Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7852

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16-712106-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor handel in merkvervalste schoenen en kleding en het medeplegen van witwassen. Pseudokoop. Verweer m.b.t. de rechtmatigheid van het beslag verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712106-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te PI Utrecht – Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, Nieuwegein,

raadsvrouw mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander bedrog met een handelsnaam of handelsmerk heeft gepleegd en daarvan zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt;

feit 2: samen met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

feit 3: samen met een ander bedrog met een handelsnaam of handelsmerk heeft gepleegd en daarvan zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt;

feit 4: bedrog met een handelsnaam of handelsmerk heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 Partiële nietigheid

De rechtbank heeft vastgesteld dat de tekst van de tenlastelegging van feit 2 onvolledig is ten aanzien van de in die tekst genoemde geldbedragen. In het tweede deel van de tekst wordt slechts verwezen naar een eerder in die tekst genoemd voorwerp zodat in het deel van de tenlastelegging waarin verdachte de criminele herkomst van een voorwerp wordt verweten niet duidelijk is welk voorwerp wordt bedoeld. Gelet op deze onduidelijkheid in de tekst van de tenlastelegging zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van de in feit 2 genoemde geldbedragen partieel nietig verklaren.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2 (medeplegen van gewoontewitwassen) heeft de officier van justitie opgemerkt dat zij uitgaat van een kortere pleegperiode dan is ten laste gelegd. De officier van justitie heeft aansluiting gezocht bij de pleegdatum van feit 4 op de tenlastelegging zodat de officier van justitie ten aanzien van feit 2 uitgaat van een pleegperiode van

10 november 2010 tot en met 2 februari 2012.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten zoals ten laste gelegd onder 1, 2 en 3.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat tot een bewezenverklaring van feit 1 kan worden gekomen met dien verstande dat van een kortere pleegperiode – vanaf december 2011 tot en met 2 februari 2012 – dient te worden uitgegaan.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte had de beschikking over spaargelden en over inkomsten uit legale arbeid die hij in het verleden heeft verricht. Daarnaast heeft verdachte met legale handel, zoals speelgoed, op de markt gestaan. De BMW als bedoeld in feit 2 is door verdachte met zijn spaargeld bekostigd. Ten slotte heeft de raadsvrouw met betrekking tot feit 2 opgemerkt dat geen exact bedrag kan worden vastgesteld dat door verdachte zou zijn witgewassen. De raadsvrouw concludeert aldus dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het feit 3 op de tenlastelegging heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het beslag in die zaak onrechtmatig is gelegd. Om die reden dient het beslag in die zaak als vervallen te worden beschouwd, zodat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert – enkel de verklaring van verdachte – om tot een bewezenverklaring van dat feit te kunnen komen. Naar het oordeel van de raadsvrouw dient verdachte van feit 3 te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over het ten laste gelegde feit onder 4.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Inleiding

In de periode van oktober 2011 tot en met januari 2012 komt bij de politie Utrecht diverse keren CIE-informatie binnen. In deze CIE-informatie wordt [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) genoemd als iemand die al gedurende jaren valse merkkleding verkoopt. Hij zou ondermeer namaak laarzen van het merk UGG verkopen. De kleding zou via de website Marktplaats te koop worden aangeboden. Op basis van deze CIE-informatie wordt een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de betrokkenheid van [verdachte] (verder: verdachte) bij de handel in valse merkkleding en schoenen.

4.3.2 Ten aanzien van feit 1

Er is onderzoek gedaan naar een telefoonnummer dat in de hierboven bedoelde CIE-informatie wordt genoemd. Dit telefoonnummer zou toebehoren aan verdachte. Het telefoonnummer is in verband gebracht met advertenties op de website Marktplaats. In die advertenties worden partijen laarzen van het merk UGG te koop aangeboden. De prijzen waartegen de laarzen op de website Marktplaats werden aangeboden lagen ver onder de gebruikelijke verkoopwaarde van laarzen van dat merk.

