Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7729

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
16/711354-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn voormalig leidinggevende op ernstige wijze belaagd en daarnaast hennep geteeld en een busje pepperspray voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711354-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

postadres: Postbus 52, [woonplaats]

raadsman mr. P.R. de Korte, advocaat te Veenendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is eerder behandeld op de terechtzittingen van 30 augustus 2011 en 7 december 2011. Op beide zittingen is de zaak aangehouden.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

in de periode van 1 december 2009 tot en met 12 oktober 2010 [benadeelde 1] en een andere medewerker van het bedrijf Mediq heeft gestalkt;

2.

in de periode van 1 november 2009 tot en met 12 oktober 2010 door het plaatsen van advertenties en oproepen op het internet de eer en goede naam van [benadeelde 2] heeft aangerand;

3.

in de periode van 1 november 2009 tot en met 12 oktober 2010 busjes pepperspray heeft overgedragen;

4.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 in [woonplaats] opzettelijk 24 hennepplanten heeft geteeld en bewerkt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

1e

De raadsman heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde stalking een klachtdelict betreft en dat een klacht binnen drie maanden na de aangifte dient te worden gedaan. De aangifte is ondertekend op 24 februari 2010. Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2010 blijkt dat de aangever [benadeelde 1] op die datum nog geen klachtenformulier had ondertekend en dat op dat moment ook niet mogelijk was in verband met een verblijf in het buitenland van de aangever. Aangever zou bij terugkomst het klachtenformulier alsnog ondertekenen. Door de aangever is op 15 juni 2010 klacht gedaan en heeft hij het terzake opgemaakte proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie ondertekend.

De verdediging is van mening dat de klacht te laat is gedaan en dat om die reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer volgt.

Het bedoelde onder 1. tenlastegelegde feit betreft een klachtdelict. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien er wel aangifte is gedaan maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging is gedaan het bestaan van een klacht kan worden aangenomen indien wordt vastgesteld dat de aangever de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en gelet op de volgende stukken stelt de rechtbank het volgende vast:

Op 10 februari 2010 heeft aangever aangifte tegen verdachte gedaan en daarin aangegeven dat zijn gezin de gevolgen van het voortdurende handelen van verdachte niet veel langer meer volhoudt. Op 15 juni 2010 heeft aangever een (niet ondertekende) klacht opgestuurd naar de politie. Op 31 augustus 2010 ontvangt de politie een verslag van aangever waarin de gevolgen van de dan nog steeds voortdurende stalking worden omschreven. Op 21 oktober 2010 heeft aangever andermaal aangifte tegen verdachte gedaan (terzake van smaad en laster). Aangever heeft zich in april 2011 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering/ vorderingen ingediend. Op 22 september 2011 is een schriftelijke slachtofferverklaring van aangever opgesteld en aan het dossier toe gevoegd, waaruit blijkt dat aangever op 22 september 2011 nog steeds de negatieve gevolgen ervaart van de stalking door verdachte.

Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat aangever steeds de bedoeling heeft gehad dat verdachte zou worden vervolgd. De rechtbank acht het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging.

2e

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek.

a. Ten eerste is er volgens de raadsman sprake van uitlokking door de politie om van verdachte een bekennende verklaring te krijgen. De raadsman onderbouwt dit verweer als volgt. Op advies van de politie heeft de aangever een e-mail gestuurd aan verdachte waarin hij een bedrag van 5000 euro aanbood met de voorwaarde dat verdachte zou stoppen met stalken. Verdachte is niet ingegaan op dit aanbod omdat hij dan in zijn ogen zou bekennen dat hij de aangever stalkte. De verdediging is van mening dat de politie de initiatiefnemer was van bedoelde e-mail, dat aangever hierin is aangestuurd door de politie en dat dit was bedoeld om een bekennende verklaring van verdachte te krijgen. Dit levert een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a WvSv op en dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

b. Uit het dossier (pagina 167) blijkt dat een privé-detective die door het bedrijf van aangever was ingeschakeld NAW-gegevens van verdachte heeft aangeleverd aan de politie. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op dat in de strafmaat tot uitdrukking moet komen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verweren als volgt.

