Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7708

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
16/655470-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Verdachte is een vrouw van 75 jaar die haar echtgenoot, van eveneens 75 jaar, met een mes heeft gestoken. Hierdoor is het slachtoffer ernstig verwond geraakt. Het is aan tijdig medisch ingrijpen te danken dat het slachtoffer niet is overleden aan het aan hem toegebracht letsel. Het slachtoffer heeft de rechtbank verzocht mild voor verdachte te zijn en hoopt dat zij op hun oude dag toch nog een nieuwe start kunnen maken. Naast de ernst van het feit zijn er ook andere factoren waarmee de rechtbank ten voordele van verdachte rekening zal houden.Zo houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte 75 jaar oud is en, zo volgt uit het strafblad van verdachte d.d. 10 mei 2012, niet eerder veroordeeld is wegens geweldsmisdrijven. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijke, met als bijzonder voorwaarde reclasseringscontact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655470-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1937] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I.V. Huis van Bewaring Nieuwersluis te Nieuwersluis.

Raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 februari 2012 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) te doden, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van de stukken in het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijk vorm, heeft gehad op het doden, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van haar echtgenoot. Verdachte heeft geen inzicht gehad in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Dit wordt ondersteund door de pro justitia rapportages. Hieruit volgt onder meer dat de bij verdachte geconstateerde cognitieve functiestoornissen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het ten laste gelegde feit. Alcoholgebruik heeft een drempelverlagend effect gehad. Van opzet is geen sprake, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft geprobeerd haar echtgenoot te doden.

Verdachte is getrouwd met de heer [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat zij op 26 februari 2012 van de keuken naar de huiskamer is gegaan, omdat zij haar man iets vanuit de huiskamer hoorde zeggen wat haar boos maakte. Verdachte had een mes in haar handen. Ze was driftig en had zichzelf, naar eigen zeggen, niet in de hand. Ze zag bloed en zag dat haar man met zijn handen naar zijn zij greep. Verdachte was alleen met haar man in de woning.

De verbalisanten die op 26 februari 2012 ter plaatse gaan naar de [adres] te Utrecht zien op de grond in de keuken een man liggen in een grote plas bloed. De man ademt wel, maar reageert niet. Eén van hen vraagt aan verdachte wat er gebeurd is, waarop verdachte reageerde met de woorden: ‘We hebben ruzie gekregen. Ik heb toen een mes uit de keuken gehaald en heb hem neergestoken.’ Hierbij maakte verdachte een stekende beweging in de richting van de heup van verbalisant [verbalisant]. Tijdens het overbrengen van verdachte naar het politiebureau verklaarde zij: ‘Hij stond vlak voor me. Toen heb ik hem een keer gestoken met een keukenmes’. Ten overstaan van de Hulp Officier van Justitie verklaarde verdachte onder andere: ‘Ik heb hem in de lever gestoken’. Met ‘hem’ bedoelde verdachte haar kerel.

[slachtoffer] is in shock naar de Eerste Hulp gebracht. Hij had een steekwond in zijn rechter borstkas en is direct geopereerd. De tussenrib-slagader moest gehecht worden en een bloedende onderkwab van de rechterlong moest geniet worden. [slachtoffer] had zeer veel bloed verloren waardoor transfusie van 26 eenheden bloed noodzakelijk was. Ook was er veel bloed in zijn borstkas terechtgekomen. Dit is verwijderd door twee buizen in te brengen.

4.3.1 Aanvullende bewijsoverwegingen

Door de verdediging is aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad op het aan haar tenlastegelegde.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij op 26 februari 2012 alleen met haar man thuis was. Voorts heeft verdachte, kort nadat het steekincident plaats had, bij verschillende gelegenheden verklaard dat zij haar man met een mes heeft gestoken. Zowel tijdens de verhoren die later plaats hebben gevonden, als tijdens de terechtzitting, heeft verdachte verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wat er precies gebeurd is. Wel weet zij nog dat haar man iets tegen haar zei en dat ze naar hem in de woonkamer toe is gelopen met een mes in haar handen. Het volgende dat verdachte zich kan herinneren is dat zij hulp is gaan halen bij café Ons Honk.

