in de nabijheid van de woning van aangever. Op 21 november 2011 zag hij de auto niet meer staan op de plaats waar hij hem had geparkeerd. [benadeelde] heeft de goederen die langs de Hessenweg zijn gevonden, herkend als zijn eigendommen. Daarnaast heeft hij bij de politie aangegeven dat er in zijn auto een doppenset en een oranje/zwarte accubooster met verfspatten lagen. Deze goederen zijn door de politie aangetroffen in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1].

Het bestuurdersportier van de Ford Escort was flink ingedeukt en kon niet meer worden geopend. Het portierslot aan de passagierszijde was vernield. In de zitting van de passagiersstoel lag een zwartkleurige schroevendraaier. Door [benadeelde] werd de schroevendraaier niet herkend.

Deze schroevendraaier werd veiliggesteld en naar het Nederlands Forensisch Instituut gestuurd voor forensisch onderzoek. Van het DNA in de bemonstering van het heft van de schroevendraaier is een onvolledig, complex DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-kenmerken van minimaal twee personen, waarvan ten minste één man. Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] matcht met dit onvolledige, complexe DNA-mengprofiel. Dit betekent dat een deel van het celmateriaal in de bemonstering van het heft van de schroevendraaier afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte]. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

4.3.2 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Beoordeling verweer alternatief scenario verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn medeverdachten van plan waren om een inbraak bij de supermarkt te Oudleusen te plegen. Verdachte heeft verklaard dat hen was verteld dat er een kluis stond in die supermarkt en dat ze die zouden gaan halen. Hij zou niet hebben geweten dat zijn medeverdachten een ramkraak wilden gaan plegen. Ter plaatse werd getracht door een medeverdachte (de rechtbank begrijpt medeverdachte [medeverdachte 2]) de deur van de supermarkt open te breken. Toen het de medeverdachte niet lukte om met de schroevendraaier de deur van de supermarkt te openen, zou deze medeverdachte hebben besloten met de auto, waarin verdachte op de achterbank zat, de pui van de winkel te rammen.

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat zijn medeverdachten een ramkraak zouden gaan plegen niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en zelfs wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2]. Indien van deze lezing van de feiten zou worden uitgegaan, kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van de poging tot diefstal met braak.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank acht de lezing zoals die ter terechtzitting door verdachte is gegeven niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] met zijn eigen auto naar de supermarkt is gereden terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] met de Ford Escort gingen. Dit duidt op een tevoren beraamd plan om met de Ford Escort een ramkraak te plegen, waarna verdachte en de medeverdachten een tweede auto nodig zouden hebben om te kunnen vluchten.

Verdachte heeft gezegd dat de auto van [medeverdachte 1] mee was gegaan, zodat zij na een stukje rijden de kluis uit de Ford Escort konden overhevelen naar de auto van medeverdachte [medeverdachte 1]. De reden hiervoor was dat zij bang waren dat zij op grond van een herkenning van de bij de inbraak gebruikte auto zouden worden opgepakt. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu medeverdachte [medeverdachte 1] zijn eigen auto op korte afstand van de supermarkt heeft geparkeerd en deze duidelijk zichtbaar was voor getuigen.

In de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn ook goederen aangetroffen die aan de eigenaar van de Ford Escort toebehoren. Op een parkeerplaats zijn voorts kentekenplaten van de Ford Escort aangetroffen en andere goederen die toebehoren aan de eigenaar van deze auto. Dat verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand aan de inbraak goederen uit de Escort in het voertuig van medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gelegd, duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat zij wisten dat de Ford Escort na de ramkraak niet meer bruikbaar zou zijn.

De rechtbank stelt de lezing van verdachte op grond van het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde. Bovendien is verdachte pas ter terechtzitting met deze lezing van de gebeurtenissen gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen onder 4.3.1 is opgenomen, in onderling verband en samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten naar de supermarkt in Oudleusen zijn gegaan om daar een ramkraak te plegen.

Tezamen en in vereniging?

