Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7895

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16-600949-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor heling ondanks vordering O.M. tot vrijspraak en veroordeling wegns winkeldiefstal + toewijzing vord. TUL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600949-10; 16/512487-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouwe mr. L.E. Toet, advocaat te Utrecht, bepaaldelijk gevolmachtigd.

1. Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van de Meervoudige Strafkamer van 4 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

zich in de periode van 13 september 2010 tot en met 22 september 2010 te Utrecht samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de heling van een grote hoeveelheid kleding van het merk [bedrijf 1];

Feit 2:

Op 28 maart 2011 te Nieuwegein een winkeldiefstal heeft gepleegd bij de bouwmarkt [bedrijf 2], waarbij zij twee verfbussen heeft weggenomen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlasteglegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit acht de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs aanwezig. Hij heeft dan ook ten aanzien van dit feit vrijspraak gevorderd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 tenlastegelegde feit. Zij voert aan dat verdachte door haar vriend, de medeverdachte [medeverdachte 1], werd gewekt en dat zij samen in de garage van diens vader, de medeverdachte [medeverdachte 2], zijn gaan kijken en daar de hoeveelheid kleding zagen liggen. Vrijwel direct kwam de politie bij bedoelde garage en werden beiden aangehouden. Deze gang van zaken wordt bevestigd door de medeverdachte [medeverdachte 1]. Gelet op de korte tijdspanne tussen het aantreffen van de kleding in de garage en de komst van de politie is niet aannemelijk te maken dat verdachte wist danwel moest vermoeden dat de kleding van misdrijf afkomstig was.

Nu dit essentiële onderdeel voor een bewezenverklaring ontbreekt, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit:

Op 22 september 2010 is de politie naar het woonwagenkamp aan de [adres] te Utrecht gegaan teneinde [medeverdachte 2] buiten heterdaad aan te houden.

Op genoemde datum rond 06.05 uur stonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voor de betreffende woonwagen. Zij zagen in een schuur/garage naast de woning licht branden. De schuur was middels een rolluik afgesloten. Door kiertjes in het rolluik keken verbalisanten in de schuur en zagen in de schuur een berg kleding liggen. Op die berg kleding stonden twee personen die kleding omhoog hielden om deze te bekijken.

Toen verbalisanten riepen dat zij van de politie waren en dat het rolluik omhoog moest, schrokken deze beide personen opzichtig. Toen het rolluik werd geopend zagen de verbalisanten kleding op de grond vallen. Aan die kleding zat een label bevestigd met daarop het merk [bedrijf 1]. De schuur stond vol met losse kleding en dozen. Ook in die dozen zat kleding welke was voorzien van het label [bedrijf 1].

De personen in de schuur zijn vervolgens aangehouden. Dit bleken verdachte [verdachte] en haar vriend [medeverdachte 1] te zijn.

Op 27 september 2010 heeft [aangever 1] namens de benadeelde [bedrijf 1] aangifte gedaan van diefstal van een grote hoeveelheid kleding van het merk [bedrijf 1]. Hij was door de politie benaderd in verband met de in de garage/schuur van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen partij kleding. [aangever 1] heeft de partij kleding bekeken en herkende deze kleding als afkomstig van de eigen retail van [bedrijf 1] Hij herkende de kleding aan de prijskaartjes die aan de kleding zaten. Ook herkende hij kleding die als samples worden gebruikt aan de bepaalde kaartjes die aan de kleding zaten.

De kleding bleek weggenomen te zijn uit een opslagruimte te Mijdrecht. In de periode 13 tot en met 18 september 2010 is er voor het laatst iemand van [bedrijf 1] in deze opslagruimte geweest en in die periode was en nog geen kleding weggenomen. Op 24 september 2010 bleek aangever [aangever 1] dat een grote hoeveelheid kleding was weggenomen. De waarde van de weggenomen kleding is geschat op 550.000,00 euro.

De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten voor een bewezenverklaring is voldaan.

