Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7961

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
313086 - HA ZA 11-1675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen dominee en kerk. Bij de beoordeling van uitspraken in twee tuchtrechtelijke klachtprocedures past de rechtbank artikel 7:904 lid 1 BW analoog toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 313086 / HA ZA 11-1675

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat dr. mr. J.J.H. Post te Barneveld,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende Kerkgenootschap

HERSTELD HERVORMDE KERK,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.T. Pel te Hattem.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Kerk genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 december 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 23 maart 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Kerk is een Nederlands kerkgenootschap. De Kerk wordt geregeerd door een statuut in de zin van artikel 2:2 BW. Dit statuut bestaat uit de Hervormde Kerkorde (hierna: HKO), de ordinanties die krachtens artikel XXVII HKO zijn opgesteld ter regeling van de orde van de Hervormde Kerk en overige landelijke en plaatselijke regelingen. De Kerk bezit als landelijk kerkgenootschap rechtspersoonlijkheid.

2.2. De Kerk bestaat uit kerkelijke gemeenten die worden bestuurd door kerkenraden. Van een kerkenraad maken deel uit de predikant, ouderlingen en diakenen van de desbetreffende gemeente. [eiser] is sinds 23 augustus 2008 als predikant verbonden aan de Hersteld Hervormde Gemeente (HHG) [woonplaats]. De kerkenraad van de Hersteld Hervormde Gemeente [woonplaats] (hierna: de Kerkenraad) is samen met de kerkenraden uit hetzelfde ressort onderworpen aan het gezag van een classis. De diverse classes zijn op hun beurt onderworpen aan het gezag van de generale synode, het bestuursorgaan van de Kerk. Het dagelijks bestuur van een classis en van de generale synode wordt Breed Moderamen genoemd.

2.3. In artikel XX lid 6 HKO is het volgende bepaald:

“Het opzicht over de gemeenten, gehouden door visitatoren, betreft haar geestelijk leven en de vervulling van ambten en bedieningen en heeft ten doel de opbouw van de gemeente en de bevordering van haar dienst in de wereld.”

2.4. De in artikel XX lid 6 HKO genoemde visitatoren maken deel uit van visitatiecommissies. Een visitatiecommissie bestaat uit predikanten en ouderlingen. In het kader van hun taak voeren visitatiecommissies kerkvisitaties (ook wel visitaties genoemd) uit. In artikel 1 lid 1 van Ordinantie 11 is over de visitatie het volgende bepaald:

“De kerkvisitatie, dienstbaar aan de opbouw van de gemeente als het lichaam des Heren, gaat uit van de meerdere vergaderingen en omvat

het onderzoek naar en het opzicht over het geestelijk leven der gemeenten en de vervulling van ambten, bedieningen en functies;

het wegnemen - door raadgeving en overleg - van moeilijkheden in en tussen de organen van gemeente en Kerk; en

de bevordering van de dienst der gemeente in de wereld.”

2.5. Artikel 13 lid 6 van Ordinantie 11 luidt als volgt:

“Een kerkelijk lichaam en de leden daarvan zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot al hetgeen daar ter zake van de levenswandel van een lid der Kerk is behandeld.”

2.6. Op grond van artikel 5 lid 2 van Ordinantie 11 wordt het opzicht over ambtsdragers gehouden door de provinciale kerkvergaderingen. Ingevolge het derde lid van die bepaling houden de provinciale kerkvergaderingen dit opzicht door middel van regionale commissies voor het opzicht. Een regionale commissie kan een tuchtmaatregel opleggen. Een ambtsdrager die van mening is dat hem door een regionale commissie voor het opzicht ten onrechte een tuchtmaatregel is opgelegd kan daartegen in beroep gaan bij de Generale Commissie voor het Opzicht (GCO).

2.7. Naar aanleiding van klachten van leden van de Hersteld Hervormde Gemeente [woonplaats] over de wijze van prediking door [eiser] heeft op 13 oktober 2009 een buitengewone (in de zin van niet reguliere) visitatie plaatsgevonden. De visitatiecommissie bestond uit [A], predikant te [woonplaats] (hierna: [A]), [B], predikant te [woonplaats] (hierna: [B]), [C][O], ouderling te [woonplaats] (hierna: [C]) en [D], ouderling te [woonplaats] (hierna: [D]). Onderdeel van deze visitatie was een gesprek tussen de visitatiecommissie, [eiser] en diens echtgenote. Tijdens dit gesprek, waarbij het overlijden van de schoonvader van [eiser] ter sprake is gekomen, heeft de echtgenote van [eiser] het vertrouwen in de visitatiecommissie opgezegd.

2.8. Naar aanleiding van hetgeen tijdens het gesprek met de visitatiecommissie is gezegd in verband met het overlijden van de schoonvader van [eiser] hebben [A] en [B] kort daarna gesproken met de broer van de echtgenote van [eiser], [E], ouderling in de Hersteld Hervormde Gemeente te [woonplaats] (hierna: [E]) en met een zus van de echtgenote van [eiser], [F] woonachtig te [woonplaats], alsmede met de echtgenoot van laatstgenoemde. [A] en [B] deelden in deze gesprekken mee dat [E] door [eiser] en diens echtgenote werd beschuldigd van (de medeverantwoordelijkheid voor) het plegen van euthanasie op zijn vader.

2.9. [E] heeft op 1 december 2009 een tuchtklacht ingediend tegen [eiser] bij de Regionale Commissie voor het Opzicht-Noord (hierna: de RCO).

2.10. In een brief van 1 december 2009 hebben [eiser] en zijn echtgenote aan de visitatiecommissie geschreven:

“[…] Terugdenkend aan het gesprek van jl. 13 oktober tussen u als leden van de Classicale Visitatie Commissie en ons moet ons iets van het hart. Wij betreuren het, dat het gesprek door ons toedoen een zodanige wending heeft gekregen dat allerlei familieaangelegenheden de revue zijn gepasseerd. Dat had nooit moeten gebeuren en dat had ook nooit op deze wijze moeten gebeuren. Van heler harte willen wij daarvan ook onze spijt betuigen en u om vergeving vragen. Het is onze behoefte dat nu reeds te doen in afwachting van een D.V. toekomstige ontmoeting. […]”

2.11. Op 1 februari 2010 heeft [E] een kort geding aangespannen tegen [eiser] en diens echtgenote bij de rechtbank Zutphen tot rectificatie van hun uitlatingen en tot verkrijging van een verbod op verdere onrechtmatige uitlatingen (hierna: het kort geding). In het kort geding hebben [eiser] en zijn echtgenote een door hen beiden ondertekende schriftelijke verklaring, gedateerd 4 februari 2010, overgelegd met een weergave van wat er volgens hen op 13 oktober 2009 in het gesprek met de visitatiecommissie is besproken (hierna: de verklaring van 4 februari 2010). Hierin staat niet dat [eiser] of zijn echtgenote [E] toen hebben beschuldigd van (het medeverantwoordelijk zijn voor) het plegen van euthanasie op de schoonvader van [eiser]. [eiser] en zijn echtgenote hebben de verklaring van 4 februari 2010 afgesloten met de opmerking dat zij bereid zijn om wat zij daarin hebben verklaard onder ede te herhalen als hen dat gevraagd wordt.

2.12. Het kort geding heeft niet geleid tot een uitspraak van de voorzieningenrechter. Tijdens de zitting in die procedure hebben [E], [eiser] en diens echtgenote besloten met elkaar een mediationtraject in te gaan. Deze mediation heeft geleid tot een op 3 maart 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Op grond van de vaststellingsovereenkomst heeft [E] zowel het kort geding als zijn klacht bij de RCO ingetrokken. In de vaststellingsovereenkomst staat het volgende:

“[…]

3. De discussie of er sprake is geweest van betrokkenheid van de heer [E] bij euthanasie berust op een misverstand.

4. Het onder 3. vermelde is door de familie [eiser] nimmer beoogd noch beweerd. […]”

2.13. Op 2 maart 2010 heeft de visitatiecommissie vier klachten tegen [eiser] ingediend bij de RCO (hierna: de zaak Visitatoren/[eiser]). De eerste klacht luidde “lastering van de naam van de Heere, door aan te geven een valse verklaring onder ede te willen herhalen (derde gebod)”. Bij uitspraak van 24 november 2010 heeft de RCO deze klacht gegrond verklaard en [eiser] een tuchtrechtelijke vermaning gegeven om getrouw(er) en zorgvuldig(er) te handelen. Op de andere drie klachten heeft de RCO niet beslist.

