Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7846

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
16/655423-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van één maand, om te zetten naar een gevangenisstraf voor de duur van één maand, wegens het plegen van een auto-inbraak. Verdachte was ten tijde van het begaan van het delict minderjarig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655423-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 17 januari 2010 in Utrecht, al dan niet samen met een ander, goederen van [slachtoffer 3] heeft gestolen uit diens auto.

Feit 2 primair: op 25 september 2009 in Nieuwegein, goederen van [slachtoffer 1] heeft weggenomen uit haar auto en daarbij deze [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

Feit 2 subsidiair: op 25 september 2009 in Nieuwegein goederen van [slachtoffer 1] heeft weggenomen uit haar auto.

Feit 3: op 21 september 2006 in Utrecht goederen van [slachtoffer 2] heeft weggenomen uit dienst auto.

In de dagvaarding worden aan verdachte onder 1 tot en met 3 feiten ten laste gelegd, die deels gepleegd zijn voor het tijdstip waarop hij de leeftijd van achttien jaar had bereikt en deels daarna. De rechtbank leest de tenlastelegging dan ook aldus dat aan verdachte (als minderjarige) onder feit 3 wordt ten laste gelegd dat verdachte op 21 september 2006 in Utrecht goederen van [slachtoffer 2] heeft weggenomen uit diens auto. Voor het overige leest de rechtbank de tenlastelegging als zijnde gepleegd in de periode dat verdachte meerderjarig was. In een separaat vonnis zal de rechtbank ten aanzien van de na zijn achttiende jaar ten laste gelegde feiten haar oordeel geven. De rechtbank zal in onderhavig vonnis ten aanzien van het voor zijn achttiende jaar ten laste gelegde feit vonnis wijzen en daarbij het bepaalde in het eerste boek, Titel VIII A, van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

3 De voorvragen

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank niet bevoegd is van feit 3 kennis te nemen. Verdachte had op de betreffende pleegdatum de leeftijd van 18 jaren nog niet bereikt en was dus nog minderjarig. Zodoende dient feit 3 behandeld te worden door de Kinderrechter. Verdachte is echter gedagvaard voor de meervoudige strafkamer. Om die reden is de dagvaarding, voor zover deze ziet op feit 3, nietig aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat nu verdachte niet is gedagvaard voor de Kinderrechter en thans is verschenen voor de meervoudige strafkamer, de rechtbank zichzelf onbevoegd dient te verklaren met betrekking tot hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank op grond van hetgeen is bepaald in artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit artikel 495, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de behandeling van een strafzaak tegen een jeugdige geschiedt door de meervoudige kamer. Vervolgens staat in artikel 495, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dat aan de zaken welke voor een meervoudige kamer van de rechtbank worden vervolgd een kinderrechter aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Verdachte is immers opgeroepen te verschijnen voor de meervoudige strafkamer, welke kamer op grond van artikel 495, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegd is de zaak te behandelen. Daarbij is de voorzitter van de meervoudige kamer tevens kinderrechter, zodat ook aan het vereiste van artikel 495, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.

Voorts heeft de rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Het feit waarvan verdachte verdacht wordt is een auto-inbraak. De tas die uit de betreffende auto weg is genomen is later teruggevonden en op de portemonnee in de tas is een bloedspoor aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profielcluster van verdachte. Dit is echter geen direct daderspoor dat erop wijst dat verdachte deze tas ook daadwerkelijk uit de auto heeft weggenomen. Er bestaat geen enkele relatie tussen verdachte en de plaats delict. Er zou hoogstens sprake kunnen zijn van heling, maar dit is niet ten laste gelegde. Verdachte dient van hetgeen aan hem ten laste is gelegd vrij te worden gesproken. Alles aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.

4.3.1 De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Aangever [slachtoffer 2] (hierna: aangever) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 21 september 2006 omstreeks 19:25 uur zijn auto van het merk Toyota in Utrecht heeft geparkeerd. Hij liet de auto afgesloten en onbeschadigd achter. Omstreeks 21:15 uur kwam aangever terug bij zijn auto en zag dat de achterruit aan de bijrijderszijde vernield was. Zijn dokterstas was weggenomen. In de tas zaten diverse pillen, medische instrumenten, een lidmaatschapskaart en een tweetal kentekenbewijzen.