Ad a. Aangever probeerde, reeds vóórdat hij aangifte deed, de identiteit van zijn anonieme stalker/bedreiger te achterhalen en komt uit op verdachte. Aangever legt -zo blijkt uit de latere aangifte- kennelijk een relatie tussen het beëindigen van het dienstverband van verdachte bij Mediq en de niet betaalde declaratie enerzijds en anderzijds het stalken en bedreigen van aangever. Aangever is en blijft na de beëindiging van het dienstverband met verdachte in gesprek over (met name) de declaratie die verdachte stelt nog te hebben bij Mediq. Zo mailt aangever op 20 januari 2010 twee keer naar verdachte dat hij met verdachte over de (vermeende) declaratie in gesprek wil. Op 10 februari 2010 doet aangever aangifte van diverse strafbare feiten en geeft daarbij aan dat hij vermoedt dat verdachte er achter zit. Aangever heeft last van deze feiten en hij wil dat het stopt.

Op 23 februari 2010 stuurt aangever een mail naar verdachte met het voorstel om het door verdachte gedeclareerde bedrag deels te betalen (aangever noemt een bedrag van € 5.000) op voorwaarde dat verdachte stopt met de stalking en bedreigingen. Op dezelfde datum stuurt aangever de mail door naar de politie, met het begeleidend bericht ‘Zoals vanmiddag telefonisch besproken en afgesproken bijgaand de e-mail aan Rob’. (De rechtbank merkt op dat de aangever ook na 23 februari 2010 rechtstreeks mails doorzendt naar de politie, mails die hij van zijn stalker/bedreiger ontvangt en de antwoorden van aangever daarop.) Ook blijkt uit dat berichtje dat aangever met de mail beoogt verdachte uit te dagen zich bloot te geven.

Nergens blijkt echter uit het dossier dat de politie dit mailcontact heeft geïnitieerd en geregisseerd. Nergens blijkt dat dit een opzet van de politie was om verdachte tot een indirecte bekentenis te verleiden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is van enig vormverzuim en het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Ad b. Het stond aangever en diens werkgever vrij om een onderzoeksbureau dan wel privé-detective in te schakelen. Daarna is tevens aangifte gedaan en is de politie met een opsporingsonderzoek gestart. Kennelijk heeft die detective op verzoek van aangever de door hem (detective) verkregen NAW-gegevens van verdachte aan de politie verstrekt. Niet wordt gesteld, noch is gebleken dat de politie deze privé-detective opdrachten heeft gegeven. Het enkele vertrekken van zelfstandig verkregen gegevens is niet in strijd met de wet en levert geen vormverzuim op. Ook dit verweer wordt verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 tenastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit op de aangifte van [benadeelde 1], de bij de aangifte behorende e-mailberichten en de verklaring van verdachte. Voorts wijst de officier van justitie op het feit dat alle stalking jegens [benadeelde 1] is gestopt op het moment dat verdachte is aangehouden.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van huiszoeking en de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie acht het onder 2. tenlastegelegde feit niet te bewezen en vraagt de rechtbank verdachte daarvan vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Naar de mening van de verdediging dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte goederen op naam van aangever heeft besteld, welke goederen aan aangever werden geleverd. Nu het leveren van goederen op het adres van aangever het meest lijkt te zijn voorgekomen en dit deel van de tenlastelegging naar de mening van de verdediging dient te vervallen, is er geen sprake meer van stelselmatigheid. Van dit deel van de tenlastelegging dient verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Ook van het op naam van verdachte afsluiten van abonnementen dient verdachte te worden vrijgesproken. Het abonnement op de leesmap is op het laatste moment niet doorgegaan, omdat verdachte geen rekeningnummer waarvan het abonnementsgeld moest worden afgeschreven, kon opgeven en hij daarom afzag van het afsluiten van dit abonnement. Voor het afsluiten door verdachte van een abonnement bij de ANWB zijn naar de mening van de raadsman onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier. Het tijdstip waarop verdachte de ANWB-site bezocht ligt bovendien ná het moment waarop het abonnement werd afgesloten.