2.14. Op 30 maart 2010 heeft [eiser] zeven klachten ingediend tegen de vier leden van de visitatiecommissie, onder andere inhoudend dat de visitatiecommissie haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door na 13 oktober 2009 met [E] en anderen te praten over wat er door [eiser] en zijn echtgenote op genoemde datum met de visitatiecommissie is besproken (hierna: de zaak [eiser]/Visitatoren). De RCO heeft deze klachten als één klacht opgevat en deze bij uitspraak van 24 november 2010 ongegrond verklaard.

2.15. [eiser] heeft op 21 december 2010 tegen beide uitspraken van de RCO hoger beroep ingesteld bij de GCO. De visitatiecommissie heeft op 7 januari 2011 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de RCO in de zaak Visitatoren/[eiser].

2.16. Artikel 7 van Ordinantie 11 luidt, voor zover in deze procedure relevant, als volgt:

“[…]1. Het besluit tot het gebruik van een bijzonder middel ter handhaving van de kerkelijke tucht kan slechts worden genomen, nadat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

[…]

c. dat hij in de gelegenheid is gesteld zich - ook door het doen horen van het getuigenis van anderen - te rechtvaardigen, en ter vergadering zich te doen bijstaan door een raadsman; […]”

2.17. Op 25 februari 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de GCO. [eiser] had naar deze hoorzitting twee getuigen meegenomen, [getuige 1], oud-ouderling en kerkenraadslid (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2], oud-ouderling, kerkvoogd en kerkenraadslid (hierna: [getuige 2]) . In het verslag van die hoorzitting staat het volgende:

“[…] De voorzitter legt vervolgens uit hoe het verloop van de zitting zal zijn. De klagers krijgen de gelegenheid nog een keer de klacht te verwoorden. Daarop kan ds. [eiser] kort reageren. De commissie zal daarna vragen stellen. De voorzitter noemt als punt van orde dat niet alle stukken opnieuw worden besproken. Mocht iemand aandrang voelen nog iets aan te geven of ergens een opmerking naast te plaatsen als leden van de andere partij, dan kan dit aan de voorzitter gevraagd worden. Het gaat vanmiddag om hoor- en wederhoor.

[…]

De voorzitter zegt dat hij behoefte heeft om op de integriteitvraag te reageren. Ds. [B] geeft in het stuk van 11 februari aan dat hij in vertrouwelijkheid namen kan noemen en vraagt ds. [B] in wiens bijzijn hij die namen niet wil noemen. Ds. [B] antwoordt dat hij die alleen voor de commissie wil noemen. De voorzitter zegt dat de commissie na afloop van de zitting ds. [B] apart zal horen.

Mr. Post [raadsman van [eiser] in die procedure; toevoeging van de rechtbank] maakt hier bezwaar tegen, waarop de voorzitter antwoordt dat de commissie het recht heeft om één van de aanwezigen apart te horen. Mr. Post vraagt in het verslag uitdrukkelijk te vermelden dat hij bezwaar heeft tegen het wisselen van informatie met de commissie buiten de aanwezigheid van zijn cliënt.

[…]

De voorzitter […] heet dhr. [getuige 1] welkom. […] De voorzitter vraagt dhr. [getuige 1] om een toelichting dat de visitatie niet goed verlopen is. Dhr. [getuige 1] leest een gedeelte van zijn getuigenverklaring voor. De voorzitter bedankt hem hiervoor een zegt dat de gehele getuigenverklaring toegevoegd wordt aan het proces-verbaal. Gezien het tijdstip stelt hij voor dat de visitatoren hierop schriftelijk reageren. Allen gaan hiermee akkoord.

Mr. Post vraagt of hij een vraag mag stellen aan de getuige. Hij wil vragen of ds. [eiser] oud. [E] heeft beschuldigd van moord op zijn vader. Dhr. [getuige 1] antwoord dat hij dit op papier heeft staan. De voorzitter zegt dat dit document wordt gehecht aan het proces-verbaal. Tevens geeft hij aan dat de commissie de vragen stelt. Hij bedankt dhr. [getuige 1] voor de getuigenverklaring.

Dhr. [getuige 1] verlaat de zaal, waarna dhr. [getuige 2] wordt ontvangen. De voorzitter zegt dat dhr. [getuige 2] zijn getuigenverklaring af mag geven. Deze wordt toegevoegd aan het proces-verbaal. Vervolgens stelt hij hem drie vragen.

[…]

De voorzitter vraagt dhr. [getuige 2] om bovenstaande punten toe te lichten aan de hand van voorbeelden. Dhr. [getuige 2] leest een gedeelte van zijn getuigenverklaring voor. De voorzitter bedankt hem hiervoor en zegt dat de schriftelijke verklaring wordt meegenomen. Dhr. [getuige 2] zegt dat hij een aantal punten heeft waarvan hij wil getuigen. De voorzitter zegt dat een schriftelijke getuigenis veel sterker is dan mondeling getuigenis dat in een verslag komt en vraagt hiervoor begrip, gelet op de tijd. Dhr. [getuige 2] gaat hiermee akkoord, waarna hij de zaal verlaat.

De voorzitter zegt dat hij komt tot een afronding van de hoorzitting. Allen hebben de ruimte gehad om te zeggen wat men wilde zeggen. De stukken zullen toegezonden worden aan beide partijen. Hij stelt voor dat men tien dagen de gelegenheid krijgt om te reageren, om geen onnodige vertraging te krijgen. Mr. Post vraagt of veertien dagen mogelijk is. De voorzitter vindt dit goed zegt dat men de stukken krijgt, maar niet meer op elkaar mag reageren. […]

Na de hoorzitting besluit de commissie dat zij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om in vertrouwelijkheid namen te vragen van gemeenteleden die in deze zaak kunnen getuigen. Er vindt dus geen vertrouwelijke hoorzitting plaats. De beklaagde [dat is [eiser]; toevoeging van de rechtbank] en zijn raadsman worden hiervan op de hoogte gesteld. […]”

2.18. Tijdens de hoorzitting heeft de GCO besloten dat [eiser] en de visitatiecommissie schriftelijk mochten reageren op de schriftelijke verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Bij haar schriftelijke reactie heeft de visitatiecommissie een brief gevoegd van de Kerkenraad van 24 maart 2011, gericht aan de visitatiecommissie (hierna: de brief van de Kerkenraad). Ook heeft zij daarbij gevoegd een brief van de scriba (secretaris) van de Kerkenraad, de heer [K] en diens echtgenote, van 21 maart 2011 aan de visitatiecommissie (hierna de brief van [K]). In de brief van de Kerkenraad staat het volgende:

“[…] Nadat de kerkenraad notie had genomen van de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 maart 2010, die na het mediationgesprek tussen de heer [E] en dominee en mevrouw [eiser] is opgesteld, is er weer gesproken met onze predikant. In de vaststellingsovereenkomst stond dat ds. en mevrouw [eiser] nooit beoogd of beweerd hebben dat de heer [E] betrokken is geweest bij euthanasie, terwijl ons bekend was dat hierover wel gesproken is met meerdere gemeenteleden. Omdat onze predikant ontkende dat er met gemeenteleden gesproken was over de ‘euthanasiekwestie’ en geen openheid gaf over hoe e.e.a. door hem en zijn vrouw gezegd was, heeft de kerkenraad aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in een goede voortzetting van de werkrelatie. […]”

2.19. In de brief van [K] staat het volgende:

“[…] Al vrij in het begin van hun [woonplaats]er periode, hebben ds. en mevrouw [eiser] ons deelgenoot gemaakt van diverse familieaangelegenheden. Eén daarvan betrof het sterfbed van hun (schoon)vader, dhr. [G]. Ds. en mevrouw vertelden ons dat zij van mening waren dat er euthanasie was toegepast en dat hun zwager en broer ([E]) daarbij een zodanige rol heeft vervuld dat hij daardoor medeverantwoordelijk was. […]”

