Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7866

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16/655464-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor handel in merkvervalste schoenen en medeplegen van witwassen. Overweging aangaande het medeplegen. Pseudokoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655464-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander bedrog met een handelsnaam of handelsmerk heeft gepleegd;

feit 2: samen met een ander van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

3 De voorvragen

De rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 Partiële nietigheid

De rechtbank heeft vastgesteld dat de tekst van de tenlastelegging van feit 2 onvolledig is ten aanzien van de in die tekst genoemde geldbedragen. In het tweede deel van de tekst wordt slechts verwezen naar een eerder in die tekst genoemd voorwerp zodat in het deel van de tenlastelegging waarin verdachte de criminele herkomst van een voorwerp wordt verweten niet duidelijk is welk voorwerp wordt bedoeld. Gelet op deze onduidelijkheid in de tekst van de tenlastelegging zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van de in feit 2 genoemde geldbedragen partieel nietig verklaren.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan haar ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de BMW en de inkomsten van haar partner, medeverdachte [medeverdachte]. Volgens de raadsvrouw is verdachte niet op de hoogte van de financiële situatie van medeverdachte [medeverdachte]. Het feit dat verdachte een affectieve relatie heeft met medeverdachte [medeverdachte] en met hem samenwoonde, is volgens de raadsvrouw onvoldoende om te kunnen aannemen dat verdachte op de hoogte was van de herkomst van het geld of van de BMW.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van het medeplegen van witwassen nu niet is voldaan aan het daarvoor geldende vereiste van een nauwe en bewuste samenwerking. Er zijn door verdachte geen uitvoeringshandelingen gepleegd. Ook heeft verdachte niet op andere wijze een significante bijdrage aan het witwassen geleverd.

Het enkele profiteren is voor een bewezenverklaring van witwassen eveneens onvoldoende, aldus de raadsvrouw. Bovendien zou van het profiteren geen sprake zijn, nu verdachte niet eenmaal naast medeverdachte [medeverdachte] in de BMW is gezien. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van feit 2.

Ten aanzien van feit 1 op de tenlastelegging heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Inleiding

In de periode van oktober 2011 tot en met januari 2012 komt bij de politie Utrecht diverse keren CIE-informatie binnen. In deze CIE-informatie wordt [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) genoemd als iemand die al gedurende jaren valse merkkleding verkoopt. Hij zou onder meer namaaklaarzen van het merk UGG verkopen. De kleding zou via de website Marktplaats te koop worden aangeboden. Op basis van deze CIE-informatie wordt een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de betrokkenheid van [medeverdachte] bij de handel in valse merkkleding en schoenen.

4.3.2 Ten aanzien van feit 1

Er is onderzoek gedaan naar een telefoonnummer dat in de hierboven bedoelde CIE-informatie wordt genoemd. Dit telefoonnummer zou toebehoren aan medeverdachte [medeverdachte]. Het telefoonnummer is in verband gebracht met advertenties op de website Marktplaats. In die advertenties worden partijen laarzen van het merk UGG te koop aangeboden. De prijzen waartegen de laarzen op de website Marktplaats werden aangeboden lagen ver onder de gebruikelijke verkoopwaarde van laarzen van dat merk.

Op 1 februari 2012 heeft een pseudokoop plaatsgevonden. Medewerkers van de politie Utrecht hebben contact opgenomen met de persoon die de laarzen via de website Marktplaats te koop heeft aangeboden. De persoon aan de telefoon heeft zich afwisselend Jeroen en Michel genoemd. Het afhaaladres voor de bestelde laarzen is [adres] te [woonplaats]. Ten aanzien van dit adres heeft de rechtbank vastgesteld dat dit het woonadres van verdachte betreft.

De levering van de laarzen is op 1 februari 2012 gedaan door een vrouw. Deze vrouw heeft aan de politieambtenaren die zich voordeden als kopers laten zien op welke wijze de plaatjes met de merknaam UGG achter op de laarzen konden worden bevestigd. Nadat de vrouw de laarzen, vier paar in totaal, bij de auto van de politieambtenaren heeft gezet, is zij aangehouden.

Deze vrouw, die [verdachte] (verder: verdachte) blijkt te zijn genaamd, is de vriendin van medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] wonen samen, met zijn ouders, op hetzelfde adres.

Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats] zijn 155 paar laarzen, 96 plaatjes met daarop de merknaam UGG en een hoeveelheid dozen met daarop de merknaam UGG aangetroffen.

Een controleur van SNB-React heeft vastgesteld dat het bij 36 paar van de in beslag genomen laarzen gaat om vervalsingen van het beschermde merk UGG. Ook de 96 merkplaatjes waren valselijk voorzien van het merk UGG. De laarzen zijn vervalsingen van de producten van het benadeelde merk omdat de gebruikte materialen van inferieure kwaliteit zijn, er onjuiste labels zijn gebruikt en omdat er sprake is van een gebrekkige afwerking van de producten. Het is onomstotelijk vast komen te staan dat de aangetroffen producten niet door, in opdracht van of met toestemming van de rechthebbende op het merk zijn vervaardigd, hier te lande zijn ingevoerd of in het handelsverkeer zijn gebracht.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook voor dit feit veroordelen.