Verdachte heeft geen handelingen verricht op naam van de aangever en ook van dit deel van de tenlastelegging dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Verdachte heeft bekend dat hij twaalf advertenties op het internet heeft geplaatst met daarin de contactgegevens van de aangever en hij heeft één keer een abonnement aangevraagd, maar heeft dit, zoals hiervoor al gezegd, niet doorgezet.

De raadsman is van mening dat op grond van het vorenstaande niet gesproken kan worden van enige stelselmatigheid en dat stalking dan ook niet bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman betoogd dat verdachte voor wat betreft het voorhanden hebben van de busjes ‘pepperspray’ te goeder trouw was omdat hij niet wist dat dit verboden was. Voorts stelt de raadsman dat de inhoud van de busjes niet is onderzocht en stelt dat het concentraat niet strafbaar is. Vervolgens heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

Net als de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. In het dossier is onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

De rechtbank zal verdachte dan ook van feit 2 vrijspreken.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van feit 1

In februari 2009 heeft aangever (destijds leidinggevende bij Mediq) verdachte (destijds ICT-medewerker van Mediq) geschorst uit zijn functie. Na een slepende schikkingsprocedure komt een beëindigings-overeenkomst tussen Mediq en verdachte tot stand, waarbij wordt overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen en een beëindigingsvergoeding aan verdachte uit te keren. Beide partijen verklaren na naleving van de overeenkomst over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben (finale kwijting) .

Op 17 november 2009 ontvangt aangever van verdachte een declaratie van ruim zevenduizend euro betreffende computerapparatuur en juridische kosten. Aangever wijst betaling van deze declaratie af, onder verwijzing naar de beëindigingsovereenkomst.

Vanaf half december 2009 werd aangever veelvuldig gebeld door onbekende personen. Het bleek aangever dat vele advertenties tegelijk werden geplaatst op verschillende internetsites zoals onder meer Marktplaats, Marktplaze en Speurders.nl. De mensen die belden reageerden op advertenties, waarin goedkoop laptops en iPods werden aangeboden en waarin het zakelijke mobiele nummer van aangever was vermeld. Ook kwamen vaak mensen bij hem aan de deur die op deze advertenties reageerden. Aangever heeft deze advertenties niet geplaatst, wist niets van deze advertenties af en handelde ook niet in laptops en iPods. Aangever voelde zich door het vele gebeld worden genoodzaakt om zijn mobiele nummer te wijzigen en kondigde aan dat in een e-mail bericht op 13 januari 2010 aan verdachte . Direct daarna wordt zijn vaste telefoonnummer (privé) thuis in de advertenties genoemd. Ook blijken er via internet voortdurend en bij herhaling grote hoeveelheden goederen, abonnementen en diensten te worden besteld op naam van aangever en bij hem thuis afgeleverd/ bezorgd. Aangever weet echter niets van deze bestellingen. Hierdoor ontstaan er betalingsverplichtingen van aangever aan derden voor goederen die hij niet heeft besteld. Het laten verwijderen van de advertenties van de sites kostte aangever veel tijd en inspanning en binnen enkele uren na het verwijderen werden weer nieuwe advertenties op zijn naam geplaatst. Op 13 januari 2010 werd aangever gebeld door verdachte. Verdachte was boos en eiste op agressieve wijze zijn geld anders zou hij verdere stappen ondernemen.

Op 24 februari 2010 heeft aangever, op dat moment nog steeds directeur van de ICT-afdeling bij het bedrijf Mediq, aangifte gedaan en zijn vermoeden geuit dat verdachte de dader was. Op 15 juni 2010 heeft aangever schriftelijk klacht gedaan waarmee hij verzoekt tot vervolging van verdachte. Hoewel de klacht niet door aangever is ondertekend heeft de rechtbank (hierboven onder 3. sub 1e) vastgesteld dat aangever de bedoeling heeft gehad dat verdachte zou worden vervolgd. Op 21 oktober 2010 heeft aangever opnieuw aangifte gedaan en een aanvullende verklaring afgelegd .