Verdachte is samen met de medeverdachte haar vriend [medeverdachte 1] aangetroffen in de schuur/garage van diens vader, medeverdachte [medeverdachte 2], boven op de berg gestolen kleding, terwijl zij met enkele kledingstukken in hun handen stonden. Hiermee is het voorhanden hebben van de kleding door verdachte en haar vriend een gegeven. Aan deze kleding zaten labels van het merk [bedrijf 1] en prijskaartjes, waardoor er geen twijfel over kon bestaan dat verdachte wist dat deze kleding van misdrijf afkomstig is.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voor het voorhanden hebben van van misdrijf afkomstige kleding voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De rechtbank begrijpt uit het namens verdachte gevoerde verweer dat zij heeft beoogt te betogen dat het voorhanden hebben van de gestolen kleding haar niet kan worden aangerekend, omdat zij, wakker gemaakt door haar vriend, in de schuur is gaan kijken en toen onverhoeds met de gestolen kleding is geconfronteerd. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu verdachte hetgeen zij ter onderbouwing hiervan heeft gesteld niet aannemelijk heeft gemaakt. Daar komt bij dat ook de medeverdachte [verdachte] niet conform de waarheid heeft verklaard. Van belang daarbij acht de rechtbank de verklaring van verdachte tegenover de politie dat zij geen kleding heeft gezien in de schuur/garage, dit terwijl zij door de verbalisanten is gezien op de berg kleding terwijl zij en verdachte kleding optilden teneinde deze te kunnen bekijken. Deze verklaring is derhalve ongeloofwaardig en is naar het oordeel van de rechtbank afgelegd om de waarheid te verhullen.

Verder heeft de medeverdachte tegen de politie die hem in de berg gestolen kleding aantrof gezegd: “er heeft al iemand naar het politiebureau gebeld voor de kleding ”, terwijl dergelijke meldingen volgens de politie altijd plegen te worden doorgezet naar de meldkamer en uit navraag bij de alarmcentrale gebleken is dat de meldkamer niet van een degelijke melding op de hoogte was. Geconcludeerd kan dan ook worden dat een dergelijk telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden . Daarnaast bleek de roldeur van de schuur waarin verdachte en haar vriend werden aangetroffen op een kier na gesloten te zijn, hetgeen betekent dat verdachte en haar vriend die deur na de schuur te hebben betreden weer moeten hebben gesloten. Dit biedt geen steun aan de verklaring van verdachte dat zij en haar vriend onverhoeds en tegen hun wil gestolen spullen voorhanden hebben gekregen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit:

Op 28 maart 2011 heeft [aangever 2], namens [bedrijf 2], gevestigd aan de [adres] te Nieuwegein, aangifte gedaan van winkeldiefstal van twee verfbussen. Middels camerabeelden was gezien dat verdachte een of meer goederen in haar stopte. Nadat verdachte de kassa voorbij was, is zij buiten aangesproken en bleek dat zij twee verfbussen in haar tas had.

Verdachte heeft bij de politie een bekennende verklaring afgelegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Op 22 september 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid kleding van het merk [bedrijf 1] (waaronder kledingstukken uit de sample collectie) voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde kleding wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2.

Op 28 maart 2011 te Nieuwegein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee verfbussen, toebehorende aan bouwmarkt [bedrijf 2];

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzetheling;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de verdediging is de tijd die verdachte voor beide feiten in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voldoende geweest. De verdediging heeft verzocht verdachte ten aanzien van het onder twee tenlastegelegde feit te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de gezamenlijke duur van het voorarrest voor de beide feiten.

De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In de afgelopen jaren zijn al veel hulpverleningstrajecten opgestart, waarvan een aantal nog lopen. Wanneer verdachte opnieuw gedetineerd zal worden, worden deze trajecten onderbroken en moeten deze daarna weer worden opgestart. Voorts heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat verdachte op dit moment hoogzwanger is en op korte termijn de zorg voor haar kindje zal krijgen. Een hernieuwde vrijheidsstraf zal betekenen dat haar kindje dan haar moeder voor een bepaalde tijd zal moeten missen hetgeen de verdediging onwenselijk voorkomt.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een grote hoeveelheid merkkleding met een geschatte waarde van 550.000,00 euro en winkeldiefstal.