Op 1 februari 2012 heeft er een pseudokoop plaatsgevonden. Medewerkers van de politie Utrecht hebben contact opgenomen met de persoon die de laarzen via de website Marktplaats te koop heeft aangeboden. De persoon aan de telefoon heeft zich afwisselend Jeroen en Michel genoemd. Het afhaaladres voor de bestelde laarzen is [adres] te [woonplaats]. Ten aanzien van dit adres heeft de rechtbank vastgesteld dat dit het woonadres van verdachte betreft.

De levering van de laarzen is op 1 februari 2012 gedaan door een vrouw. Deze vrouw heeft aan de politieambtenaren die zich voordeden als kopers laten zien op welke wijze de plaatjes met de merknaam UGG achter op de laarzen konden worden bevestigd. Nadat de vrouw de laarzen bij de auto van de politieambtenaren heeft gezet, is zij aangehouden. Deze vrouw, die [medeverdachte 1] (verder: medeverdachte) blijkt te zijn genaamd, is de vriendin van verdachte en woont met hem en zijn ouders op hetzelfde adres.

Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats] zijn 155 paar laarzen, 96 plaatjes met daarop de merknaam UGG en een hoeveelheid dozen met daarop de merknaam UGG aangetroffen.

Een controleur van SNB-React heeft vastgesteld dat het bij 36 paar van de in beslag genomen laarzen gaat om vervalsingen van het beschermde merk UGG. Ook de 96 merkplaatjes waren valselijk voorzien van het merk UGG. De laarzen zijn vervalsingen van de producten van het benadeelde merk omdat de gebruikte materialen van inferieure kwaliteit zijn, er onjuiste labels zijn gebruikt en omdat er sprake is van een gebrekkige afwerking van de producten. Het is onomstotelijk vast komen te staan dat de aangetroffen producten niet door, in opdracht van of met toestemming van de rechthebbende op het merk zijn vervaardigd, hier te lande zijn ingevoerd of in het handelsverkeer zijn gebracht.

Getuige [getuige 1] heeft op 9 februari 2012 verklaard dat zijn zoon tien weken eerder is begonnen met de UGGs.

Vanaf het IP-adres dat toebehoort aan het adres [adres] in [woonplaats] zijn in de periode van 24 mei 2011 tot en met 30 januari 2012 diverse partijen merkkleding en UGGs aangeboden via advertenties op de website Marktplaats.

Pleegperiode

Op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich gedurende een langere periode heeft beziggehouden met de handel in merkvervalste UGGs. De rechtbank zal het verweer, strekkend tot vrijspraak voor een deel van de ten laste gelegde periode, dan ook verwerpen.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij 36 paar laarzen in zijn bezit had met daarop een plaatje met het logo van UGG. Verdachte heeft verklaard dat hij deze laarzen op de zwarte markt in Beverwijk heeft gekocht. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij weet dat op de zwarte markt veelvuldig in nepartikelen wordt gehandeld. Ten aanzien van de merkplaatjes heeft verdachte verklaard dat hij die heeft gekregen bij een andere partij laarzen die hij op de zwarte markt heeft gekocht zodat de klant ervoor kon kiezen om het merkplaatje op de laarzen te bevestigen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wist dat de UGGs nep waren.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook voor dit feit veroordelen.

4.3.3 Ten aanzien van feit 2

De BMW

In de periode van 11 mei 2011 tot en met 23 december 2011 heeft verdachte een BMW met kenteken [kenteken] op zijn naam gehad. Vanaf 6 januari 2012 is verdachte veelvuldig gezien in een BMW met kenteken [kenteken]. Deze auto staat sinds 23 december 2011 op naam van [getuige 1], de vader van verdachte. De waarde van deze auto wordt geschat op 18.000 euro.