Aangever heeft een account aangemaakt op naam van verdachte: ‘robkemp@live.nl.’

Op 23 december 2010 om 18.23 uur stuurt aangever vanaf dit adres een eerste en laatste bericht naar verdachte, met als onderwerp; ‘Een goede en laatste raad!’. Aangever maakt zich in dit bericht niet bekend en schrijft anoniem: Woonboten kunnen zinken Honden kunnen ernstig ziek worden Vriendinnen kunnen lastig gevallen worden via speurders.nl Internet Pharmacy bedrijven kunnen besmet raken Zakenrelaties kunnen hele vreemde verhalen horen Op straat kun je zo maar de verkeerde tegenkomen’ . Verdachte antwoord dezelfde dag om 19.27 uur ‘Ik weet niet wie je bent en waarom je me lastig valt (…)’. Verdachte heeft al snel het vermoeden dat degene die de berichten verzend aangever moet zijn en om 19.49 uur schrijft verdachte vervolgens naar de anonieme afzender ‘(…) Als jij bent wie ik denk dat je bent dan zullen je kinderen een vreselijke tijd tegemoet gaan. Kom je verplichtingen na LUL!!!!!’ en om 20.49 uur: ‘Hallo daar ben ik weer!!!!!!!!!!!! Waar blijf je nou zit op je te wachten om je schedel te doorboren. Niet zo slim hoor om mail te sturen met IP 62.140.137.8 Wat ben je toch een domme gans. LUL!!!!!!!!!!’.

Op 24 december 2009 mailt verdachte: ‘Hallo Rob, Wie van je kinderen moet er als eerste worden geïnjecteerd? Als je binnen een week geen antwoord geeft zal mijn hulpje er zelf een uitkiezen. Het gaat heel snel zonder dat het opvalt in de drukte. Langzaam zal het kind zieker en zieker worden…….. Doe je job en red je gezin. (…)’ Tenslotte, op 24 december 2009 om 23.12 uur: ‘Hoi Rob Ha, ik weet in ieder geval wie je bent maar dat hou ik nog even stil. Jullie moeten wel even de OWA van Mediq beveiligen want ik kom nog steeds bij alle mailboxen (…)’.

Er is op twitter een account aangemaakt op naam van aangever. Aangever heeft dit niet gedaan. Vervolgens is op 29 juni 2010 op naam van aangever een tweet aangemaakt onder de naam ‘[X]’ met de volgende tekst: ‘Circa 100 Mediq Apotheken hebben bij verzekeraar Uvit dure medicijnen gedeclareerd, terwijl ze hun klanten goedkopere geleverd hebben.” Dit bericht is niet door aangever geplaatst.

Op 10 maart 2010 wordt vanaf het werk e-mail adres van aangever een mail naar het mailadres van verdachte gezonden met daarin het bericht dat de declaratie van verdachte uiteindelijk door Mediq is goedgekeurd en dat er tot betaling zal worden overgegaan. Het bericht wordt als volgt afgesloten: ‘Kind regards / Met vriendelijke groet, [benadeelde 1].’ Aangever heeft dit bericht niet verzonden.

Uit onderzoek is gebleken dat er op naam van aangever maar niet door aangever, via verschillende proxy-servers over de hele wereld, abonnementen waren aangegaan en/of goederen waren besteld bij ondermeer de ANWB, AD, Telegraaf, Elle, VT-wonen, Veronica, en KEK-mamm, OXXIO, Warchild, Kijkshop, KNMV, Vogelbescherming en ECI.

Op 11 augustus 2010 ontvangt aangever een factuur van de ANWB voor een ANWB-lidmaatschap ingaande op 10 augustus 2010. Aangever heeft dit lidmaatschap niet aangevraagd. Het lidmaatschap is aangevraagd op 10 augustus 2010 om 20.31.04 uur via internet. Uit de internettap blijkt dat verdachte op 10 augustus 2010 de site van de ANWB bezocht heeft.