2.20. Bij uitspraak van 12 mei 2011, zaaknummer 10/GCO 017 (hierna ook: uitspraak 17 van de GCO), heeft de GCO beslist op het hoger beroep dat was ingesteld door zowel de visitatiecommissie als [eiser] in de zaak Visitatoren/[eiser]. In uitspraak 17 is de visitatiecommissie aangeduid met appellant en [eiser] met geïntimeerde. In die uitspraak staat het volgende:

“[…] 3. Bezwaren

3.1 Het beroepschrift van appellant […] betreft de volgende klachten:

a. door in een verklaring voor de rechtbank aan te geven een verklaring onder ede te willen herhalen, die een valse verklaring is, lastert geïntimeerde de naam van de Heere (zonde tegen het 3e gebod);

b. door hen te beschuldigen van gedrag en woorden die ten onrechte aan hen worden toegedicht, zelfs middels een officiële verklaring voor de rechtbank, tast geïntimeerde de integriteit van vier leden van de visitatiecommissie op lasterlijke wijze aan (zonde tegen het 9e gebod). Door een andere indruk te geven dan de werkelijkheid misleidt geïntimeerde de rechter opzettelijk (zonde tegen het 9e gebod). Door een leugenachtige voorstelling van zaken tast geïntimeerde de naam en goede eer van een ouderling uit de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) aan (zonde tegen het 9e gebod);

3.2 Het beroepschrift van geïntimeerde […] betreft de volgende klachten:

c. De RCO-N had op grond van het verweer van geïntimeerde ieder klachtonderdeel afzonderlijk moeten beoordelen en gemotiveerd moeten afdoen als gegrond of ongegrond;

d. De overweging van de RCO-N in 8.c: ‘zich niet aan de indruk kan onttrekken’, is onvoldoende basis voor het opleggen van een maatregel als bedoeld in ord. 11-6 HKO;

e. Door geïntimeerde aan te spreken op door zijn vrouw gebezigde uitlatingen, miskent de RCO-N dat het tuchtrecht persoonlijk en individueel is;

f. Terwijl geïntimeerde zich moest distantiëren van de door zijn vrouw gebezigde uitlatingen, hebben de heren [D] en [C] anderzijds geen afstand genomen van de acties van ds. [A] en ds. [B]. Hierdoor meet de RCO-N met twee maten.

4. Beoordeling van bezwaren

4.1 De klacht van appellant betreft de volgens hen leugenachtige verklaring van 4 februari 2010 van geïntimeerde, die geïntimeerde (mede) heeft opgesteld inzake het kort geding van de heer [E] tegen geïntimeerde voor de rechtbank te Zutphen naar aanleiding van het bezoek dat appellant heeft gebracht in het kader van een buitengewone visitatie aan de pastorie te [woonplaats] op 13 oktober 2009 (hierna te noemen: de buitengewone visitatie). Deze verklaring wijkt sterk af van de verklaringen die ds. [B] en ds. [A] hebben opgesteld voor dezelfde rechtbank te Zutphen inzake dezelfde procedure. Geïntimeerde heeft in deze verklaring gesteld dat hij en zijn vrouw bereid zijn hun verklaring onder ede te herhalen, waardoor volgens appellant de naam van de Heere wordt gelasterd (zonde tegen het 3e gebod).

4.2 Geïntimeerde verweert zich door te stellen dat deze klacht voortborduurt op de klacht van de heer [E] in kort geding bij de rechtbank te Zutphen. Over deze klacht is reeds geklaagd. De klacht is inmiddels afgedaan met een vaststellingsovereenkomst, die beide partijen hebben ondertekend. Volgens het beginsel “ne bis in idem” (geen tweede vervolging voor een feit waarover de rechter reeds onherroepelijk heeft beslist) kan deze klacht niet nogmaals onderwerp van beoordeling in een tuchtprocedure worden.

4.3 Een civiele procedure voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen is uitgemond in het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst tussen ds. [eiser], diens echtgenote en de heer [E]. In deze procedure hebben ds. [eiser], ds. [B] en ds. [A] verklaringen ingebracht. Appellant is geen partij bij de vaststellingsovereenkomst. Appellant constateert in de procedure voor het opzicht dat een wezenlijke bevinding in de vaststellingsovereenkomst niet in overeenstemming is met zijn bevinding van de buitengewone visitatie. Appellant voert de verklaringen aan om de juistheid van deze stelling te onderbouwen. Daarbij weegt zwaar de uitlating van geïntimeerde dat deze bereid is onder ede diens verklaring te herhalen. In de procedure voor het opzicht is hiermee een rechtsvraag naar kerkelijk recht aan de orde die los staat van de civiele procedure die voor de rechtbank Zutphen is gevoerd en de uitkomst hiervan. Bij het aanvoeren van zijn klacht heeft appellant de vaststellingsovereenkomst en de verklaringen terecht aan de RCO-N voorgelegd.

4.4 De vraag van de aantoonbaarheid door appellant van de strijdigheid van een eerdere verklaring afgelegd tijdens de buitengewone visitatie door geïntimeerde is nu aan de orde. Partijen betwisten niet, dat de vrouw van geïntimeerde tijdens de bijzondere visitatie woorden heeft geuit, al of niet onder druk van appellant, waarvan geïntimeerde en zijn vrouw in een brief van 1 december 2009, gericht aan appellant, verklaren dat zij hun spijt betuigen en om vergeving vragen dat het gesprek op 13 oktober 2009 door hun toedoen een zodanige wending heeft gekregen dat allerlei familieaangelegenheden de revue zijn gepasseerd. Geïntimeerde en zijn vrouw hebben deze brief ondertekend.

4.5 Partijen hebben niet duidelijk aangetoond wat tijdens de bijzondere visitatie exact is gezegd. Van het gesprek ontbreekt een door beide partijen geaccordeerd verslag. De onderling strijdige verklaringen van partijen blijven om die reden naast en tegenover elkaar staan en vormen het geschil in deze procedure.

4.6 Appellant leest vervolgens in de vaststellingsovereenkomst: dat in de discussie of er sprake is geweest van betrokkenheid van de heer [E] bij euthanasie op een misverstand berust en dat dit door geïntimeerde en zijn vrouw nimmer beoogd noch beweerd is. Vanwege het feit dat door partijen uiteenlopende verklaringen worden afgelegd wat tijdens de bijzondere visitatie is gezegd, brengt appellant verklaringen in van de heer [H], de heer [I], ouderling [J], de Kerkenraad van de HHG [woonplaats], de heer [K] en mevrouw [L] die beweren dat geïntimeerde wel heeft gesproken over de betrokkenheid van de heer [E] bij euthanasie. Na lezing van de mails en brieven, die de heer [H], [I] en ouderling [J] naar beide partijen heeft gestuurd, komt de GCO tot de conclusie dat deze elkaar dusdanig tegenspreken, dat zij niet voldoen als deugdelijke onderbouwing. Anders is het gesteld met de verklaringen van de Kerkenraad van HHG [woonplaats] van 24 maart 2011 en van de heer [K] en mevrouw [L] van 21 maart 2011.

4.7 De kerkenraad van de HHG [woonplaats] stelt in haar verklaring dat hoewel in de vaststellingsovereenkomst stond dat geïntimeerde en zijn vrouw nooit beoogd en beweerd hebben dat de heer [G] betrokken is geweest bij euthanasie, dat bij de kerkenraad bekend was dat hierover wel gesproken is met meerdere gemeenteleden. Ze schrijven niet dat er door geïntimeerde met de kerkenraad over is gesproken. Nee, zij waren ermee bekend dat met meerdere gemeenteleden daarover gesproken was. Geïntimeerde betwist ten stelligste met een beroep op zijn geweten dat hij tegenover kerkenraadsleden of gemeenteleden de heer [G] van euthanasie op zijn vader heeft beschuldigd.