4.3.3 Ten aanzien van feit 2

De BMW

In de periode van 11 mei 2011 tot en met 23 december 2011 heeft medeverdachte [medeverdachte] een BMW met kenteken [kenteken] op zijn naam gehad. Vanaf 6 januari 2012 is medeverdachte [medeverdachte] veelvuldig gezien in een BMW met kenteken [kenteken]. Deze auto staat sinds 23 december 2011 op naam van [vader verdachte], de vader van medeverdachte [medeverdachte]. De waarde van deze auto wordt geschat op 18.000 euro.

Uit onderzoek bij autobedrijf Vaarland is gebleken dat de BMW met kenteken [kenteken] is verkocht aan [medeverdachte]. De aankoopprijs van 16.900 euro is contant voldaan.

Getuige [vader verdachte] heeft verklaard dat zijn zoon (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) de BMW heeft gekocht van zijn eigen geld. Getuige [vader verdachte] heeft voorts verklaard dat zijn zoon altijd met een ‘tiet geld op zak loopt’. Getuige [vader verdachte] weet niet hoe zijn zoon aan dit geld komt.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij is begonnen met de handel in merkvervalste kleding en schoenen om in het levensonderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien.

Medeplegen van witwassen

In zijn arrest van 28 september 2004, LJN: AP2124, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat op grond van het doel en de strekking van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010, LJN: BM0787 dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een geldbedrag "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank stelt op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen en overwegingen vast dat de BMW met geld van medeverdachte [medeverdachte] is aangeschaft en derhalve is gefinancierd met inkomsten die mede afkomstig zijn van enig misdrijf.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is, of verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat de geldbedragen waarover medeverdachte [medeverdachte] kon beschikken en waarmee hij de aankoop van de BMW heeft gefinancierd onmiddellijk of middellijk afkomstig waren van enig misdrijf.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] in het recente verleden, in 2010 en in 2011, is aangehouden en in verzekering gesteld ter zake van soortgelijke feiten als onder 1 ten laste is gelegd (de handel in merkvervalste schoenen en kleding). Medeverdachte [medeverdachte] heeft dientengevolge meerdere malen gedetineerd gezeten. Verdachte was hiervan op de hoogte.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij herhaling verklaard dat hij heeft gehandeld in merkvervalste kleding en schoeisel om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien.

Verdachte heeft op 1 februari 2012 aan de agenten die zich voordeden als kopers van laarzen laten zien op welke wijze de plaatjes met de merknaam UGG op de achterkant van de laars konden worden bevestigd. Ten slotte blijkt uit het dossier dat in de woning van medeverdachte [medeverdachte] en verdachte talloze dozen met daarin laarzen en merkplaatjes zijn aangetroffen. De rechtbank acht het om die reden niet aannemelijk dat verdachte niet op de hoogte was van het handelen van medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank stelt op de grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte profijt heeft gehad van het handelen van medeverdachte [medeverdachte].

Pleegperiode

Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte Van Dopperen de BMW op 23 december 2011 heeft aangeschaft. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het medeplegen van witwassen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 december 2011.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de BMW. Nu het naar het oordeel van de rechtbank gaat om één geval van witwassen, zal zij verdachte vrijspreken van het impliciet primair ten laste gelegde gewoontewitwassen. Dat het witwassen zich over een periode van enkele maanden heeft uitgestrekt, doet daaraan niet af.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 1 februari 2012 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk valse of wederrechtelijk vervaardigde merken te weten

vier paar laarzen (merk UGG) en acht valse merkplaatjes van het merk UGG, heeft

verkocht, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd en in voorraad heeft gehad;

2.

in de periode van 23 december 2011 tot en met 2 februari 2011 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een personenauto (merk BMW met een cataloguswaarde van 18.000 euro), gebruik heeft gemaakt terwijl zij en haar mededader wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben.

Feit 2: medeplegen van witwassen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsvrouw kan worden volstaan met het opleggen van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een passieve rol heeft vervuld in het geheel. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft. Verdachte heeft de zorg voor haar zoon en zij is onlangs begonnen met een opleiding tot nagelstyliste en kapster. Ten slotte heeft de raadsvrouw vermeld dat verdachte op vrijwillige basis gesprekken voert met een maatschappelijk werkster. Gelet hierop vormt naar de mening van de raadsvrouw een werkstraf een voldoende passende reactie .

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in valse merkkleding en het medeplegen van witwassen.

Niet alleen wordt met valse merkkleding de rechthebbenden van de intellectuele eigendomsrechten op deze waren, schade toegebracht, maar tevens wordt bonafide bedrijven die wel aan hun verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ondergeschikte rol die verdachte heeft vervuld bij het plegen van deze strafbare feiten. Daar staat tegenover dat verdachte het handelen van medeverdachte [medeverdachte] heeft toegestaan en daarvan heeft geprofiteerd.

De rechtbank heeft voorts gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 april 2012 van verdachte waaruit volgt dat verdachte éénmaal eerder, ter zake van het plegen van een winkeldiefstal, is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 40 uren voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 337 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben;

feit 2: medeplegen van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juni 2012.