Omdat de advertenties en e-mailberichten via een zogeheten proxy-server of open proxy zijn verzonden, kon de identiteit (het IP-adres) van degene die de advertenties plaatste en de berichten verstuurde niet worden vastgesteld. Verdachte maakte veel gebruik maakte van het softwareprogramma ‘Teamviewer’. Indien van dat programma gebruik wordt gemaakt kan niet worden gezien welke sites bezocht worden, bovendien worden dan alle data versleuteld. Ook heeft verdachte gebruik gemaakt van de ‘anonieme Proxy’ .

Uit onderzoek van gegevensdragers die bij verdachte in beslag zijn genomen blijkt dat door verdachte veelvuldig op Google gezocht wordt op de persoonlijke gegevens van aangever. Op een van de gegevensdragers van verdachte worden de gegevens aangetroffen van ‘[benadeelde 1] ‘ te [vestigingsplaats]. Dit blijkt de eerste [benadeelde 1] te zijn die gevonden wordt indien op de naam van aangever ([benadeelde 1]) wordt gezocht op Google. Het betreft een bedrijf dat op internet staat vermeld met daarbij het rekeningnummer [rekeningnummer]. Dit zelfde rekeningnummer werd veelvuldig gebruikt door degene die abonnementen en lidmaatschappen op naam van aangever aanvroeg/afsloot. Van dit rekeningnummer werden veelvuldig bedragen geïncasseerd door de verschillende bedrijven, echter ook weer teruggestort wanneer aangever aangaf niet degene te zijn die de abonnementen en dergelijke aan had gevraagd.

Nadat op 12 oktober 2010 verdachte was aangehouden, is iedere vorm van stalking jegens aangever gestopt.

Zowel bij de politie als ter zitting heeft verdachte bekend dat hij meerdere malen, in totaal 12 keer, advertenties op het internet heeft geplaatst op naam van aangever, waarbij hij de naam van aangever, diens adres en telefoonnummer heeft vermeld. Hij deed dit uit frustratie en met de bedoeling dat aangever lastig zou worden gevallen door mensen die op de advertenties zouden reageren. Verdachte heeft verklaard dat hij dat heeft gedaan in reaktie op de mail van aangever van 23 december 2009, gedurende een periode van zes maanden en dat hij de laatste advertentie heeft geplaatst in juni 2010. Verdachte heeft ter terechtzitting ook bekend dat hij aangever meerdere e-mails, waaronder de e-mail met de hierboven geciteerde tekst op 23 december 2009 heeft gezonden en dat hij op zogenoemde ‘stalkingssites’ het verhaal van zijn ontslag door aangever heeft gezet en de naam, telefoon- en woongegevens van aangever daarbij heeft geplaatst met de bedoeling dat aangever dan door bezoekers van die site belaagd zou gaan worden. De sites zijn inmiddels volgens verdachte uit de lucht en verdachte weet ook niet meer hoe die sites heten of hoe je dergelijke sites kunt vinden. Verdachte heeft nooit mensen direct opdracht gegeven tot stalking.

Verdachte heeft bij de politie voorts verklaard dat hij omstreeks mei 2010 via internet een leesmap bij Leesmap.nl heeft besteld op naam van aangever. Verdachte heeft zelf geen enkele moeite gedaan om deze bestelling ongedaan te maken. Verdachte heeft bekend dat hij op twitter een account op naam van ‘[benadeelde 1]’ had aangemaakt en dat hij de enige was die op deze account kon posten. Dat is gedaan, zo begrijpt de rechtbank, rond april 2010. Verdachte verrichte deze handelingen via een anonieme proxy of via zijn eigen IP-adres.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1.

