Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7458

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
16/700158-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met schuldheling, opzetheling en bedreiging tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700158-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair: op of omstreeks 5 december 2011 te [woonplaats], samen met een ander, een woninginbraak heeft gepleegd; subsidiair: in de periode 5 december 2011 tot en met 8 februari 2012 te [woonplaats] zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een mobiel telefoonhangertje en een fotoframe;

2. primair: op of omstreeks 7 augustus 2011 te Wageningen, samen met een ander, een woninginbraak heeft gepleegd; subsidiair: in de periode 7 augustus 2011 tot en met 8 februari 2012 zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een laptop;

3. op of omstreeks 17 december 2011 te [woonplaats] een persoon heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit en het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Voor feit 1 en het primair onder 2 ten laste gelegde feit, heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Daarbij heeft de verdediging - samengevat - betoogd dat voor de betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraken geen wettig en/of overtuigend bewijs is.

Ten aanzien van het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit, is de verdediging van mening dat het mobiel telefoonhangertje niet bij de verdachte maar bij de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen en dat onvoldoende duidelijk is waar het fotoframe vandaan is gekomen.

Ten aanzien van het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit, heeft de verdediging betoogd dat verdachte de laptop voor € 150,- heeft gekocht, hetgeen een gebruikelijke prijs is.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat verdachte weliswaar een mes heeft getoond aan aangeefster, maar dat hij nimmer de bedoeling heeft gehad om aangeefster te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Verdachte heeft uitsluitend ten doel gehad te voorkomen dat aangeefster de ruiten van de woning van verdachte in zou gooien om een internetkabeltje terug te krijgen. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] dat verdachte is weggelopen, nadat aangeefster tegen hem had gezegd dat hij normaal moest doen. Daaruit blijkt dat verdachte nimmer de bedoeling heeft gehad om aangeefster daadwerkelijk te bedreigen. Verdachte heeft zich uitsluitend willen verweren, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 6 december 2011 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van een inbraak in de woning aan de [adres] te [woonplaats], waarbij diverse goederen zijn weggenomen. De inbraak heeft plaatsgevonden tussen 5 december 2011 omstreeks 6:30 uur en 6 december 2011 omstreeks 17:50 uur.

Op 8 februari 2012 vond op de [adres] te [woonplaats] een doorzoeking van de woning plaats, waarbij diverse goederen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen.

De inbeslaggenomen goederen zijn getoond aan aangever en zijn echtgenote, [echtgenote aangever 1]. Van de getoonde goederen herkenden zij een aantal als hun eigendom, waaronder een mobiel telefoonhangertje, voorzien van het merk “SUSHI” met groene ronde steentjes.

Verdachte heeft verklaard dat een groen hangertje dat op zijn kamer lag van diefstal afkomstig is, dat hem dit is verteld op de dag dat hij werd voorgeleid en dat hij weet dat medeverdachte [medeverdachte] een groen gekleurd hangertje bij verdachte thuis op tafel heeft gegooid. Verdachte hoorde toen [medeverdachte] zeggen dat het voor de vriendin van verdachte, [vriendin verdachte], was.

Verdachte heeft voorts verklaard dat [medeverdachte] te maken heeft met alle inbraken in [woonplaats] en dat [medeverdachte] dat zelf aan verdachte heeft verteld.

De rechtbank acht op grond de aanwezige stukken niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde woninginbraak heeft gepleegd.

Zij zal hem dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.

Ook voor de ten laste gelegde heling van een fotoframe is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, zodat verdachte ook van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het bij verdachte aangetroffen groene mobiele telefoonhangertje -in verband met het feit dat verdachte ervan op de hoogte zegt te zijn dat Jan van der Weerd een actieve inbreker is- is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit goed van diefstal of een ander misdrijf afkomstig was.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van voornoemd goed.

Feit 2

Op 7 augustus 2011 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan de [adres] te [woonplaats], waarbij een laptop, merk Dell, is weggenomen. De inbraak had plaatsgevonden op 7 augustus 2011, omstreeks 5:30 uur.

Op 8 februari 2012 vond op de [adres] te [woonplaats] een doorzoeking van de woning plaats, waarbij diverse goederen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. In de kamer van verdachte werd een laptop van het merk Dell aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze laptop bleek het eigendom te zijn van aangeefster.

Verdachte heeft verklaard dat hij de laptop heeft gekocht van [medeverdachte] voor € 150,-, dat er geen oplader bij zat, en dat [medeverdachte] te maken heeft met alle inbraken in [woonplaats], dat [medeverdachte] het met verdachte heeft gehad over inbraken en dat Van de Weerd regelmatig ’s nachts op pad gaat.

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte in de cellengang naar hem riep dat hij, [medeverdachte], bij het verhoor moest zeggen dat de laptop van ene Moerad afkomstig was.

Uit de door aangeefster ingevulde vordering benadeelde partij blijkt dat de laptop belangrijke gegevens van aangeefster bevatte, zowel ten aanzien van haar studie als privé-gegevens . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de laptop vol stond en dat hij de laptop opnieuw heeft geïnstalleerd.

De rechtbank acht op grond van de aanwezige stukken niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde woninginbraak heeft gepleegd.

Zij zal hem dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.

Ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen laptop is de rechtbank van oordeel dat nu verdachte de betreffende laptop zonder oplader heeft gekocht van [medeverdachte], een persoon waarvan verdachte wist dat deze persoon betrokken was bij inbraken, en de laptop gegevens bevatte van een voor verdachte onbekende persoon, hij enig onderzoek naar de herkomst van de laptop had moeten doen. Hij heeft zulks kennelijk achterwege gelaten en de rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de genoemde laptop, wist of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze laptop door misdrijf was verkregen.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van voornoemd goed.

Feit 3

Op 17 augustus 2011 heeft [aangever 3] aangifte gedaan van bedreiging door verdachte op 17 augustus 2011 te [woonplaats]. Daarbij heeft aangeefster verklaard dat zij die avond is bedreigd met de dood en dat zij de indruk had dat verdachte haar echt zou steken met een mes. Aangeefster was naar het woonadres van verdachte gegaan om een aan verdachte uitgeleende internetkabel terug te vragen. Op een gegeven moment zag aangeefster dat verdachte met een mes op haar af kwam en dat verdachte het mes vlak bij haar gezicht hield. Aangeefster hoorde verdachte zeggen: “Ik steek je dadelijk neer”.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij samen met aangeefster naar verdachte is gegaan om een aan verdachte uitgeleende internetkabel op te halen, dat hij in de auto is blijven zitten, dat hij hoorde dat aangeefster en verdachte van een afstandje tegen elkaar tekeer gingen, dat aangeefster op enig moment tegen verdachte zei: “Dan gooi ik wel een raam in met een steen”, dat verdachte toen met zijn rechterhand in zijn jaszak ging en daar een mes uitpakte. Getuige zag dat verdachte zijn rechterhand met dat mes direct doorbewoog naar de keel van aangeefster en dat verdachte het mes tegen de keel van aangeefster geduwd hield.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

in de periode van 5 december 2011 tot en met 8 februari 2012 te [woonplaats] een mobiele telefoonhangertje voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat hangertje redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2. subsidiair

in de periode van 7 augustus 2011 tot en met 8 februari 2012 te [woonplaats], een laptop (merk Dell) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

op 17 december 2011 te [woonplaats], [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 3] (dreigend) een mes getoond en vervolgens dat mes vlakbij het gezicht gehouden van die [aangever 3] en daarbij dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je dadelijk neer".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Voor zover de raadsman zijn verweer ten aanzien van feit 3 heeft bedoeld als een beroep op noodweer, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank verwerpt dat verweer.

Verdachte heeft verklaard dat aangeefster begon te dreigen dat zij zijn ruiten in wilde gooien, dat aangeefster daarna aan verdachte begon te trekken, dat verdachte aangeefster wegduwde en dat aangeefster begon te tieren, waarna verdachte een mes pakte en aangeefster bedreigde.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van bovenstaande verklaring van verdachte niet komen vast te staan dat er sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Alleen al om die reden behoeft het verweer geen nadere bespreking en wordt het verworpen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

1. subsidiair

schuldheling

2. subsidiair

opzetheling

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2, en - indien bedoeld is een beroep op noodweer te doen - ontslag van rechtsvervolging voor feit 3.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling en opzetheling.

Verdachte heeft met name met het tweede feit bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vrouw een mes op haar keel te zetten.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittrekstel justitiële documentatie d.d. 23 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor heling.

Gelet op de ernst van de feiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.

7 De benadeelde partijen

7.1 Benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 1.133,- voor feit 2, te weten € 633,- voor de weggenomen laptop en € 500,- voor de verloren gegevens met betrekking tot de studie van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade omdat hij, naar hij ter terechtzitting verklaard heeft, degene is geweest, die de gegevens verwijderd heeft.

Het gevorderde bedrag is onvoldoende weersproken door verdachte. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 november 2011, omdat de verdachte heeft verklaard dat hij omstreeks die datum de laptop verworven heeft.

Ten aanzien van de kosten van de weggenomen laptop ten bedrage van € 633,-, is de rechtbank van oordeel dat deze schade het gevolg is van de diefstal. Aangezien verdachte daarvan wordt vrijgesproken, zal de rechtbank om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.2 Benadeelde partij [echtgenote aangever 1]

De benadeelde partij [echtgenote aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 9.335,89 voor het onder 1 ten laste gelegde feit, bestaande uit materiële schade.

Aangezien verdachte van dat feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7.3 Benadeelde partij A.S. Watson/Kruidvat

De dagvaarding noemt deze benadeelde partij, van wie een vordering onder parketnummer 16/700158-12 is ingekomen. Een feit waarop deze vordering betrekking heeft is echter niet tenlastegelegd. De benadeelde partij is dus niet-ontvankelijk.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen oplader aan de verdachte terug te geven, omdat hij als rechthebbende moet worden aangemerkt.

De rechtbank zal aldus beslissen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f, 57, 285, 416, 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 en primair onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1. subsidiair

schuldheling

2. subsidiair

opzetheling

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 500,- ter zake van materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 november 2011tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 500,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Benadeelde partij [echtgenote aangever 1]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij A.S. Watson/Kruidvat

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Beslag

-gelast de teruggave van de inbeslaggenomen oplader aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bast, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 mei 2012.