Met betrekking tot de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van de poging tot diefstal met braak overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten van plan waren om bij de supermarkt een ramkraak te gaan plegen. Voorafgaand aan dit delict was door één van de medeverdachten een adres in de nabijheid van de supermarkt en een routebeschrijving daar naartoe genoteerd. Ter plaatse is met de Ford Escort waarin medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte zaten de pui van de supermarkt geramd. Medeverdachte [medeverdachte 1] stond op de hoek van de straat waarin de supermarkt is gevestigd in de buurt van zijn auto te wachten. Toen de ramkraak mislukte omdat veel getuigen op het nachtelijk lawaai waren afgekomen, renden [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de auto van medeverdachte [medeverdachte 1], stapten in en [medeverdachte 1] reed toen hard weg. Uit deze gang van zaken blijkt dat er sprake was van een vooraf beraamd plan om een ramkraak te plegen, waarbij verdachte de rol had van het wegnemen van de kluis uit de supermarkt. Verdachte had derhalve een actieve rol in het geheel en naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met braak door een auto in de pui van de winkel te rammen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde het volgende. Vast staat dat verdachte en zijn medeverdachten op 21 november 2011 omstreeks 3.15 uur een gestolen auto hebben gebruikt voor het plegen van een ramkraak. Ook staat vast dat, ondanks dat het exacte tijdstip van de diefstal van de auto in Zwolle niet kan worden vastgesteld, de ramkraak binnen een redelijk korte termijn na de diefstal van deze auto heeft plaatsgevonden.

Op de vraag aan verdachte hoe zij aan deze gestolen auto zijn gekomen, verklaart verdachte in eerste instantie dat zij deze auto in Zwolle hebben gekregen van een vierde persoon. Verdachte wil de naam van deze persoon niet noemen. Even later verklaart verdachte dat hij en zijn medeverdachten deze gestolen auto toch al in Utrecht hebben gekregen.

Uit het dossier is niets komen vast te staan over een mogelijke vierde persoon. Daarnaast komt verdachte pas met deze verklaring ter terechtzitting en heeft hij bij de politie niet over deze persoon gesproken. Ook de medeverdachten hebben (in eerste instantie) niet over een vierde persoon gesproken.

Vast staat voorts tevens dat op een schroevendraaier, gevonden in de gestolen auto, het DNA is aangetroffen van verdachte. Verdachte kan hiervoor geen verklaring geven. Met de schroevendraaier is kennelijk het portierslot aan de passagierszijde geopend en de auto gestart.

De verklaring van verdachte, over de vierde persoon van wie zij de gestolen auto zouden hebben gekregen, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu verdachte telkenmale zijn verklaring hieromtrent wijzigt en geen uitleg geeft. Er is dan ook geen sprake van een begin van aannemelijkheid van deze verklaring van verdachte.

Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte in zijn eentje deze auto zou hebben gestolen. Gelet op het zeer korte tijdsbestek tussen de diefstal van de auto, het moment van de ramkraak en het tijdstip waarop verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aangehouden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van de diefstal van de auto in het gezelschap van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] was.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een auto door middel van braak en verbreking, in vereniging met een ander of anderen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 21 november 2011 te Oudleusen, gemeente Dalfsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelbedrijf (supermarkt Attent) weg te nemen geldbedragen en/of goederen van hun gading, toebehorende aan winkelbedrijf Attent Supermarkt (vestiging J. Schaapmanstraat), en zich daarbij de toegang tot dat winkelbedrijf te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders met een auto achterwaarts rijdende de pui van die winkel geramd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

hij in de periode van 20 november 2011 tot en met 21 november 2011 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een personenauto, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich het weg te nemen goed onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een of meer

sloten van die auto en verbreking van het contactslot van die auto.