De rechtbank is, gelet op alle omstandigheden van oordeel dat er sprake is van een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een mes op [slachtoffer] ingestoken. Hierbij heeft [slachtoffer] een steekwond in zijn borstkas opgelopen. Het op een dergelijke wijze op [slachtoffer] insteken met een mes kan bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan gericht op de dood van [slachtoffer]. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de borst diverse vitale organen bevinden, zoals longen en hart. In de uiterlijke verschijningsvorm van het op deze wijze insteken op [slachtoffer] is de opzet begrepen. Dat bij verdachte zoals door de verdediging is aangevoerd sprake is van het volledig ontbreken van enig inzicht in de draagwijdte van het handelen, kan aan dit oordeel niet aan af doen. Dit verweer ziet immers op de mate waarin het ten laste gelegde feit aan haar kan worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor het feit dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en dit haar handelen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit mogelijk beïnvloedt heeft.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 26 februari 2012 heeft geprobeerd haar echtgenoot te doden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 februari 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in het lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging doodslag

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van psychische overmacht, gelegen in een dwang, drang of kracht waartegen verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen en hoeven bieden, doch heeft dit verder niet toegelicht.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek pro justitia van 1 mei 2012 van deskundige M.L.I.M. van Thiel. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, in de zin van een neurocognitieve stoornis. Voorts in de zin van een beperkte depressieve stoornis en misbruik van alcohol. De neurocognitieve stoornis gaat gepaard met een storing in de executieve functies, die bij betrokkene onder meer tot uiting komt in een verminderd vermogen tot relativeren, een verminderde flexibiliteit en een gebrekkige impulscontrole. Bij het tot stand komen van de neurocognitieve stoornis speelt langdurig misbruik van alcohol mogelijk mede een rol. Differentiaaldiagnostisch dient te worden gedacht aan beginnende dementie, De depressieve stoornis houdt verband met de relatieproblemen met haar echtgenoot, maar vindt haar wortels in traumatiserende jeugdervaringen. Het misbruik van alcohol kan ten dele gezien worden als een poging om depressieve gevoelens te bestrijden, maar is tevens een factor die de depressie in stand kan houden. De genoemde ziekelijke stoornis van aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

Het ten laste gelegde (indien bewezen) kan geacht worden ten dele te zijn beïnvloed door de ziekelijke stoornissen. Ten gevolge van haar cognitieve stoornis heeft betrokkene een gebrekkige impulscontrole en verminderd vermogen tot relativeren. Op basis hiervan kon, mede door het drempelverlagend effect van haar overmatig alcoholgebruik ten tijde van het ten laste gelegde, haar opgespaarde woede tot uiting komen.

Betrokkene kan ten aanzien van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia en een aanvullend neuropsychologisch onderzoek pro justitia van 28 april 2012 van psycholoog drs. G.J.W. Pol. In dit rapport wordt voor een groot deel overeenkomstig het psychiatrisch onderzoek gerapporteerd, waarbij – onder meer – het volgende van belang is:

Betrokkene is lijdende aan ziekelijke stoornissen van haar geestvermogens, in de zin van een depressieve stoornis NAO (niet anders omschreven), alcoholmisbruik en een cognitieve stoornis NAO, gekenmerkt door een suboptimale oriëntatie in tijd, een algeheel vertraagde cognitieve verwerkingssnelheid, een aandachtsstoornis en stoornissen binnen het frontale functiedomein, bestaande uit een beperkt visuo-constructief vermogen, een gebrekkige cognitieve flexibiliteit, een beperkt vermogen om vooruit te plannen en een gebrekkige impulscontrole.

Er is sprake van een verband tussen het ten laste gelegde (indien bewezen geacht) en de bij betrokkene bestaande psychopathologie.

Op grond van onderhavig onderzoek wordt uw College geadviseerd betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is, met inachtneming van de conclusies die in de pro justitia rapporten worden getrokken, van oordeel dat bij verdachte geen sprake is geweest van psychische overmacht. Wel neemt de rechtbank de conclusies dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het gepleegde strafbare feit over en maakt deze tot de hare. Overeenkomstig deze conclusies kan echter niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren, alsmede de volgde bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich moet melden bij de Reclassering Nederland arrondissement Utrecht op adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, zodra verdachte daartoe wordt uitgenodigd door de Reclassering. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte deel moet nemen aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’;

* dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor haar impulscontroleprobleem bij een ambulante forensisch psychiatrische kliniek als De Waag, zulks ter beoordeling van de Reclassering waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* dat verdachte wordt verboden alcohol te gebruiken, zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht, maar in ieder geval voor de duur van een half jaar nadat betrokkene uit detentie is gekomen. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van bloedonderzoek of een ander controlemiddel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarbij een deels voorwaardelijk straf en de bijzondere voorwaarden als geëist door de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is een vrouw van 75 jaar die haar echtgenoot, van eveneens 75 jaar, met een mes heeft gestoken. Hierdoor is het slachtoffer ernstig verwond geraakt. Het is aan tijdig medisch ingrijpen te danken dat het slachtoffer niet is overleden aan het aan hem toegebracht letsel. Het slachtoffer is immers in shock naar de Eerste Hulp gebracht, had erg veel bloed verloren en diende direct geopereerd te worden.

Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. In onderhavige zaak is het bij een poging gebleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd hiervan de nadelige gevolgen, zowel lichamelijk als psychisch, ondervinden. In onderhavige zaak heeft het slachtoffer evenwel in zijn schriftelijke slachtofferverklaring laten weten het verdachte niet kwalijk te nemen wat zij heeft gedaan en er het liefst zand over te gooien. Het slachtoffer heeft de rechtbank verzocht mild voor verdachte te zijn en hoopt dat zij op hun oude dag toch nog een nieuwe start kunnen maken.

Naast de ernst van het feit zijn er ook andere factoren waarmee de rechtbank ten voordele van verdachte rekening zal houden.

Zo houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte 75 jaar oud is en, zo volgt uit het strafblad van verdachte d.d. 10 mei 2012, niet eerder veroordeeld is wegens geweldsmisdrijven.

Verdachte heeft haar medewerking verleend aan het persoonsonderzoek. Zij heeft uitgebreid verklaard over haar levensloop en gevoelens. Hierdoor is zowel een uitgebreid psychologisch als een uitgebreid psychiatrisch pro justitia rapport over verdachte opgemaakt. Uit de pro justitia rapportages, opgemaakt door M.L.I.M. van Thiel en drs. G.J.W. Pol, d.d. 1 mei 2012 respectievelijk 28 april 2012, volgt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsadvies, opgemaakt door F. van der Groep d.d. 10 mei 2012, waarin geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie, behandelverplichting en een alcoholverbod.

In het psychiatrisch pro justitia rapport van M.L.I.M. van Thiel d.d. 1 mei 2012 wordt eveneens aan de rechtbank in overweging gegeven aan verdachte een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van het drinken van alcohol en zich richt naar de aanwijzingen van de Reclassering, hetgeen kan inhouden het ondergaan van een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. Ook in het psychologisch pro justitia rapport, opgemaakt door drs. G.J.W. Pol d.d. 28 april 2012, wordt het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde het ondergaan van een behandeling bij De Waag geadviseerd. Voorts wordt de rechtbank in het psychiatrisch pro justitia rapport in overweging gegeven verdachte aan te melden bij het expertise- en behandelcentrum voor neuropsychiatrie, Vesalius, teneinde haar cognitieve stoornis nader te onderzoeken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is, waarbij de rechtbank zich zal aansluiten bij de door de officier van justitie geformuleerde eis. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie, gelet op de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Een deel van de op te leggen straf zal voorwaardelijk opgelegd worden. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen kleding, opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 1 tot en met 4 te retourneren aan [slachtoffer] en de in beslag genomen ketting, opgenomen op de beslaglijst onder nummer 6, te retourneren aan verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het beslag ingenomen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging doodslag

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich moet melden bij de Reclassering Nederland arrondissement Utrecht op adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, zodra verdachte daartoe wordt uitgenodigd door de Reclassering. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte deel moet nemen aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’;

* dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor haar impulscontroleprobleem, haar depressieve stoornis en het leren hanteren van negatieve gevoelens bij een ambulante forensisch psychiatrische kliniek als De Waag of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de Reclassering waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* dat verdachte wordt verboden alcohol te gebruiken, zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht, maar in ieder geval voor de duur van een half jaar nadat betrokkene uit detentie is gekomen. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van bloedonderzoek of een ander controlemiddel;

* dat verdachte wordt aangemeld bij het expertise- en behandelcentrum voor neuropsychiatrie, Vesalius, teneinde haar cognitieve stoornis nader te onderzoeken.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 3 en 4;

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 6.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juni 2012.