4.8 Vooropgesteld moet worden dat de kerkenraad zich in de achterliggende periode altijd loyaal heeft opgesteld tegenover geïntimeerde. Dat heeft zij gedaan na de moeizaam verlopen bijzondere visitatie op 13 oktober 2009 in de pastorie. Ook zij hebben aanvankelijk het vertrouwen in de visitatiecommissie opgezegd. De kerkenraad heeft de prediking van geïntimeerde altijd erkent als voluit Bijbels, hoewel een aantal gemeenteleden daar moeite mee had. Verder heeft zij ingestemd en meegewerkt aan een begeleidingstraject die het Breed Moderamen van de classis had voorgesteld. Vervolgens wilde de kerkenraad niet betrokken worden in het conflict tussen de heer [E] en geïntimeerde, door in eerste instantie het schrijven van de heer [E] ongeopend terug te sturen. Op aandringen van ds. [B], die een bemiddelingspoging voorstelde, heeft de scriba, ouderling [K], het conflict tussen de heer [E] en geïntimeerde op de kerkenraadsvergadering van 10 december 2009 mondeling toegelicht. Deze bemiddelingspoging is niet tot uitvoering gekomen, omdat een Kort Geding op handen was. Deze gang van zaken komt de GCO niet onbegrijpelijk over. Dat door de aantoonbare inmenging van ds. [B], zoals geïntimeerde stelt, alle uitslagen werden gebagatelliseerd en in twijfel worden getrokken is door geïntimeerde niet aangetoond.

4.9 De heer [K] is scriba van de kerkenraad van de HHG [woonplaats]. Hij stelt dat geïntimeerde en zijn vrouw, vrij in het begin van de ambtsperiode van geïntimeerde, [K] en zijn vrouw [L] deelgenoot hebben gemaakt van diverse familieaangelegenheden. Eén daarvan betrof het sterfbed van hun (schoon) vader, de heer [G]. Geïntimeerde en zijn vrouw waren van mening dat er euthanasie was toegepast en dat de heer [E] daar een zodanige rol in heeft vervuld, dat hij daarvoor medeverantwoordelijk is. Vervolgens heeft de heer [K] van geïntimeerde te horen gekregen, na het bezorgen door geïntimeerde van de mailwisseling tussen geïntimeerde en de heer [E], de opmerking: ‘ik snap niet waar hij zich druk over maakt, want de hele Bommelerwaard weet het.’ En dat laatste doelend op de betrokkenheid van de heer [E] bij euthanasie op zijn schoonvader. Met andere woorden, het was al bekend. Wat in overweging 4.8 is geschreven over de kerkenraad van de HHG [woonplaats] geldt onverkort ook voor de heer [K] die daar deel van uitmaakt. Ook als door geïntimeerde wordt beweerd dat hij de naam van de heer [G] niet heeft genoemd en beschuldigd, maar wel aangeeft dat er vragen zijn omtrent het levenseinde van zijn schoonvader, dan ligt het voor de hand om het verband te leggen met de heer [E]. Geïntimeerde heeft namelijk nooit ontkend dat hij het met de zienswijze van zijn vrouw oneens [rechtbank: bedoeld zal zijn: eens] is. De heer [K] en zijn vrouw beweren anders, namelijk dat geïntimeerde en zijn vrouw wel over de betrokkenheid van de heer [E] met betrekking tot euthanasie met hen hebben gesproken. Dat de heer [K] en zijn vrouw er nu pas mee voor de dag komen sluit aan bij het loyaal achter geïntimeerde te hebben gestaan, totdat het ogenblik aanbreekt dat uiteindelijk ook de heer [K] en zijn vrouw zo teleurgesteld zijn in de handelwijze van geïntimeerde en zijn vrouw, die in alle toonaarden blijven ontkennen dat zij hun broer en zwager, de heer [E], ooit van betrokkenheid bij euthanasie op hun (schoon)vader hebben beschuldigd en daar ook nooit met ambtsdragers en gemeenteleden over hebben gesproken. Deze redenering van de heer [K] en zijn vrouw komt de GCO niet onbegrijpelijk over.

4.10 De GCO komt tot de conclusie dat appellant het verschil in de verklaring van geïntimeerde voor de rechtbank Zutphen en eerdere verklaring van geïntimeerde gegeven tijdens de bijzondere visitatie vanwege het ontbreken van een door partijen geaccordeerd verslag niet op zich heeft aangetoond. Dat vervolgens de verklaringen van de heer [H], [I] en ouderling [J] elkaar dusdanig tegenspreken, dat zij niet voldoen als deugdelijke onderbouwing. Dat tenslotte de verklaringen van de kerkenraad van de HHG [woonplaats], de heer [K] en mevrouw [L] betrouwbaar overkomen, gezien de consistente lijn die zij steeds in het gehele proces hebben gevolgd. Om vorenstaande reden treft deze klacht toch doel.

4.11 Appellant stelt dat geïntimeerde door zijn verklaring voor de rechtbank de integriteit van appellant op een lasterlijke wijze wordt aangetast, daarbij benevens de rechter opzettelijk heeft misleid, althans daartoe een poging heeft ondernomen. Daardoor is tevens de naam en goede eer van een ouderling uit de HHK aangetast. De GCO komt tot de conclusie dat appellant de stelling dat geïntimeerde door zijn verklaring voor de rechtbank de integriteit van appellant heeft aangetast niet overtuigend heeft aangetoond. De verklaringen omtrent de bijzondere visitatie lopen sterk uiteen. Zie overweging 4.5. In deze geldt de regel ‘in dubiis abstine (zich bij twijfel van een oordeel onthouden). Dat geïntimeerde door zijn verklaring voor de rechtbank de rechter heeft misleid gaat niet op nu de rechter geen uitspraak heeft gedaan in het Kort Geding. De civiele procedure voor de voorzieningenrechter van de rechtbank de Zutphen is uitgemond in het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst tussen ds. [eiser], diens echtgenote en de heer [E]. Ten aanzien van het aantasten van de naam en goede eer van een ouderling merkt de GCO op, dat deze de vaststellingsovereenkomst, waarin de bewuste verklaring van geïntimeerde expliciet staat genoemd, zelf heeft ondertekend. Om deze redenen treffen deze klachten geen doel.

4.12 Geïntimeerde klaagt dat de RCO-N op grond van het verweer van geïntimeerde ieder klachtonderdeel had moeten beoordelen en gemotiveerd had moeten afdoen als gegrond of ongegrond. De plicht van motivering is een onderdeel van het kerkelijk procesrecht. De GCO kan geïntimeerde volgen, daar waar deze stelt dat de uitspraak van de RCO-N van 24 november 2010 op bepaalde punten een motiveringsgebrek vertoont. De GCO komt tot de conclusie dat deze klacht doel treft en zal het motiveringsgebrek herstellen.

4.13 Geïntimeerde stelt dat het gestelde in overweging 8.c: ‘De RCO kan zich - gelet op de verklaringen van de visitatiecommissie en de brief van 21 december 2009 - niet aan de indruk onttrekken…’, onvoldoende basis is voor het opleggen van een maatregel als bedoeld in ord. 11- 6 HKO. Als de overweging van de RCO-N duidelijk zou zijn onderbouwd, zou deze overweging juist kunnen zijn.