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich, in het kader van de maatregel Hulp en Steun, dient te houden aan de aanwijzingen van de William Schrikker Jeugdbescherming, waarvan zes maanden ITB-Plus. Tevens heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen dan hij tot nu toe in voorarrest heeft gezeten. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de gevorderde werkstraf niet meer passend is, gelet op het stringente en intensieve traject dat verdachte dient te volgen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich midden in de nacht samen met anderen schuldig gemaakt aan een brute ramkraak op een supermarkt ver van zijn woonplaats. Verdachte heeft zich kort voor deze ramkraak schuldig gemaakt aan de diefstal van de auto waarmee de ramkraak zou worden gepleegd. Zijn rol is zeker niet kleiner dan die van zijn volwassen mededaders. Hij was immers gezeten in de auto op het moment waarop de pui van de winkel werd geramd en zijn DNA is aangetroffen op de schroevendraaier waarmee de ramauto gestolen is. Verdachte heeft geen respect getoond voor andermans eigendom en zijn handelwijze lijkt enkel ingegeven door eigenbelang. Door deze feiten is grote schrik en aanzienlijke financiële schade veroorzaakt. Het mag als bekend worden verondersteld dat het plegen van degelijke feiten sterke gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de samenleving in het algemeen en bij de direct betrokkenen (slachtoffers en omwonenden) in het bijzonder. Tot slot geldt ook voor de eigenaar van de gestolen auto dat hij door het vernielen van zijn auto is gedupeerd.

Verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2012 eerder wegens strafbare feiten met politie en justitie in aanraking gekomen en tot straffen veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het schrijven van de William Schrikker Jeugdbescherming d.d. 15 december 2011. Bij dit schrijven zijn opgenomen een contract Individuele Traject Begeleiding, een begeleidingscontract en een plan van aanpak.

De voorlopige hechtenis van verdachte is, mede naar aanleiding van dit schrijven van de William Schrikker Jeugdbescherming, geschorst met ingang van 6 januari 2012, onder de voorwaarden dat verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun houdt aan de aanwijzingen van de William Schrikker Jeugdbescherming, waarin is besloten de maatregel ITB-Plus voor een periode van 6 maanden.

De heer Epskamp, medewerker van de William Schrikker Jeugdbescherming, heeft ter terechtzitting toegelicht hoe het na 6 januari 2012 is gegaan met verdachte. Hij heeft aangegeven dat hij tevreden is over de begeleiding van verdachte in de afgelopen periode. Er zijn wat startproblemen geweest, maar inmiddels verlopen de samenwerking en begeleiding, van beide kanten, naar volle tevredenheid. Met name gaat het op school goed met verdachte.

De ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten rechtvaardigt op zichzelf een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 8 maanden. Gelet echter op de positief verlopen begeleiding in de afgelopen 2 maanden zal de rechtbank niet overgaan tot oplegging van een dergelijke straf. De rechtbank acht alles afwegende een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen passend en geboden.

Een gedeelte van deze straf, te weten 74 dagen, zal de rechtbank in voorwaardelijke vorm opleggen. Enerzijds om ervoor te zorgen dat verdachte ervan weerhouden zal worden om opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds om begeleiding door de William Schrikker Jeugdbescherming mogelijk te maken.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten zal de rechtbank aan verdachte eveneens een werkstraf opleggen voor de duur van 200 uren. De rechtbank komt hiermee uit op een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank doet de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde strafbare feiten.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 950,00.

Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat benadeelde als gevolg van de door verdachte gepleegde ramkraak in Oudleusen schade aan zijn auto heeft geleden. Wat betreft de hoogte van de schade biedt de vordering weinig concrete aanknopingspunten, nu deze niet met stukken is onderbouwd. In redelijkheid stelt de rechtbank daarom het schadebedrag vast, te weten op € 500,00. De rechtbank zal de vordering, met de gevorderde wettelijke rente, tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal dit bedrag hoofdelijk toewijzen, nu verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en derhalve niet toewijsbaar. Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (een van) de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd, in het kader van de maatregel Hulp en Steun, moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens William Schrikker Jeugdbescherming;

* dat verdachte gedurende zes maanden van de proeftijd ITB-Plus zal volgen;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 500,00, ter zake van materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter en tevens kinderrechter,

mrs. D.A.C. Koster en M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 maart 2012.