Uit onderzoek bij autobedrijf Vaarland is gebleken dat de BMW met kenteken [kenteken] is verkocht aan [verdachte]. De aankoopprijs van 16.900 euro is contant voldaan.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zijn zoon de BMW heeft gekocht van zijn eigen geld. Getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat zijn zoon altijd met een ‘tiet geld op zak loopt’. Getuige [getuige 1] weet niet hoe zijn zoon aan dit geld komt.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij is begonnen met de handel in merkvervalste kleding en schoenen om in het levensonderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het geld waarmee hij deze uitgave heeft

gedaan afkomstig is van de periode dat hij in dienst was van supermarkt Super de Boer van zijn twaalfde tot zijn zeventiende. Een deel van die periode zou hij als fulltimer in dienst zijn geweest. Voorts is het geld, volgens verdachte, afkomstig van de verkoop van de inboedel van zijn bedrijf dat hij tot zijn twintigste heeft gehad. Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij geld heeft verdiend als ZZP-er in de bouw, dat hij weinig kosten heeft omdat hij bij zijn ouders woont en dat de kosten voor het levensonderhoud van zijn zoon niet hoog zijn. Verdachte heeft ook verklaard dat hij het bedrag van 16.900 euro waarmee hij de BMW heeft betaald thuis had liggen en dat dit was bestemd voor de aanschaf van een eigen woning.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring zoals ter terechtzitting door verdachte is afgelegd niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt daartoe dat in de ten laste gelegde periode niet is gebleken van legaal verworven inkomsten van de verdachte die een verklaring kunnen zijn voor het voorhanden hebben van de BMW. Evenmin is gebleken van legaal verworven inkomsten uit de daaraan voorafgaande jaren. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij een bedrijf heeft verkocht, maar dat hij van die verkoop niets op papier heeft. Verdachte heeft voorts gesteld dat hij met legale handel (speelgoed) op de markt heeft gestaan. Verdachte heeft hiervan geen boekhouding of administratie bijgehouden. Evenmin is uit de bankgegevens van verdachte gebleken van inkomsten uit de handel in speelgoed. De inkomsten die mogelijk met de handel op de markt werden gegenereerd, zijn voor de belastingdienst verzwegen. Nu een aannemelijke verklaring is uitgebleven, is de rechtbank mede gelet op de overige inhoud van het strafdossier, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de BMW middellijk of onmiddellijk, van misdrijf afkomstig was en dat verdachte en zijn medeverdachte hiervan op de hoogte waren.

Pleegperiode

Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de BMW op 23 december 2011 heeft aangeschaft. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het medeplegen van witwassen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 december 2011.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de BMW. Nu het naar het oordeel van de rechtbank gaat om één geval van witwassen, zal zij verdachte vrijspreken van het impliciet primair ten laste gelegde gewoontewitwassen. Dat het witwassen zich over een periode van enkele maanden heeft uitgestrekt, doet daaraan niet af.

4.3.4 Ten aanzien van feit 3

Op 11 juli 2011 is de politie naar aanleiding van een melding ter plaatse gegaan op het adres [adres] in IJsselstein. Volgens de meldster zouden er in de loods die is gevestigd op dat adres trainingspakken en schoenen worden verkocht. De politie heeft gezien dat zich op dat moment drie personen in de loods bevonden. Eén van hen wordt herkend als [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). De twee anderen blijken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te zijn genaamd. In de loods zijn kleding en schoenen uitgestald op winkelrekken. Op de rekken zijn bordjes gehangen met daarop de prijzen van de aangeboden goederen. De aanwezigen in de loods kunnen geen aankoopbewijs van de goederen tonen of een vergunning. Daarop zijn alle goederen in de loods in beslag genomen.

De partij in beslag genomen goederen bestaat uit: 244 paar schoenen, 332 T-shirts, 573 joggingpakken en 18 joggingjasjes, alle voorzien van het merk Adidas, 64 stuks ondergoed voorzien van het merk Björn Borg, 115 paar schoenen voorzien van het merk Botticelli, 16 paar slippers voorzien van het merk D&G, 22 paar slippers voorzien van het merk Gucci, 22 paar schoenen voorzien van het merk Nike, 7 paar schoenen voorzien van het merk Louis Vuitton en 48 paar laarzen voorzien van het merk UGG.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij deze loods sinds 15 juni 2011 heeft verhuurd aan [verdachte]. De loods is gehuurd om kleding en schoeisel te kunnen opslaan. Getuige [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat hij kleding en schoeisel inkocht en dat kopers hun bestelling bij de loods kwamen ophalen.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij vanuit de loods kleding verkocht die via de website Marktplaats is aangeschaft.