Bij het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing is deze overweging echter een interpretatie van de RCO-N die niet in stand kan blijven. De afweging ten aanzien van de bewijsvoering van wat zich tijdens de buitengewone visitatie heeft afgespeeld, is reeds in overweging 4.10 gemaakt. Vervolgens rijst de vraag naar de betekenis in deze van de brief van 1 december 2009, ondertekend door geïntimeerde en zijn vrouw, waarin zij hun spijt betuigen en vergeving vragen voor het feit ‘dat door hun toedoen het gesprek op 13 oktober 2009 een zodanige wending heeft gekregen dat allerlei familieaangelegenheden de revue zijn gepasseerd. Dat had nooit moeten gebeuren en dat had ook nooit op deze wijze moeten gebeuren’. Hiermee neemt geïntimeerde de woorden die zijn vrouw tijdens de bijzondere visitatie heeft gesproken met betrekking tot familieaangelegenheden, ook voor zijn rekening. Hoewel de strekking van deze brief mede is gericht op verzoening en verbetering van de verhoudingen, wat de mentor van ds. [eiser], ds. [M], is een brief van 17 februari 2011 onderstreept, mag ook het nemen van de verantwoordelijkheid door geïntimeerde en zijn vrouw voor het nemen van een bepaalde wending van het gesprek niet uit het oog worden verloren. Dit in aanmerking genomen, blijft echter ook dan nog onduidelijk, of de vrouw van geïntimeerde andere woorden heeft gesproken dan geïntimeerde en zijn vrouw in de verklaring voor de rechtbank Zutphen hebben aangegeven. Hiervoor ontbreekt ieder bewijs. De GCO komt door het vorenstaande tot de conclusie dat de RCO-N bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing niet op grond van ‘zich niet aan de indruk kan onttrekken’, een maatregel kan opleggen als genoemd in ord. 11-6 HKO en verklaart om deze reden dat deze klacht doel treft.

4.14 Geïntimeerde stelt dat de RCO-N door geïntimeerde aan te spreken op door zijn vrouw gebezigde uitlatingen, miskent dat het tuchtrecht persoonlijk en individueel is. Op zichzelf mag dit juist zijn, maar overweging 4.13 heeft aangetoond, dat geïntimeerde zich deelgenoot heeft gemaakt van de uitlatingen van zijn vrouw tijdens de bijzondere visitatie. Geïntimeerde is daardoor aan te spreken op de woorden die zijn vrouw heeft gebezigd. De GCO komt tot de conclusie dat het tuchtrecht persoonlijk en individueel is, maar dat geïntimeerde mede aansprakelijk is voor de woorden die zijn vrouw tijdens de bijzondere visitatie over familieaangelegenheden heeft uitgesproken. Zoals in overweging 4.13 is gesteld, is overigens niet duidelijk welke woorden zijn gesproken. Deze klacht treft geen doel.

4.15 Geïntimeerde stelt vervolgens dat de RCO-N met twee maten meet. Geïntimeerde had zich moeten distantiëren van de door zijn vrouw gebezigde uitlatingen, terwijl de heren [D] en [O] anderzijds geen afstand hebben genomen van de acties van ds. [B] en ds. [A]. De GCO stelt vast dat deze klacht slaat op een klacht van geïntimeerde betreffende de uitspraak [eiser]/Visitatoren van de RCO-N van 24 november 2010. Om die reden zal deze klacht worden behandeld in de procedure [eiser]/Visitatoren.

5. Beslissing

De Generale Commissie voor het opzicht:

- verklaart de klachten van appellant 3.1.a gegrond en 3.1.b ongegrond en de klachten van geïntimeerde 3.2.c en 3.2.d gegrond en 3.2.e ongegrond;

- herstelt het motiveringsgebrek;

- bevestigt de uitspraak van de RCO-N van 24 november 2010. […]”

2.21. Bij uitspraak van 12 mei 2011, zaaknummer 10/GCO 018 (hierna ook: uitspraak 18 van de GCO), heeft de GCO beslist op het hoger beroep dat was ingesteld in de zaak [eiser]/Visitatoren. In uitspraak 18 is [eiser] aangeduid met appellant en de visitatoren gezamenlijk als geïntimeerden. [B] is aangeduid als geïntimeerde 3 en [A] als geïntimeerde 4. In uitspraak 18 van de GCO staat het volgende:

“[…] 3. Bezwaren

3.1 Het beroepschrift van appellant […] betreft de volgende klachten, namelijk:

a. […]

b. Geïntimeerden schenden hun ambtsgeheim;

c. […]

d. […]

e. […]

4. Beoordeling van bezwaren

[…]

4.5 Appellant stelt vervolgens dat geïntimeerden hun ambtsgeheim hebben geschonden. Het ambtsgeheim houdt een verplichte geheimhouding in van datgene waarvan men ambtshalve kennis draagt. [N] stelt in ”De Hervormde Kerkorde” op p. 158 dat geheimhoudingsplicht niet alleen geldt voor ambtsdragers, maar voor allen die in de Kerk een bediening of functie vervullen, waaronder een visitatiecommissie.

[…]

4.6 Geïntimeerden hebben kennis genomen van de vaststellingsovereenkomst van 3 maart 2010 tussen de heer [E] en fam. [eiser], waarin staat dat de betrokkenheid van de heer [E] bij euthanasie op een misverstand berust en dat dit door fam. [eiser] nimmer is beoogd, noch beweerd. Geïntimeerden hebben daarover een geheel andere opvatting. Wat de vrouw van appellant tijdens de buitengewone visitatie heeft gezegd, strijdt volgens hen met de vaststellingsovereenkomst. Geïntimeerden 3 en 4 hebben met de verkregen informatie over familiekwesties tijdens de buitengewone visitatie op 13 oktober 2009 pastoraal contact gezocht met de heer [E], ouderling bij geïntimeerde 3 en zwager van appellant, en de fam.[familie 1], gemeentelid van geïntimeerde 4, schoonzus en zwager van appellant. Deze pastorale bezoeken komen de GCO niet onbegrijpelijk over. Als er in een gesprek zaken worden gezegd over gemeenteleden/kerkenraadsleden die vragen oproepen, is het niet ongebruikelijk dat deze in een pastoraal gesprek bij je gemeenteleden/kerkenraadsleden aan de orde worden gesteld. Dat is wat hier heeft plaatsgevonden. De gesprekken hebben tot resultaat gehad dat geïntimeerden tevreden waren met de antwoorden van de heer [E] en de fam. [familie 2]. Tot zover hebben geïntimeerden 3 en 4 hun ambtsgeheim niet geschonden. […]

4.10 Blijft over de vraag of geïntimeerden 3 en 4 verstandig hebben gehandeld door nader onderzoek te doen inzake familiekwesties die hen ter ore zijn gekomen tijdens de buitengewone visitatie. In overweging 4.6 is aangegeven dat een pastoraal bezoek in de Kerk gebruikelijk en in een aantal gevallen zelfs gewenst is. Het had getuigd van professionaliteit als geïntimeerde, na de pastorale bezoeken bij de heer [E] en de fam. [familie 2], hun opdracht betreffende de gemeente [woonplaats] terug had gegeven aan het Breed Moderamen van de classis Noord-Veluwe en het daar hadden gelaten en niet zelf de zaak nader hadden onderzocht. En dat laatste zeker niet in het licht van de betrokkenheid van geïntimeerde 3 bij de heer [E] en geïntimeerde 4 bij fam. [familie 2]. Het moderamen is volgens ord. 11-5-3 HKO het college dat opzicht houdt over ambtsdragers.

4.11 Uit de opgestuurde stukken is niet duidelijk gebleken dat geïntimeerden 3 en 4 in hun onderzoeksrol zijn gestopt door het Breed Moderamen van de classis Noord-Veluwe. Aangezien het Breed Moderamen kennis had van de onderzoeksrol van geïntimeerden, concludeert de GCO hieruit dat het Breed Moderamen deze situatie heeft gedoogd. Dat laatste geeft aan dat het onprofessioneel handelen van geïntimeerden in deze niet geheel op hun schouders kan worden gelegd.

