Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7892

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16-655407-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht terwijl de schuld bij verdachte lag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655407-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1981]

wonende te [woonplaats], [adres]

Raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

Primair:

op 12 februari 2012 opzettelijk heeft gepoogd [aangever 1] en [aangever 2] van het leven te beroven;

Subsidiair:

op 12 februari 2012 [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Meer subsidiair:

op 12 februari 2012 met zijn motorrijtuig door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

2.

op 12 februari 2012 onder invloed van alcohol heeft gereden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair onder 1 ten laste gelegde. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde heeft gepleegd. Het meer subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit levert overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet op.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het arrest van het hof Den Bosch van 10 juli 2009, LJN BJ 4909. Er is bij verdachte geen sprake geweest van opzet, ook niet in de voorwaardelijke zin.

Ten aanzien van het meer subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte daarvan eveneens moet worden vrijgesproken. Dat onderbouwt de raadsman door te stellen dat de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd niet kan worden meegenomen gelet op de Salduz-jurisprudentie. Daarnaast is de raadsman van mening dat het tot vrijspraak moet komen nu niet is komen vast te staan wat de oorzaak is van het ongeval. Hierbij heeft de raadsman verwezen naar het arrest van het hof Arnhem van 18 november 2011, LJN BV 9373.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, is de verdediging van mening dat dit feit bewezen kan worden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer, dan wel op zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is – eveneens met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Dit blijkt uit de het proces-verbaal van bevindingen , de ademanalyse en de verklaring van de verdachte bij de politie . De verdachte heeft zijn bekentenis ter zitting nog bevestigd.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de raadsman gevoerde Salduz-verweer als volgt. De Hoge Raad heeft bepaald, dat, indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Echter, in dit geval is verdachte -die gehoord werd in verband met de verdenking dat hij artikel 6 WVW had overtreden- wel degelijk de mogelijkheid geboden om een advocaat te raadplegen, maar heeft verdachte er eerst voor gekozen deze niet te raadplegen. De politie is daarmee niet in gebreke gebleven. Dat verdachte nadien ook verdacht werd van overtreding van artikel 287 (in verband met artikel 45) van het Wetboek van Strafrecht, doet daar niets aan af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bij deze gang van zaken niet op relevante wijze in zijn belangen is geschaad. Hier komt nog bij dat de strekking van de inhoud van de verklaringen van verdachte in latere verhoren, na raadpleging van een advocaat, niet anders is dan daarvoor. Derhalve zal de rechtbank het verweer van de raadsman verwerpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie , bij de rechter-commissaris en tijdens de terechtzitting van 21 mei 2012 ;

- de verklaring van getuige [aangever 2] ;

- de verklaring van getuige [getuige 1] ;

- de verklaring van getuige [getuige 2] ;

- het proces-verbaal verkeersongevalanalyse ;

- het proces verbaal voertuigenonderzoek ;

- het proces-verbaal van bevindingen ;

- de ademanalyse ;

- de geneeskundige verklaring betreffende [aangever 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos verkeersgedrag. De rechtbank komt hiertoe gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte reed na het drinken van een grote hoeveelheid alcoholische drank met een te hoge snelheid op de A28 in de BMW van zijn vader. In verband met wegwerkzaamheden was op het betreffende stuk autosnelweg een maximale snelheid van 90 km/uur toegestaan. Bij nadering van de afslag Leusden (afslag 7) die verdachte wilde nemen, zag hij een witte Fiat op de rechterrijstrook compleet over het hoofd en klapte hij met de BMW achterop deze auto. Uit de resultaten van de verkeersongevalanalyse valt op te maken dat verdachte niet heeft geremd. Verdachte heeft verklaard dat hij de Fiat eenvoudigweg niet opgemerkt heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat het ongeval een andere oorzaak zou kunnen hebben.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte harder reed dan de maximale toegestane snelheid van 90 km/uur. Dit blijkt uit de verklaring die verdachte heeft afgelegd dat hij rond de 130/140 km/uur zou hebben gereden. Maar ook blijkt uit de verkeersongevalanalyse dat er een groot snelheidsverschil tussen beide auto’s geweest moet zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de Fiat bijzonder rijgedrag heeft vertoond of bijvoorbeeld onverwacht langzaam gereden heeft. Integendeel, getuige [aangever 2] die als bijrijder in de witte Fiat zat, verklaart dat zij 100 km/uur reden. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat de Fiat een ‘normale’ snelheid had en dat het door technisch onderzoek vastgestelde snelheidsverschil met de BMW er toe leidt dat de verdachte aanzienlijk te snel reed op het betreffende stuk op de A28.