Verdachte heeft op 19 juli 2011 bij de politie verklaard dat hij de loods anderhalve maand heeft gehad. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij sinds hij de loods heeft, is begonnen met de handel in valse merkkleding.

Een controleur van SNB-React heeft vastgesteld dat het bij de goederen en schoenen die op 11 juli 2011 in de loods in beslag zijn genomen, gaat om vervalsingen van de producten van de genoemde beschermde merken op grond van de inferieure kwaliteit van de gebruikte materialen, de onjuiste labels en de gebrekkige afwerking van de producten. Het is onomstotelijk vast komen te staan dat de aangetroffen producten niet door, in opdracht van of met toestemming van de rechthebbende op het merk zijn vervaardigd, hier te lande zijn ingevoerd of in het handelsverkeer zijn gebracht.

Onrechtmatigheid van de inbeslagneming

Naar het oordeel van de raadsvrouw is de inbeslagname van de goederen in de loods onrechtmatig. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de grond voor inbeslagname was gelegen in een verdenking van heling. Korte tijd na de inbeslagname is duidelijk geworden dat het ging om het in voorraad hebben van merkvervalste goederen, zodat naar het oordeel van de raadsvrouw geen sprake kan zijn van een inbeslagname die is bedoeld om redelijkerwijs te kunnen bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid ter zake van het strafbare feit waarvan de verdenking bestaat.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de inbeslagneming van de goederen op het moment waarop deze zich voltrok op rechtmatige wijze is geschied. Dat op enig moment, gelegen na de inbeslagname, sprake is van een andere verdenking dan op het moment waarop de inbeslagname zich voltrok, doet hieraan niets af. De goederen in de loods zijn in beslag genomen met het oog op waarheidsvinding. Aan de vereisten als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering was op het moment van inbeslagname voldaan.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook voor dit feit veroordelen.

4.3.5 Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- de aangifte van SNB-React van merkvervalsing namens het beschermde merk Nike;

- het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het aantreffen van schoenendozen in de auto van verdachte;

- het geschrift inhoudende de kennisgeving van inbeslagneming van 264 paar schoenen van het merk Nike.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 22 november 2011 tot en met 2 februari 2012 te [woonplaats]

tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

a. valse of wederrechtelijk vervaardigde merken en

b. waren, die zelf en op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had,

te weten,

- 96 valse merkplaatjes van het merk "UGG" en

- 36 stuks schoeisel voorzien een vals merkplaatje met het merk "UGG" en

- een hoeveelheid verpakkingsdozen voorzien van het merk "UGG"

heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd en in

voorraad heeft gehad, zulks terwijl verdachte en zijn mededader van het plegen van dit misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;

2.

in de periode van 23 december 2011 tot en met 2 februari 2012 in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten

een personenauto (merk BMW met een cataloguswaarde van 18.000 euro) voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3. (parketnummer 650245-12)

in de periode van 15 juni 2011 tot en met 11 juli 2011 te IJsselstein

tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk

a. valse of wederrechtelijk vervaardigde merken of

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had of

c. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe

afwijking, was nagebootst, te weten:

- 244 schoenen en 332 T-shirts en 573 joggingpakken en 18 jogging jasjes

telkens valselijk voorzien van het merk Adidas en

- 64 stuks ondergoed valselijk voorzien van het merk Björn Borg en

- 115 paar schoenen valselijk voorzien van het merk Botticelli en

- 16 paar slippers valselijk voorzien van het merk D&G en

- 22 paar slippers valselijk voorzien van het merk Gucci en

- 22 paar schoenen valselijk voorzien van het merk Nike en

- 7 paar schoenen valselijk voorzien van het merk Louis Vuitton en

- 48 paar laarzen valselijk voorzien van het merk UGG,

telkens heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd en in

voorraad heeft gehad, zulks terwijl verdachte en zijn mededaders

van het plegen van dit misdrijf hun beroep hebben gemaakt en het

plegen van deze misdrijven als bedrijf hebben uitgeoefend;

4. (parketnummer 655593-12)

op 10 november 2010 te Reeuwijk opzettelijk valse of wederrechtelijk vervaardigde merken en waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had en

waren waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een

merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking,

was nagebootst, te weten 264 paar schoenen voorzien van het merk: Nike Air Max heeft doorgevoerd en in voorraad heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, uitdelen, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.