4.12 De GCO komt tot de conclusie dat geïntimeerden 3 en 4 niet geheel professioneel hebben gehandeld, zoals van ambtsdragers mocht worden verwacht, door nader onderzoek te doen naar wat zij hebben gehoord tijdens de buitengewone visitatie. Een verzachtende omstandigheid voor geïntimeerden is het feit dat het Breed Moderamen van classis Noord-Veluwe het nader onderzoek door geïntimeerden heeft gedoogd. Geïntimeerden hadden echter wel het recht om wat hun ter ore is gekomen tijdens de buitengewone visitatie in een pastoraal bezoek te bespreken met degenen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. In dat opzicht hebben geïntimeerden hun ambtsgeheim niet geschonden. Om vorenstaande reden treft deze klacht dan ook geen doel. […]

5. Beslissing

De Generale Commissie voor het opzicht:

- verklaart de klachten van appellant 3.1.a t/m 3.1.c ongegrond, 3.1.d en 3.1.e gegrond;

- herstelt het motiveringsgebrek;

- bevestigt de uitspraak van de RCO-N van 24 november 2010. […]”

2.22. In een schriftelijke verklaring van [getuige 2] en [getuige 1] van 18 oktober 2011 staat het volgende:

“[…] 7. Ondergetekenden hebben in de klachtprocedure bij de Generale Commissie voor het Opzicht als getuige mondeling verklaringen willen afleggen ten gunste van ds. G.J. [eiser]. De GCO heeft dat (nagenoeg) onmogelijk gemaakt. […]”

2.23. Herziening van de uitspraken van de GCO is mogelijk op initiatief van de GCO zelf. [eiser] heeft de GCO verzocht over te gaan tot herziening maar die heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het Breed Moderamen van de generale synode had de mogelijkheid om op eigen initiatief de uitspraken van de GCO binnen 21 dagen na toezending ter vernietiging voor te dragen bij de kerkelijke geschillencommissie, maar het Breed Moderamen heeft dat niet gedaan. [eiser] heeft het Breed Moderamen van de generale synode gevraagd om [eiser] niet aan de twee uitspraken van de GCO te houden maar op dat verzoek is het Breed Moderamen niet ingegaan. Inmiddels loopt er een procedure tot ontslag (‘losmaking’) van [eiser].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1.

- primair: de uitspraken 17 en 18 van de GCO vernietigt

- subsidiair: de uitspraken 17 en 18 van de GCO nietig verklaart jegens [eiser] en de Kerk en haar organen

- meer subsidiair: de uitspraken 17 en 18 van de GCO onverbindend verklaart jegens [eiser] en de Kerk en haar organen

- uiterst subsidiair: dat de rechtbank bepaalt dat [eiser] door de Kerk en haar organen niet mag worden gehouden aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO,

in alle voorgaande gevallen, op basis van het door [eiser] verstrekte volledige kerkelijke procesdossier, in plaats van de uitspraken 17 en 18 van de GCO de volgende beslissingen stelt:

- ter vervanging van uitspraak 17 van de GCO:

ongegrondverklaring/afwijzing van alle tegen [eiser] ingebrachte klachten en tenietdoening van de tegen hem uitgesproken vermaning op grond van de bewering dat sprake is van een valse verklaring, althans de vaststelling daarvan,

- ter vervanging van uitspraak 18 van de GCO:

gegrondverklaring van de tegen de visitatoren ingebrachte klachten met terugverwijzing naar de GCO voor het opleggen van een passende kerkordelijke tuchtmaatregel,

2. voor recht verklaart dat de Kerk, althans de organen waarvoor de Kerk aansprakelijk is, een onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft/hebben gepleegd, door

- ondanks uitdrukkelijk verzoek om dat niet te doen hem te (willen) houden aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO

- geen afstand te nemen van de door de visitatoren namens de HHK tegen [eiser] genomen acties

- het kerkordelijk gewaarborgd ambtsgeheim jegens [eiser] te schenden, althans toe te staan dat dit geschonden werd en wordt en daar kerkordelijk geen, althans onvoldoende toezicht op uit te oefenen of dit te doen tegengaan, waardoor is toegelaten dat [eiser] in zijn kerkenraad en zijn kerkelijke gemeente en in de HHK totaal geïsoleerd is geraakt,

3. de Kerk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juni 2011 tot aan de dag der voldoening,

4. de Kerk te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de uitspraken 17 en 18 van de GCO te rectificeren met een kopie daarvan aan [eiser]’ advocaat,

primair:

in die zin dat in een brief, te sturen aan alle hieronder genoemde personen/instanties, komt te staan:

dat de op 12 mei 2011 gewezen uitspraken 17 en 18 van de GCO door de rechtbank Utrecht zijn vernietigd met daarbij de vermelding dat ten onrechte de klacht gegrond is verklaard dat [eiser] in een verklaring voor de rechtbank Zutphen heeft aangegeven een verklaring onder ede te willen herhalen, die een valse verklaring is, althans dat hij op dat punt feitelijke onwaarheid heeft gesproken, en dat de rechtbank dit niet uit de stukken die in de kerkelijke procedures zijn gewisseld heeft kunnen vaststellen,

subsidiair:

door middel van een door de rechtbank te bepalen rectificatietekst

zowel primair als subsidiair:

te bepalen dat de Kerk een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- voor iedere dag dat zij deze beslissing niet nakomt, tot een voorlopig maximum van € 50.000,--, waarbij de rectificatie in het landelijk kerkblad van de Kerk dient te worden geplaatst en dient te worden verstuurd aan de adressen van de navolgende organen binnen het kerkgenootschap van de Kerk:

- het landelijk kerkblad van de HHK

- de GCO

- de RCO

- de visitatiecommissie

- de Kerkenraad

- het Breed Moderamen van de classis Noord-Veluwe

- het College van Visitatoren/generaal

5. de Kerk te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de nakosten.

3.2. Aan zijn vorderingen, vermeld onder 3.1.1, legt [eiser] artikel 7:904 BW ten grondslag. Hij betoogt dat gebondenheid aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO in verband met de inhoud en de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wegens schending van:

a) het recht op hoor en wederhoor

b) het beginsel van onpartijdigheid en fair trial

c) het ne bis in idem-beginsel

d) het beginsel dat eerst feiten dienen te worden vastgesteld, alvorens over de feiten kan worden beslist

e) het beginsel om niet buiten de rechtsstrijd te treden en niet meer bewezen te verklaren dan ten laste is gelegd (rechtszekerheidsbeginsel)

f) het beginsel om als kerkelijke rechter niet te interveniëren in overheidsrechtspraak

g) het motiveringsbeginsel

h) de kerkorde en bewijsregels in het kerkelijk recht.

3.3. Aan zijn vorderingen, vermeld onder 3.1.2 tot en met 3.1.4, legt [eiser] ten grondslag dat de Kerk onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat de GCO de gewraakte beslissingen heeft genomen en de Kerk desgevraagd niet wil verklaren dat zij [eiser] niet aan deze uitspraken zal houden en doordat de Kerk er geen zorg voor heeft gedragen dat uitspraak 17 en 18 worden herzien. Ook betoogt [eiser] dat de visitatiecommissie als orgaan van de Kerk onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld wegens schending van het ambtsgeheim en door vertrouwelijk door haar opgedane wetenschap te gebruiken tot entamering van de klachtprocedure.

3.4. De Kerk voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad en tot afwijzing van de overige vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure en de nakosten (uitvoerbaar bij voorraad).

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen nemen allebei het standpunt in dat artikel 7:904 lid 1 BW, welk artikel betrekking heeft op de vaststellingsovereenkomst, in dit geval analoog kan worden toegepast. Dit standpunt is juist (zie Hoge Raad 19 december 2003, NJ 2004, 559). Dit brengt mee dat de rechtbank moet toetsen of gebondenheid van [eiser] aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Is dat het geval, dan zijn die uitspraken vernietigbaar.

Motivering en omvang van de rechtsstrijd (uitspraak 17)

4.2. De eerste klacht van de visitatiecommissie tegen [eiser] komt er op neer dat de verklaring van 4 februari 2010 (zie 2.11) vals is. De GCO heeft deze klacht, in uitspraak 17 aangeduid als klacht 3.1.a, gegrond verklaard. Door die klacht gegrond te verklaren oordeelt de GCO dat de verklaring van 4 februari 2010 vals is, terwijl de GCO in haar uitspraak en, bij monde van haar voorzitter, op de comparitie bij de rechtbank benadrukt dat onduidelijk blijft of de echtgenote van [eiser] andere woorden heeft gesproken dan [eiser] en zijn echtgenote in de verklaring van 4 februari 2010 hebben aangegeven (zie overweging 4.13 in uitspraak 17, herhaald in overweging 4.14). Dit is met elkaar in tegenspraak. De motivering is gebrekkig.