Door onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol en met veel te hoge snelheid te rijden heeft verdachte op de koop toegenomen dat hij hierdoor een groot risico veroorzaakte voor de veiligheid van andere weggebruikers maar ook voor zichzelf en de overige inzittenden van zijn auto. De rechtbank merkt dit rijgedrag aan als roekeloos.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

Meer subsidiair

hij op 12 februari 2012 in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de rijksweg A28 in de richting van Amersfoort, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos

-met een snelheid hoger dan de ter plaatse in verband met wegwerkzaamheden aangepaste maximaal toegestane snelheid van 90 kilometer per uur over de rijkssnelweg A28 in de richting van Amersfoort te rijden en

-vervolgens nog steeds met zeer hoge snelheid tegen de achterkant van een personenauto merk Fiat, type Punto, met daarin hierna genoemde [aangever 1] te rijden,

waardoor een ander genaamd [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten

onder meer een gebroken eerste nekwervel en bewustzijnsverlies werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid

van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 12 februari 2012 in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een personenauto merk BWM, type Sedan, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 700 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Eendaadse samenloop

Van eendaadse samenloop is sprake als een feit in meer dan één strafbepaling valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake bij hetgeen onder 1 meer subsidiair en onder 2 is bewezen verklaard.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. meer subsidiair en 2:

Eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering zo frequent als de reclassering dat nodig acht en dat verdachte deelneemt aan een leefstijltraining;

- een werkstraf voor de duur van 240 uren met aftrek;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren met aftrek;

- dadelijke uitvoerbaarheid van het vonnis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit en met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich niet uitgelaten over de strafoplegging.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag. Hij heeft midden in de nacht met (veel) meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol op en met een te hoge snelheid over de A28 gereden. Zingend met zijn passagiers en beneveld door de drank waren zijn opmerkzaamheid en zijn reactiesnelheid sterk verminderd. Hij wilde de afslag Leusden nemen en heeft daarbij een auto op de rechterrijbaan volledig over het hoofd gezien en deze met een groot snelheidsverschil vol van achteren geraakt. Dit leidde tot zwaar lichamelijk letsel bij de bestuurder van de auto. De passagier kwam er zonder letsel uit. Het is een groot geluk dat deze, maar ook zijn eigen passagiers, er zo goed van af zijn gekomen.

De oriëntatiepunten van het LOVS geven in geval van roekeloos rijgedrag waardoor een aanrijding met dergelijke gevolgen ontstaat, als oriëntatiepunt voor een passende straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een jaar ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan ten voordele van verdachte af te wijken, gelet op de navolgende omstandigheden.

Allereerst heeft verdachte zich zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting open en verantwoordelijk opgesteld. Hij heeft inzicht getoond in zijn gevaarlijke verkeersgedrag en heeft laten blijken de ernst ervan in te zien. Direct na het ongeval heeft hij zijn schuld bekend en hij heeft zijn medeleven getoond naar het slachtoffer toe door hem kort na het ongeval een brief te sturen. Ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat verdachte oprecht gekweld wordt door gevoelens van schuld.

Daar komt bij dat verdachte zelf via zijn huisarts hulp heeft gezocht en daardoor reeds onder psychologische behandeling staat en daarnaast neemt verdachte deel aan een leefstijltraining. Dit blijkt ook uit het rapport van Reclassering Nederland van 23 april 2012.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat er geen aanwijzingen zijn voor blijvend (zwaar) lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank nog mee dat verdachte met alcohol op achter het stuur is gaan zitten, terwijl hij een gewaarschuwd man was. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 april 2012 blijkt namelijk dat verdachte in 2010 eerder een transactie heeft betaald voor overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ondanks dat hij met een persoon had afgesproken dat deze niet zou drinken en zou terugrijden, toch zelf is gaan rijden nu bleek dat deze ‘Bob’ niet goed overweg kon met de auto. Verdachte had een andere keuze moeten maken.

De rechtbank zal gelet op deze omstandigheden geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

De rechtbank zal – in tegenstelling tot de eis van de officier van justitie – geen dadelijke uitvoerbaarheid opleggen, nu deze mogelijkheid pas in werking is getreden per 1 april 2012 en de betreffende wetswijziging geen gunstiger bepaling voor verdachte betreft.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1.

Meer subsidiair:

Eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich binnen drie dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland (Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht). Hierna moet hij zich gedurende de proeftijd melden zo frequent als Reclassering Nederland dit nodig acht;

- dat de veroordeelde moet deelnemen aan een leefstijltraining;

- met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde op de naleving van de voorwaarden toezicht te houden.

- veroordeelt de verdachte voorts tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 juni 2012.