Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7873

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16-711886-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met bedreiging met geweld in vereniging. Overweging ten aanzien van het moment waarop het slchtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Rol van verdachte van belang bij strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711886-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Iran),

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. J.J. Stobbe, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen [aangever 1] van zijn vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden.

Feit 2: samen met anderen door gebruikmaking van geweld dan wel bedreiging met geweld [aangever 1] heeft afgeperst en, samen met anderen door gebruikmaking van geweld dan wel bedreiging met geweld een pinpas van [aangever 1] heeft gestolen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsvrouwe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Ter zake van feit 1:

Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en de medeverdachten. Van een tevoren afgestemd handelen blijkt niet in het dossier.

De verklaringen van de medeverdachten zijn onbetrouwbaar. Zij hebben er belang bij de schuld in de schoenen van verdachte te schuiven. Ook de verklaringen van aangever [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) zijn onbetrouwbaar, daar hij zichzelf op bepaalde punten tegenspreekt.

De feitelijke handelingen, zoals opgenomen op de tenlastelegging, kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [aangever 1], de medeverdachten en de ontkennende proceshouding van verdachte.

Ter zake van feit 2:

Feit 2 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte ontkent (bedreiging met) geweld jegens [aangever 1] en het toe-eigenen van de pinpas van [aangever 1]. Ook kan het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen worden. Van enige samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachte blijkt niet in het dossier.

De feitelijke handelingen, zoals opgenomen op de tenlastelegging, kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [aangever 1], de medeverdachten en de ontkennende proceshouding van verdachte.

De verdediging is van oordeel dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1. De verklaringen van aangever en de medeverdachten

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de verklaringen die aangever [aangever 1] bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) hebben afgelegd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaringen van [aangever 1] als volgt:

De verdediging heeft aangegeven dat de verklaringen van [aangever 1] op bepaalde punten niet worden ondersteund door andere stukken in het dossier en daardoor onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaringen van [aangever 1] inderdaad op sommige punten tegenstrijdigheden bevatten, maar ook op verschillende punten naadloos aansluiten bij andere bewijsmiddelen in het dossier, met name bij de verklaringen die verdachte en diens medeverdachten hebben afgelegd. Op die onderdelen acht de rechtbank de verklaringen van [aangever 1] dan ook betrouwbaar. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de verklaringen van [aangever 1] in zijn geheel van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank zal voor het bewijs enkel gebruik maken van de verklaringen van [aangever 1] voor zover deze verklaringen aansluiten bij andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]:

De verdediging heeft aangegeven dat de verklaringen van de medeverdachten onbetrouwbaar zijn, omdat zij er belang bij hebben de schuld op verdachte af te schuiven. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten te twijfelen. Om die reden acht de rechtbank het verweer van verdachte dat hij niet aanwezig is geweest in de woning van [aangever 1] en later in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] niet aannemelijk.

4.3.2. De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 1 en feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 23 oktober 2011 bij de woning van aangever [aangever 1] is geweest. In de woning werd [aangever 1] bedreigd. Zo heeft [aangever 1] verklaard dat tegen hem, door de Marokkaanse jongen (de rechtbank begrijpt verdachte) werd gezegd ‘het liefst snij ik nu je keel door en ook je ballen’. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat door hemzelf en de andere aanwezigen in de woning dreigementen zijn geuit jegens [aangever 1]. [aangever 1] hoorde dat medeverdachte [medeverdachte 2] tegen hem zei dat ‘hij me het liefst mee wilde nemen een bos in om mij daar te lynchen’. Door verdachte werd een mes tegen het gezicht van [aangever 1] gedrukt, en werden de woorden gezegd ‘als je zo doorgaat, maken we je af’. Ook dreigde verdachte het oor van [aangever 1] af te knippen met een schaar. [medeverdachte 3] pakte de schaar van verdachte af. Verdachte pakte de portemonnee van [aangever 1]. De pinpas van [aangever 1] viel eruit. Verdachte pakte de pinpas op en gaf deze aan medeverdachte [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 1] is hierop samen met medeverdachte [medeverdachte 3] met de pinpas van [aangever 1] naar de bank gegaan om te kijken of er geld op de rekening van [aangever 1] stond. Ook werd de woning van [aangever 1] overhoop gehaald en doorzocht op waardevolle spullen.