4.3. De GCO heeft ook overwogen dat ieder bewijs ontbreekt voor de conclusie dat de vrouw van [eiser] andere woorden heeft gesproken dan is aangegeven in de verklaring van 4 februari 2010. Ter comparitie is door de voorzitter van de GCO verklaard dat hiermee bedoeld is dat ieder schriftelijk bewijs ontbreekt. Dit heelt het in 4.2 vastgestelde gebrek niet, omdat ook die uitleg niet valt te rijmen met de conclusie van de GCO dat onduidelijk blijft of de echtgenote van [eiser] andere woorden heeft gesproken dan vermeld in de verklaring van 4 februari 2010.

4.4. De Kerk betoogt dat voor de GCO bleef staan dat [eiser] onwaarheid heeft gesproken, zij het niet aantoonbaar tijdens de buitengewone kerkvisitatie maar in ieder geval wel doordat [eiser] heeft ontkend wat hij tegen gemeenteleden en scriba [K] en diens vrouw heeft gezegd over de betrokkenheid van [E] bij euthanasie (conclusie van antwoord, alinea 101). De Kerk heeft dit standpunt ter comparitie herhaald. Namens de Kerk is toen verklaard dat met name uit de schriftelijke verklaring van [K] blijkt dat [eiser] de beschuldiging aan het adres van zijn zwager bij andere gelegenheden dan tijdens het gesprek met de visitatiecommissie op 13 oktober 2009 wel heeft gedaan. Ook is namens de Kerk ter comparitie verklaard dat de GCO op basis daarvan de overtuiging heeft gekregen dat [eiser] in strijd met de waarheid ontkende dat hij de eerdere uitlatingen had gedaan en dat daarom klacht 3.1.a gegrond is verklaard. Hiermee is de GCO buiten de klacht getreden. Klacht 3.1.a had immers geen betrekking op andere aangelegenheden dan het gesprek met de visitatiecommissie op 13 oktober 2009. Ter comparitie is namens de Kerk het standpunt ingenomen dat het in deze zaak gaat om klachttuchtrecht. Volgens de Kerk is het binnen het kerkelijk tuchtrecht alleen mogelijk om op te treden nadat een klacht is ingediend en is het de GCO niet toegestaan om een klacht uit te breiden. [eiser] heeft dit niet weersproken en de rechtbank neemt dat standpunt van de Kerk dan ook tot uitgangspunt. Door de klacht uit te breiden naar andere aangelegenheden heeft de GCO dan ook haar bevoegdheid overschreden.

4.5. De hierboven besproken gebreken zijn zo fundamenteel, dat gebondenheid van [eiser] aan uitspraak 17 van de GCO in verband met haar inhoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Hoor en wederhoor en fair trial (uitspraak 17 en uitspraak 18)

4.6. Uit het verslag van de hoorzitting, welke plaats vond in het kader van beide klachtprocedures, bij de GCO blijkt dat [B] in het bijzijn van [eiser] en zijn advocaat geen namen wilde noemen van gemeenteleden en dat hij dat alleen voor de GCO wilde doen (zie 2.17). Dit betrof de namen van gemeenteleden tegen wie [eiser] gezegd zou hebben dat zijn zwager mede verantwoordelijk is voor euthanasie op diens vader. Naar aanleiding daarvan heeft de voorzitter van de GCO tijdens de hoorzitting meegedeeld dat de GCO [B] na afloop van de zitting apart zou horen. Mr. Post, de advocaat van [eiser], heeft daartegen vervolgens uitdrukkelijk bezwaar gemaakt. Aan het einde van het verslag van de hoorzitting is vermeld dat de GCO na die zitting heeft besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om in vertrouwelijkheid namen te vragen van gemeenteleden.

4.7. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] en zijn advocaat na afloop van de zitting de zaal hebben verlaten en dat de visitatoren, onder wie [B], toen met de leden van de GCO enige tijd in de zaal zijn achtergebleven. Tijdens de comparitie is namens de Kerk verklaard dat nadat [eiser] en zijn advocaat naar buiten waren gegaan, de GCO onderling kort heeft overlegd en vrijwel meteen heeft besloten dat het niet was toegestaan om [B] buiten aanwezigheid van [eiser] en zijn advocaat te horen. Volgens de leden van de GCO die tijdens de comparitie aanwezig waren, konden de visitatoren het beraad van GCO waarschijnlijk wel horen, maar hebben zij daaraan niet deelgenomen.

4.8. Doordat de GCO aan het einde van de hoorzitting de visitatoren niet heeft opgedragen om tegelijk met [eiser] en zijn advocaat de zaal te verlaten, is het voor [eiser] en zijn advocaat oncontroleerbaar geworden of (een lid van) de GCO daadwerkelijk geen namen aan [B] heeft gevraagd van gemeenteleden tegenover wie [eiser] zijn zwager van (medeverantwoordelijkheid voor) euthanasie zou hebben beschuldigd. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat deze gang van zaken in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor en van fair trial.

4.9. Door deze handelwijze is gebondenheid van [eiser] aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO in verband met haar wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (uitspraak 17 en uitspraak 18)

4.10. Op grond van artikel 7 van Ordinantie 11 is het slechts toegestaan om een kerkrechtelijke tuchtmaatregel op te leggen indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld tot het doen horen van getuigen (zie 2.16). Dit betekent dat (de advocaat van) [eiser] tijdens de hoorzitting de gelegenheid moest worden geboden hetzij om zelf vragen aan de getuigen te stellen, hetzij om deze via de (voorzitter van de) GCO te laten stellen.

4.11. Op verzoek van [eiser] zijn de kerkenraadsleden [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] heeft een schriftelijke verklaring naar de hoorzitting meegenomen. Geen van de aanwezigen (behalve [getuige 1] en [getuige 2]) kende de schriftelijke verklaringen op voorhand en tijdens de hoorzitting is geen leespauze ingelast. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de advocaat van [eiser] kort na het begin van het verhoor van [getuige 1] de vraag heeft gesteld of [eiser] zijn zwager heeft beschuldigd van moord op diens vader, waarop [getuige 1] heeft geantwoord dat hij dat op papier had staan. Tevens blijkt uit het verslag dat de voorzitter vervolgens heeft meegedeeld dat dit document zou worden gehecht aan het proces-verbaal van die hoorzitting en dat de commissie de vragen stelt. Daaraan heeft de voorzitter van de GCO niet toegevoegd dat de advocaat van [eiser] wel vragen kon stellen via de voorzitter. Evenmin heeft de voorzitter de advocaat van [eiser] gedurende de verhoren gevraagd of deze nog andere vragen wilde laten stellen. [getuige 2] heeft tijdens zijn verhoor meegedeeld dat hij een aantal punten had waarvan hij wilde getuigen. Daarop heeft de voorzitter van de GCO meegedeeld dat een schriftelijke getuigenis veel sterker is dan een mondelinge getuigenis. Hij heeft daarvoor, gelet op de tijd, wel begrip van [getuige 2] gevraagd maar geen instemming van partijen.

4.12. Ter comparitie heeft de advocaat van [eiser] verklaard dat hij zich belemmerd voelde om vragen te stellen aan de door hem meegebrachte getuigen. Gelet op de zojuist weergegeven gang van zaken acht de rechtbank dit gevoel begrijpelijk. Het vindt ook steun in de schriftelijke verklaring van [getuige 2] en [getuige 1] van 18 oktober 2011 (zie 2.22). Volgens hen heeft de GCO het hen nagenoeg onmogelijk gemaakt om mondelinge verklaringen af te leggen. Met name in het geval van [getuige 2] komt dit ook duidelijk tot uitdrukking in het verslag van de hoorzitting. De conclusie luidt dat de advocaat van [eiser] is beperkt in de mogelijkheid om aan de getuigen vragen te (doen) stellen. [eiser] is hierdoor in strijd met artikel 7 van Ordinantie 11 op ontoelaatbare wijze beperkt in zijn recht om zich te verweren tegen de hem betreffende tuchtklachten.