Net als de raadsman komt de rechtbank niet tot het bewijs dat er door verdachte op naam van aangever goederen zijn besteld. De ‘internethandelingen’ die verdachte worden verweten als onderdeel van stalking zijn te onderscheiden in (kort gezegd): het via internet

-bestellen van goederen op naam van aangever

-afsluiten van abonnementen op naam van aangever

-te koop aanbieden van goederen op naam van aangever

-sturen van mails aan aangever

Uit het dossier blijkt voldoende dat aangever in de tenlastegelegde periode van stalking geconfronteerd werd met (vele) goederen die niet door hem maar wel op zijn naam via internet waren besteld en hier heeft aangever ook aangifte van gedaan. Nergens is echter een bevestiging te vinden van de aanname dat verdachte die bestellingen heeft gedaan. Hoewel het bestellen van goederen via internet sterke overeenkomsten vertoond met de wèl bewezen geachte overige belagingshandelingen op internet en de bestellingen kennelijk stoppen na de aanhouding van verdachte, acht de rechtbank dat voor een dergelijk wezenlijk onderdeel van de ten laste gelegde stalking onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank komt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wel tot het bewijs van de overige onder 1. ten laste gelegde hinderlijke belaging (zie hieronder bij de bewezenverklaring).

Anders dan de raadsman heeft gesteld acht de rechtbank dat er sprake is van ‘stelselmatigheid’. Reeds enkel het door verdachte ondubbelzinnig bekende deel van de tenlastelegging (12 advertenties op Marktplaats geplaatst in een periode van een half jaar alsmede het verzenden van diverse (onder meer dreigende) mails aan aangever) en de aard van de handeling van het plaatsen van advertenties -die immers telkens een veelheid aan reakties opriepen richting aangever- levert een stelselmatige inbreuk op.

Ten aanzien van feit 3 en 4:

In het kader van het onderzoek naar de onder 1 tenlastegelegde stalking zijn op 12 oktober 2010 twee doorzoekingen gehouden in de woning van verdachte te [woonplaats], gemeente, gemeente Velsen en in het bedrijf van verdachte te [vestigingsplaats].

In de woning te [woonplaats], zijnde een woonboot, werden onder meer aangetroffen tien busjes pepperspray, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een koffer ten behoeve van een vuurwapen, een plastic tas met patronen en een in bedrijf zijnde hennepkwekerij met 24 planten.

In het bedrijfspand te [vestigingsplaats], werden onder meer aangetroffen twee busjes pepperspray, waarvan één met houder en een stroomstootwapen.

De in de kwekerij aangetroffen planten zijn onderzocht middels een drugstestkit. De test gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep.

De bij de doorzoeking aangetroffen wapens, busjes spray en munitie zijn nader onderzocht. Het bleek te gaan om en gasdrukpistool met drie doosjes kogeltjes voor luchtdrukwapens, een stroomstootwapen en busjes pepperspray.

Genoemde voorwerpen zijn wapens in de zin van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft ter zitting een bekend dat hij 24 hennepplanten in zijn woning had waarvan de opbrengst voor eigen gebruik was. Tevens heeft hij ter zitting bekend dat hij de busjes pepperspray in zijn bezit had en dat hij een aantal busjes pepperspray op internet te koop heeft aangeboden en verkocht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2009 tot en met 12 oktober 2010 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1], een medeweker van het bedrijf Mediq, met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen,

Immers heeft hij, verdachte,

-meermalen abonnementen afgesloten op naam van die [benadeelde 1], welke abonnementen vervolgens aan die [benadeelde 1] geleverd werden en

-meermalen op naam van die [benadeelde 1] op internet advertenties geplaatst met daarbij - onder meer - contactgegevens van die [benadeelde 1], waardoor mensen die [benadeelde 1] telkens e-mails stuurden en belden en bij zijn woning aanbelden en

-meermalen handelingen verricht op naam van [benadeelde 1] en

-meermalen die [benadeelde 1] e-mails gestuurd;

3.

in de periode van 1 november 2009 tot en met 12 oktober 2010 te [vestigingsplaats] en te [woonplaats], gemeente Velsen, wapens van categorie II, te weten busjes pepperspray, telkens zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6, heeft overgedragen aan een ander dan verdachte;

4.

In de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 te [woonplaats], gemeente Velsen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt een hoeveelheid van 24 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1.

Belaging

3.

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

4.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, te weten de onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts vordert de officier van justitie gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 20.000,00 inclusief een bedrag van € 2.500,00 wegens immateriële schade.