Door het bezit van van misdrijf afkomstige goederen, heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een crimineel circuit, waarin het voor de stelers van die goederen lucratief blijft dergelijke misdrijven te plegen. Immers zorgt verdachte er mede voor dat de daders van dergelijke misdrijven een afzetgebied hebben voor de door hen gestolen waren.

Verdachte brengt hierdoor economische schade toe aan de detailhandel, omdat deze hun legale waren in mindere mate aan de man kunnen brengen.

Winkeldiefstallen zijn een grote plaag voor de detailhandel en leveren financiële schade op voor de betreffende winkeliers.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 20 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte sedert 2006 meerdere malen eerder is veroordeeld ter zake van onder meer vermogensdelicten en overtreding van de Leerplichtwet 1969. Verdachte is voor het laatst veroordeeld door de kantonrechter te Utrecht op 14 januari 2011 wegens overtreding van de Leerplichtwet 1969 tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

De rechtbank heeft gelet op een tweetal rapporten van de Reclassering Nederland van respectievelijk 30 maart 2011 en 29 maart 2012.

Uit het rapport van 30 maart 2011 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, welke echter van ondergeschikt belang lijkt te zijn bij de problemen die zij ervaart. De situatie van verdachte roept wel veel zorg op. Het ontbreekt verdachte aan opleiding, een zinvolle dagbesteding, een steunend sociaal netwerk en inkomsten. Verdachte lijkt weinig gemotiveerd tot het meewerken aan een hulpverleningstraject. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

Uit het rapport van 29 maart 2012 blijkt dat verdachte na het onder 2 bewezenverklaarde feit wederom is aangehouden in verband met winkeldiefstal, en dat zij die tegenover de reclassering heeft bekend. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat bij verdachte in september 2010 de diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken is gesteld, die nauwelijks beïnvloedbaar is ondanks de relatief jonge leeftijd.

Het tot op heden ingezette reclasseringstoezicht heeft vooralsnog onvoldoende effect gesorteerd. Het recidiverisico wordt ook nu nog als hoog ingeschat.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van meer feiten dan de officier van justitie bewezen acht, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Uit de rapportages blijkt immers dat eerder reclasseringsmaatregelen zeer moeizaam zijn verlopen, waarbij zich het beeld opdringt dat verdachte gewoon haar eigen gang gaat en bij herhaling in strafbaar gedrag vervalt. Daar komt bij dat aan verdachte reeds eerder een deels voorwaardelijk strafdeel is opgelegd waarvan thans de vordering tot tenuitvoerlegging voorligt.

De omstandigheid dat verdachte thans hoogzwanger is en op zeer korte termijn zal bevallen is voor de rechtbank geen belemmering om een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van jeugddetentie voor de duur van één maand voorwaardelijk die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Utrecht van 23 november 2009 ten uitvoer zal worden gelegd en zal worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen vervangende jeugddetentie. Dit met name vanwege de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels straf genoeg heeft gehad, nu alleen het onder 2 tenlastegelegde feit tot een bewezenverklaring heeft kunnen komen. Zij verzoekt dan ook de vordering tot tenuitvoerlegging van de bedoelde voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen. De verdediging heeft subsidiair verzocht, ingeval de rechtbank tot een ander oordeel komt, het advies van de reclassering te volgen en de proeftijd met een jaar te verlengen. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de ten uitvoer te leggen jeugddetentie om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat omzetting van de ten uitvoer te leggen jeugddetentie in een werkstraf niet opportuun is, gezien een zich in het dossier bevindende terugmelding van een eerder opgelegde werkstraf.

De rechtbank zal hiertoe dan ook niet beslissen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 47, 57, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzetheling;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van TWEE (2) MAANDEN EN DRIE (3) WEKEN;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 23 november 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/512487-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten jeugddetentie voor de duur van één (1) maand;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en

I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 januari 2012.

Mr. Engbers en mr. Ficq zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.