4.13. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de gang van zaken rond deze verhoren in strijd is met de beginselen van hoor en wederhoor en fair trial. [getuige 1] en [getuige 2] zijn in beide klachtenprocedures als getuigen gehoord. Met inachtneming van het bovenstaande is gebondenheid van [eiser] aan de uitspraken 17 en 18 van de GCO in verband met haar wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat artikel 7 van Ordinantie 11 alleen betrekking heeft op de situatie waarin een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd en daarvan in uitspraak 18 geen sprake is, doet aan het voorgaande niet af. Het (doen) horen van getuigen is immers een fundamenteel recht.

Geheimhouding (uitspraak 18)

4.14. Op grond van artikel 13 lid 6 van Ordinantie 11 rust op kerkelijke lichamen en de leden daarvan een geheimhoudingsplicht ten aanzien van al hetgeen ter zake van de levenswandel van een lid van de kerk is behandeld (zie 2.5). Tussen partijen is niet in geschil dat een visitatiecommissie een kerkelijk lichaam vormt in de zin van de HKO. Op de visitatiecommissie rust in beginsel dus een geheimhoudingsplicht met betrekking tot hetgeen zij met [eiser] en zijn echtgenote over de familie van laatstgenoemde heeft besproken tijdens de buitengewone visitatie op 13 oktober 2009.

4.15. [E] is kerkenraadslid van de Hersteld Hervormde Gemeente in [woonplaats], waar [B] predikant is. Het echtpaar [familie 1] is lid van de Hersteld Hervormde Gemeente in [woonplaats], waar [A] predikant is. De GCO heeft ter motivering van de ongegrondverklaring van deze klacht in uitspraak 18 overwogen dat de pastorale bezoeken van [B] en [A] aan [E] en het echtpaar [familie 1] haar niet onbegrijpelijk voorkomen (zie 2.21). Volgens de GCO is het niet ongebruikelijk dat, als in een gesprek dingen worden gezegd over gemeenteleden/kerkenraadsleden die vragen oproepen, die bij die gemeenteleden/kerkenraadsleden aan de orde worden gesteld. Volgens de GCO is dat wat hier heeft plaatsgevonden. Ook heeft zij overwogen dat de visitatoren het recht hadden om wat hen ter ore is gekomen tijdens de buitengewone visitatie in een pastoraal bezoek te bespreken met degenen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Volgens de GCO hebben de visitatoren in dat opzicht hun ambtsgeheim niet geschonden.

4.16. Volgens [eiser] is de visitatiecommissie er om problemen binnen de gemeente weg te nemen en mag zij, als er tijdens een gesprek in het kader van een visitatie iets wordt gezegd over personen binnen de gemeente, met toestemming van [eiser], dit bij de betreffende personen ter sprake brengen. [A] en [B] hebben echter zonder toestemming van [eiser] en zijn echtgenote de vermeende uitlatingen van laatstgenoemde besproken met [E] en het echtpaar [familie 1], allen lid van andere kerkgemeenten dan [woonplaats]. In verband hiermee betoogt [eiser] dat de GCO zijn klacht, inhoudende dat de visitatiecommissie haar ambtsgeheim heeft geschonden (klacht 3.1.b van uitspraak 18) gegrond had moeten verklaren. De Kerk neemt het standpunt in dat er geen sprake is van een geheimhoudingsplicht voor de visitatoren in de absolute zin die [eiser] stelt.

4.17. Tussen kerk en staat bestaat een bijzondere verhouding, welke tot uitdrukking komt in artikel 6 Grondwet, artikel 9 EVRM en artikel 2:2 BW. Kerken en religieuze gemeenschappen nemen daarin een autonome positie in. In verband met de autonome positie van de Kerk kan de rechtbank de inhoud en strekking van de voor kerkelijke lichamen geldende geheimhoudingsplicht slechts marginaal kan toetsen. Uit artikel 1 lid 1 van Ordinantie 11 volgt dat de kerkvisitatie een bijzondere kerkelijke instelling is die onder meer een bemiddelend karakter heeft (zie 2.4). De in die bepaling neergelegde taakstelling van visitatoren, op grond waarvan een visitator de plicht heeft moeilijkheden tussen de kerkleden te onderzoeken, betreft de hele kerkgemeente van de Hersteld Hervormde Kerk en beperkt zich dus niet tot onderdelen daarvan die ook gemeenten worden genoemd, zoals de kerkgemeente [woonplaats]. Deze taakstelling impliceert dat visitatoren problemen die hun zijn toevertrouwd, onder omstandigheden mogen delen met anderen die bij die problemen betrokken zijn. In zoverre is dus sprake van een uitzondering op de geheimhoudingsplicht. De gesprekken van [B] en [A] met [E] en het echtpaar [familie 1] zijn door hen gevoerd in hun hoedanigheid van visitator, met het oog op hun onderzoek naar de problemen tussen [eiser] en zijn echtgenote enerzijds en [E] anderzijds. Gelet op het voorgaande is daarbij geen sprake van schending van hun ambtsgeheim. Dit brengt mee dat gebondenheid van [eiser] aan uitspraak 18 van de GCO in verband met haar inhoud op dit punt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

Overige gronden van [eiser] met betrekking tot de uitspraken van de GCO

4.18. Alle overige door [eiser] aangevoerde gronden voor vernietiging van de uitspraken 17 en 18 van de GCO zijn, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] aan die uitspraken wordt gebonden.

Vernietiging

4.19. Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank de uitspraken 17 en 18 van de GCO vernietigen. Aan de subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair geformuleerde eisen (zie 3.1.1) komt de rechtbank niet toe.

Vervangende uitspraken

4.20. De vorderingen van [eiser], inhoudende dat de rechtbank op grond van het tweede lid van artikel 7:904 BW de in beide klachtenprocedures ingestelde klachten zelf inhoudelijk beoordeelt en daarover beslist, zullen worden afgewezen. De autonome positie van de Kerk brengt mee dat de desbetreffende uitspraken zullen moeten worden vervangen door nieuwe uitspraken van de GCO zelf.

Onrechtmatige daad

4.21. De Kerk betoogt dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Dit verweer slaagt. Na vernietiging zullen de uitspraken 17 en 18 van de GCO moeten worden vervangen door nieuwe uitspraken. Of die vervangende uitspraken een andere uitkomst zullen hebben dan uitspraak 17 (een tuchtrechtelijke vermaning van [eiser]) en/of uitspraak 18 (ongegrondverklaring van alle klachten van [eiser]) is nog ongewis. Daarom kan de rechtbank (nog) niet beoordelen of het onrechtmatig is dat de Kerk [eiser] aan de uitspraken 17 en 18 heeft gehouden en dat zij er geen zorg voor heeft gedragen dat die uitspraken zijn herzien.

4.22. Met betrekking tot de stellingen van [eiser] dat de visitatiecommissie als orgaan van de Kerk onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door schending van het ambtsgeheim en door het vertrouwelijke gebruik van door haar opgedane wetenschap tot het starten van de klachtprocedure voorziet Ordinantie 19 in een kerkrechtelijke procedure die eerst zal moeten worden gevolgd voordat de rechtbank die grondslagen inhoudelijk kan beoordelen. Op grond van Ordinantie 19 moet [eiser] met betrekking tot schade die hij mogelijk heeft geleden door het optreden van de visitatoren zich met een verzoek tot schadevergoeding wenden tot het Breed Moderamen van de classis, dat vervolgens een besluit moet nemen. Tegen dat besluit staan bezwaar en beroep open. Anders dan [eiser] aanvoert, is het niet in strijd met artikel 6 EVRM dat hij nu wordt genoodzaakt om in een nieuwe kerkelijke procedure schadevergoeding te verzoeken. De stelling van [eiser] dat dit nog eens een aantal jaren zal gaan duren is daarvoor onvoldoende, temeer nu de Kerk als gevolg van de bijzondere verhouding tussen kerk en staat een autonome positie inneemt.

Proceskosten

4.23. De Kerk zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- griffierecht 260,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.254,81

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt de uitspraken 17 en 18 van de GCO,

5.2. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad (zie 3.1.2 tot en met 3.1.4),

5.3. veroordeelt de Kerk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.254,81,

5.4. verklaart de in 5.3 uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. R.J. Verschoof en mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.