Aangever [aangever 1] werd meegenomen in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1]. In de auto zaten, naast verdachte en [aangever 1], ook [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [aangever 1] zat op de achterbank tussen verdachte en [medeverdachte 2] in. Verdachte had een arm om de nek van [aangever 1] heengeslagen. Ze gingen naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 3], gelegen aan de [adres]. Daar moest [aangever 1] op een stoel gaan zitten en werd er tape om zijn gezicht gedaan.

4.3.3. Aanvullende bewijsoverweging

De wederrechtelijke vrijheidsberoving

De rechtbank stelt vast dat vrijheidsberoving op meerdere manieren plaats kan vinden. Van opsluiting hoeft geen sprake te zijn. Zo kunnen in de situatie dat het slachtoffer in een niet afgesloten ruimte verblijft, overige handelingen ertoe leiden dat wel sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hierbij kan gedacht worden aan het uiten van bedreigingen of het voortdurend in de nabijheid van het slachtoffer verblijven, zodat het slachtoffer belemmerd wordt de woning en/of auto te verlaten.

De rechtbank acht het voorts van belang stil te staan bij de vraag of en vanaf welk moment [aangever 1] van zijn vrijheid is beroofd. Op grond van het bewijs is de rechtbank niet tot de overtuiging gekomen dat verdachte, samen met zijn medeverdachten, op het moment dat zij bij de woning van [aangever 1] aankwamen al het opzet hadden [aangever 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven. In de tijd dat verdachte en de medeverdachten in de woning van [aangever 1] waren en bleek dat hij weer geen geld had om de medeverdachten terug te betalen, is naar het oordeel van de rechtbank het plan ontstaan [aangever 1] mee te nemen naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 3]. [aangever 1] in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] plaats moest nemen, werd [aangever 1] in zijn eigen woning door verdachte bedreigd. Vervolgens moest [aangever 1] mee naar de auto en tussen verdachte en medeverachte [medeverdachte 2] op de achterbank van de auto gaan zitten, waarbij verdachte zijn arm om de nek van [aangever 1] heen sloeg, kennelijk met als enige doel [aangever 1] in zijn bewegingsvrijheid te beperken. Vervolgens is [aangever 1] meegenomen de woning in van medeverdachte [medeverdachte 3]. In deze woning moest [aangever 1] op een stoel gaan zitten en werd er tape op zijn gezicht geplakt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, vanaf het moment dat verdachte samen met de medeverdachten en [aangever 1] de woning van [aangever 1] verliet, deze [aangever 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden.

Het medeplegen

Door de raadsman is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen. Verdachte heeft geen opzet gehad op de aan hem ten laste gelegde feiten. Voorts bestond er geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. Er waren geen onderlinge afspraken/taakverdeling gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met zijn medeverdachten [aangever 1] heeft opgezocht in zijn woning. In de woning van [aangever 1] hebben verdachte en de medeverdachten [aangever 1] bedreigd. Op enig moment is de pinpas in het bezit van medeverdachte [medeverdachte 1] gekomen en is zijn samen met medeverdachte [medeverdachte 3] met deze pas naar de bank gereden om daar geld van de rekening van [aangever 1] op te nemen. Nadat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] terug waren gekomen van de bank, heeft verdachte samen met zijn medeverdachten en [aangever 1] de woning van deze [aangever 1] verlaten om vervolgens met zijn allen in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] te stappen en daarmee naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] te rijden. Verdachte zat met [aangever 1] op de achterbank en had zijn arm om de nek van deze [aangever 1] geslagen. Aangekomen bij de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] is verdachte tezamen met de medeverdachten en aangever [aangever 1] deze woning binnengegaan. In de woning heeft verdachte [aangever 1] bedreigd met een schaar. [aangever 1] is gedwongen op een stoel te gaan zitten en er is plakband over de mond van [aangever 1] was geplakt.

Gelet op bovenstaande omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen verdachte en zijn medeverdachten. Verdachte heeft een substantieel aandeel geleverd aan het geheel. Zo heeft verdachte plaats genomen naast [aangever 1] in de auto en zijn arm om zijn nek geslagen. Verdachte is meegegaan naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 3]. In de woning van [medeverdachte 3] heeft verdachte [aangever 1] bedreigd. Verdachte heeft door zijn aanwezigheid de groep getalsmatig versterkt en heeft feitelijk actief bijgedragen aan het in stand houden van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 1] door hem mee te nemen en te bedreigen.

De rechtbank overweegt nog dat voor een veroordeling voor het tezamen en in vereniging plegen van diefstal met bedreiging met geweld, zoals onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd, niet vereist is dat verdachte zelf heeft gedreigd met geweld, dan wel de pinpas feitelijk in zijn bezit heeft gehad.