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie gerequireerd tot vrijspraak en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft toegegeven dat hij te ver is gegaan met zijn hinderlijke gedrag richting de aangever. De raadsman wijst er wel op dat verdachte zelf ook is lastig gevallen door mensen, nadat zij door de aangever naar hem waren doorverwezen. Aangever heeft daarmee ook stelselmatig gehandeld jegens verdachte en inbreuk gemaakt op verdachte’s persoonlijke levenssfeer.

Ook heeft verdachte onder observatie gestaan van een privédetective die door de werkgever van aangever aangever was ingehuurd. Daarmee is ook zijn privacy geschonden.

Voorts wijst de raadsman er op dat verdachte zijn volledige medewerking heeft verleend aan een reclasseringsrapport en een persoonlijkheidsonderzoek. Verdachte heeft een blanco strafblad en het recidiverisico is zeer laag.

De raadsman heeft verzocht om, ingeval van een bewezenverklaring, aan verdachte een werkstraf op te leggen en eventueel een voorwaardelijk strafdeel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Na een ontslagprocedure is verdachte zijn voormalige leidinggevende hinderlijk gaan belagen. Hij heeft, door het plaatsen van advertenties op naam van aangever, door het aangaan van abonnementen of lidmaatschappen voor aangever, door te mailen en te dreigen, een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever veroorzaakt en ervoor gezorgd dat aangever niet meer normaal kon functioneren en dagelijks erg veel tijd en energie moest besteden aan het herstellen wat verdachte teweeg had gebracht. Verdachte heeft aangegeven zelfs te hebben geprobeerd anderen, via stalkingsites, te bewegen aangever ook te belagen. Verdachte heeft ook de kinderen van aangever in een zeer akelig dreigement betrokken. Uit de diverse verklaringen van aangever en uit zijn slachtoffer-verklaring komt duidelijk naar voren hoezeer het dagelijks leven van aangever en diens gezin werd beheersd door de gevolgen van het handelen van verdachte en daar kennelijk nog steeds de nadelige gevolgen van ondervindt. Verdachte heeft zich nooit bekend gemaakt als de dader en heeft daarmee aangever extra onzekerheid en angst bezorgd. Verdachte maakte bovendien gebruik van zogeheten proxy-servers en speciale softwareprogramma’s om zijn identiteit te verhullen, waardoor hij niet dan wel heel moeilijk te traceren was. De belaging van aangever heeft ruim 10 maanden geduurd.

Verdachte heeft gehandeld uit rancune, boosheid en frustratie. Ter zitting geeft verdachte de indruk dat hij vooral wil benadrukken dat hìj degene was die last van aangever had. Verdachte vindt dat het stalken over en weer was en hij net zo goed door aangever is lastig gevallen. In het dossier is voor deze stelling van verdachte geen aanknoping te vinden en het lijkt dan ook dat verdachte zijn eigen gedrag probeert te vergoeilijken.

Anderzijds bekent verdachte expliciet dat hij met zijn gedrag wilde dat aangever lastig zou worden gevallen. Verdachte wist dat hij, zoals hij ter zitting ook heeft verklaard, aangever persoonlijk zou raken met zijn gedrag.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever en rekent hem dit zwaar aan. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het telen en bereiden van hennep en het voorhanden hebben en verhandelen van busjes pepperspray. Deze strafbare feiten vallen qua ernst echter in het niet bij de bewezenverklaarde belaging.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 3 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts gelet op een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 12 juli 2011, waarin wordt aangegeven dat verdachte zich tot op zekere hoogte schuldig voelt over zijn gedrag jegens zijn voormalige werkgever, maar hij legt ook een groot gedeelte van de schuld buiten zichzelf. Zijn gedrag is voortgekomen uit onvrede over zijn werkzaamheden en ontslag. De kans op recidive wordt als laag gemiddeld ingeschat, maar verdachte voelt zich nog steeds onheus bejegend. De reclassering ziet mogelijkheden om de kans op recidive verder terug te dringen. Hoewel verdachte niet gebukt lijkt te gaan onder een gevoel van schuld lijkt hij wel geschrokken van alle aandacht naar aanleiding van deze zaak. Verdachte zegt open te staan voor een verplicht reclasseringscontact.