Tijdens sporenonderzoek aan tas waarvan door aangever aangifte was gedaan werd een operatiehandschoen met daarop een bloedspoor aangetroffen. Hiervan is een monster genomen. Dit monster is gewaarmerkt met DNA-zegel DRA246. Het hieruit verkregen DNA-profiel matcht met het DNA-profielcluster 13204 dat hoort bij een referentiemonster van het wangslijmvlies van verdachte. De kans dat het aangetroffen spoor, gewaarmerkt met nummer DRA246#01 afkomstig is van een willekeurig persoon is kleiner dan één op één miljard.

4.3.2 Aanvullende bewijsoverweging

Door de raadsman is aangevoerd dat het aangetroffen DNA-materiaal geen daderspoor is, nu hiermee niet kan worden vastgesteld dat verdachte ook daadwerkelijk de persoon is geweest die de inbraak in de auto heeft gepleegd.

De rechtbank oordeelt anders. Uit de aangifte van aangever volgt dat een ruit van zijn auto is ingeslagen en dat zijn dokterstas met inhoud is weggenomen. Vervolgens is op een operatiehandschoen in de weggenomen dokterstas van aangever een bloedspoor aangetroffen dat overeenkomst met het DNA-clusterprofiel van verdachte. Verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe zijn bloed op de operatiehandschoen van aangever terecht is gekomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de dader bij het vernielen van de ruit van de auto van aangever letsel heeft opgelopen en dat zodoende zijn bloed heeft achtergelaten op de weggenomen goederen, in dit geval de operatiehandschoen.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op omstreeks 21 september 2006 heeft ingebroken in de auto van aangever en daarbij zijn dokterstas heeft weggenomen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 21 september 2006 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto Toyota heeft weggenomen een dokterstas met daarin onder meer diverse pillen en medische instrumenten en lidmaatschapskaart en kentekenbewijs, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door een ruit van voornoemde personenauto te vernielen.

Overigens heeft verdachte ter terechtzitting geen andere persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 3: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand, om te zetten naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit het aan verdachte ten laste gelegde feit uit 2006 stamt. Ook heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte gedurende de periode dat hij in zijn proeftijd zit geen strafbare feiten meer heeft gepleegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een auto-inbraak gepleegd en daarbij een dokterstas met inhoud weggenomen.

Een dergelijk feit brengt aanzienlijke schade mee voor de benadeelde. Zo wordt de benadeelde geconfronteerd met het verlies van waardevolle goederen en in dit specifieke geval met het verlies van onder meer medicatie voor patiënten die dit nodig hebben. Voorts moeten benadeelden over het algemeen zelf opdraaien voor de kosten die verbonden zijn aan het herstel van de aangebrachte (ruit)schade. Verdachte heeft kennelijk geen moment stil gestaan bij de hinder, overlast en financiële schade die de benadeelde partij van zijn handelen ondervindt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 april 2012, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen met justitie in aanraking is geweest voor onder andere diefstal door middel van braak. Zo is verdachte op 25 juni 2010 door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren wegens opzetheling, zakkenrollerij en diefstal uit een auto.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een beknopt Reclasseringsadvies d.d. 16 mei 2012, waarin staat verdachte niet mee heeft willen werken met de Reclassering. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat zijn weigerachtigheid gelegen was in het feit dat hij kort voor zijn arrestatie en op eigen initiatief hulp had gezocht bij Altrecht en in de veronderstelling verkeerde dat hij vanuit Altrecht geholpen zou worden. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte ook daadwerkelijk onder begeleiding van Altrecht staat.

Overigens heeft verdachte ter terechtzitting geen andere persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat onderhavig strafbaar feit dateert uit 2006. Ten tijde van het plegen van dit delict was verdachte minderjarig.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77i, 77k en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 3: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 (één) maand, om te zetten naar een gevangenisstraf van 1 (één) maand,

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Voorlopige hechtenis

- Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juni 2012.