Voorts merkt de rechtbank op dat de feitelijkheden die zich in de woning van [aangever 1] hebben afgespeeld, voorafgaande aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, voor de kwalificatie van het onder feit 1 tenlastegelegde niet mee dienen te wegen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat sprake is van medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, voor zover dat ziet op de feitelijkheden die onder gedachtestreepje 4 tot en met 6 in de tenlastelegging zijn opgenomen. Van de feitelijkheden die onder gedachtestreepje 1 tot en met 3 en 7 en 8 in de tenlastelegging zijn opgenomen, zal de rechtbank verdachte, waar het gaat om wederrechtelijke vrijheidsberoving, vrijspreken. Voor de diefstal van de pinpas spreekt de rechtbank verdachte vrij van de feitelijkheden die in de tenlastelegging zijn opgenomen onder gedachtestreepje 4 tot en met 7 en 10 en 11. De daaronder opgenomen feitelijkheden hebben zich voorgedaan nadat de pinpas is gestolen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 23 oktober 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- die [aangever 1] gedwongen plaats te nemen in een auto en

- die [aangever 1] in die auto meegenomen naar de woning gelegen aan de [adres]

65B en

- die [aangever 1] in die woning op een stoel geplaatst en

- tape bevestigd op het gezicht van die [aangever 1].

2.

op 23 oktober 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas van [aangever 1], toebehorende aan die [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte en/of zijn mededaders

- die [aangever 1] hebben opgezocht in diens woning en tegen die [aangever 1] hebben gezegd dat als hij niet snel zou betalen zijn keel en ballen zouden worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- die [aangever 1] hebben bedreigd met een mes, en

- de woning van die [aangever 1] hebben doorzocht en overhoop gehaald en

- met een schaar een knippende beweging in de nabijheid van het oor, van die

[aangever 1] hebben gemaakt en daarbij hebben gezegd dat het oor van die [aangever 1] zou worden afgeknipt, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- tegen die [aangever 1] hebben gezegd dat zij hem het liefste mee zouden nemen naar een bos om hem daar te lynchen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroofd houden.

Feit 2: Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte gedurende 1 jaar wordt verboden contact te leggen met [aangever 1].

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integraal vrijspraak bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit een geheel voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. Verdachte is getrouwd, heeft een kind en werk. Er hoeft niet gevreesd te worden voor herhaling.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is met zijn medeverdachten meegegaan naar de woning van [aangever 1]. De medeverdachten hadden een financieel geschil met [aangever 1] en hoopten erop het door hun uitgeleende geld van [aangever 1] terug te krijgen. Eenmaal in de woning, en nadat bleek dat [aangever 1] de medeverdachten niet terug zou betalen, hebben verdachte en zijn medeverdachten het recht in eigen handen genomen. Zo heeft verdachte [aangever 1] bedreigd met een mes en een schaar. Op enig moment is [aangever 1] door verdachte en zijn mededaders meegenomen naar een andere woning, alwaar [aangever 1] op een stoel werd gezet, zijn mond werd afgeplakt met tape en zowel woordelijk als met een schaar werd bedreigd. [aangever 1] werd op die manier gedwongen een oplossing te bedenken hoe hij het geleende geldbedrag aan de medeverdachten kon terugbetalen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door op een dergelijke wijze te handelen slachtoffers angstig worden en hiervan op de lange termijn de nodige nadelige gevolgen van kunnen ondervinden.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij als buitenstaander, zonder dat hij geld van het slachtoffer tegoed had, actief deel heeft genomen aan de bewezen verklaarde strafbare feiten. Verdachte had geen enkele reden om zich te mengen in het financiële geschil tussen zijn mededaders en [aangever 1], toch heeft hij ervoor gekozen deze [aangever 1] te bedreigen en ervoor zorg te dragen dat deze [aangever 1] in zijn vrijheid werd beperkt. Hiermee houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte op 3 mei 2010 door de politierechter te Zutphen is veroordeeld wegens mishandeling. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsadvies, opgemaakt door D. van den Hazen d.d. 2 november 2011, waarin staat dat geen indicatie kan worden gegeven over de kans op recidive, omdat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten ontkent.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden is. Voorts ziet de rechtbank, gelet op de ernst de feiten, aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroofd houden.

Feit 2: Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 (tweehonderd) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Voorlopige hechtenis

- Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 mei 2012.