De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Verdachte is inmiddels aangemeld bij De Waag te Haarlem.

Tenslotte heeft de rechtbank kennis genomen van het omtrent de persoon van verdachte opgemaakt psychologisch rapport van drs A.D. Wallace, Gz-psycholoog, van 2 februari 2012. Hierin wordt geconcludeerd – zakelijk weergegeven - dat verdachte in 2007 is gediagnosticeerd met een angststoornis N.A.O. en een depressieve stoornis. Voor een persoonlijkheidsstoornis zijn toen geen aanwijzingen gevonden.

De angststoornis en de depressieve stoornis zijn thans in remissie dankzij begeleiding en medicamenteuze behandeling van de huisarts en psychiater. Ook nu worden geen aanwijzingen gevonden voor een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte beschikt over een bovengemiddelde intelligentie.

Op grond van de informatie in het dossier en de resultaten van het onderzoek is sprake van een man die al enige tijd in toenemende mate geïrriteerd is geraakt door een arbeidsconflict

met zijn toenmalige leidinggevende. Verdachte is waarschijnlijk in enige mate gaan handelen vanuit zijn gevoelens van irritatie.

Het is echter niet aannemelijk dat er enig verband bestaat tussen deze gevoelens en de angststoornis nao en de depressieve stoornis, omdat deze stoornissen als jarenlang bestaan en verdachte geen voorgedocumenteerde geschiedenis heeft van het tonen van dergelijke gedragingen tijdens de angststoornis nao en de depressieve stoornis.

Verdachte vertoont zowel op de historische factoren, de klinische en dynamische factoren en de toekomstige factoren een lage score op recidivegevaar.

Verdachte kan als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde delicten.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van lange duur waarbij de duur van de gevangenisstraf met name is ingegeven door de vèrstrekkende gevolgen die het onder 1 tenlastegelegde voor het slachtoffer heeft gehad.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan gelet op de aard en de ernst van met name de bewezenverklaarde stalking, de duur van de stalking en de ernst van de overige bewezenverklaarde feiten. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het ontbreken van een strafblad en de betrekkelijke ouderdom van de feiten en het gegeven dat verdachte sedert zijn aanhouding in oktober 2010 zich niet opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bovendien heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte een eigen bedrijf heeft dat zich nog in de beginfase bevindt en geen andere inkomsten heeft. Dit alles afwegende maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet thans nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal aan verdachte echter onvoorwaardelijk de maximale werkstraf opleggen.

Gelet op het gevaar voor herhaling ziet de rechtbank voorts aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen, in de hoop dat dit verdachte zal weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten. In de aard en de ernst van de bewezenverklaarde stalking ziet de rechtbank aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op te leggen, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijke strafdeel geen bijzondere voorwaarden verbinden, omdat zij daarin geen meerwaarde ziet.

6.4 Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten:

- 711354-10 12 oktober 2010, [vestigingsplaats], gem. [vestigingsplaats],

Voorhanden hebben van stroomstootwapen

- 711354-10 12 oktober 2010, [vestigingsplaats], gem. [vestigingsplaats],

Voorhanden hebben van vuurwapens/munitie categorie II

- 711354-10 12 oktober 2010, Utrecht, gem. Utrecht

Voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

Categorie I onder 7.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van ruim 1,3 miljoen euro voor feit 1 waaronder € 2.500,00 ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de schade tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering nu de vordering overigens niet eenvoudig van aard is en de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 3.000,00 voor feit 2.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het onder 3 bewezenverklaarde feit alsmede de ad-informandum gevoegde feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36c, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 11 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1.

Belaging

3.

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

4.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZES (6) MAANDEN, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van TWEEHONDERDVEERTIG (240) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van honderdentwintig (120) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 10 stuks pepperspray, kleur zwart, CS Reizfas;

- 2 stuks pepperspray, kleur zwart, Protect, met 1 houder;

- 1 stroomstootwapen, kleur zwart, merk Great;

- 1 vuurwapen, kleur zwart, met houder.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van

€ 1.500,00, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 1.500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. M.S. Koppert en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 maart 2012.