Feit 2:

medeplegen van witwassen.

Feit 3:

medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

opzettelijk waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.

Feit 4:

opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben;

en

opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft in voorraad hebben;

en

opzettelijk waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking is nagebootst, in voorraad hebben.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, aan een meldingsgebod, deelneemt aan de CoVa+ training en zich onder behandeling stelt bij Kade 17 of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling. Een en ander zoals geformuleerd in het adviesrapport van 16 mei 2012 van A. ten Brinke, reclasseringswerker.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte geen vervalser is, maar een handelaar. Het is van belang dat verdachte in de toekomst zijn draai zal weten te vinden in het legale handelscircuit. De eis van de officier van justitie levert daaraan geen constructieve bijdrage en zou verdachte alleen maar verder in de problemen brengen. De raadsvrouw wijst verder op een passage in het reclasseringsrapport van 16 mei 2012 waaruit blijkt dat verdachte van ver is gekomen en dat het huidige delict zijn ‘oude’ delictpatroon lijkt te doorbreken. Naar het oordeel van de raadsvrouw kan worden volstaan met het opleggen van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De raadsvrouw wijst daartoe op enkele veroordelingen voor soortgelijke zaken, in welke gevallen werd volstaan met het opleggen van een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) de handel in valse merkkleding en het medeplegen van witwassen.

Niet alleen wordt met de handel in valse merkkleding de rechthebbenden van de intellectuele eigendomsrechten, schade toegebracht, maar tevens wordt bonafide bedrijven die wel aan hun verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan.

Verdachte heeft bij zijn handelen slechts oog gehad voor eigen geldelijk gewin. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op:

- het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 17 april 2012;

- het over verdachte opgemaakte rapport van de reclassering van 16 mei 2012.

Verdachte is reeds vele malen eerder voor het plegen van strafbare feiten veroordeeld. Eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit het reclasseringsrapport van 16 mei 2012 volgt dat verdachte gemotiveerd is om begeleid te worden door de reclassering. Verdachte heeft aangegeven dat hij wil starten met een verbetering in en van zijn leven. Verdachte wil niet meer met politie en justitie in aanraking komen; hij wil zijn leven op zodanige wijze inrichten dat hij meer thuis kan zijn bij zijn kind. De rapporteur van de reclassering acht daarvoor noodzakelijk dat verdachte de Cova+ training volgt en dat hij een ambulante behandeling ondergaat. Beide interventies moeten vooral zijn gericht op de probleemgebieden financiën en de houding van verdachte.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een ruimere bewezenverklaring dan de rechtbank. De rechtbank zal dan ook een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten vier maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering, zoals voorgesteld in het rapport van 16 mei 2012, mogelijk.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een voldoende passende strafrechtelijke reactie op de bewezenverklaarde feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57, 63, 337 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, uitdelen, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.

feit 2:

medeplegen van witwassen.

feit 3:

medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken verkopen, te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd

en

opzettelijk waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf las bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.

feit 4:

opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben;

en

opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft in voorraad hebben;

en

opzettelijk waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking is nagebootst, in voorraad hebben.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering;

* dat verdachte zich binnen twee weken volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis moet melden bij de Reclassering van het Leger des Heils op het adres Zeehaenkade 30 te Utrecht en daarna zo dikwijls en zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht;

* dat verdachte wordt verplicht om deel te nemen aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheidstraining+ (CoVa+);

* dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen bij Kade 17 of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk wordt aan de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juni 2012.

Mr. I.M. Vanwersch is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.