Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7426

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
SBR 12/163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BESTUURSRECHT OVERIG. Afwijzen aanvraag om leerlingenvervoer. Moeilijk lerende jongen met aandachts- en concentratieproblemen (ADD). Vanwege pestverleden overgeplaatst naar andere school. Uit brief behandelend jeugdpsychiater volgt dat sprake is van psychiatrische problematiek en dat er significant lijden aanwezig is met betrekking tot de schoolgang in zijn woonplaats. Gezien deze brief, de informatie van de Permanente Commissie Leerlingenzorg, en in aanmerking nemend het belang van het betrokken kind, bestond er naar het oordeel van de rb. voldoende aanleiding om te onderzoeken of er in dit geval sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in art. 29 van de verordening, die noopt tot afwijking van de verordening. Door geen onafhankelijk deskundige te raadplegen heeft verweerder in onvoldoende mate kunnen bepalen of in dit geval aanleiding bestaat om toepassing te geven aan dit artikel. Zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

De rb. ziet een bevestiging voor dit standpunt in jurisprudentie van de ABRS, onder meer de uitspraak van 2 augustus 1993 (LJN: AH4304). Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2012 in de zaak tussen

[Eiser ] en [Eiseres], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder

(gemachtigden: mr. I.A.J.M. van der Meer en L. Holleman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om vergoeding van de vervoerkosten van leerlingenvervoer voor hun zoon [de zoon] op grond van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Houten 2002 (hierna: de Verordening) afgewezen.

Bij besluit van 14 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De zoon van eisers, [de zoon], geboren op [2001], is een moeilijk lerende jongen met aandachts- en concentratieproblemen (ADD). Tot en met het schooljaar 2010-2011 ging hij naar de school “[school]” in [woonplaats], een school voor speciaal basisonderwijs. Eisers hebben [de zoon] voor het schooljaar 2011-2012 aangemeld bij een andere school voor speciaal basisonderwijs: “De Wenteltrap” in IJsselstein. Op 7 juli 2011 hebben eisers een vergoeding voor de vervoerkosten van leerlingenvervoer bij verweerder aangevraagd, omdat de nieuwe school op een afstand van ca. 19 kilometer van hun huis is gelegen.

2. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, nu het recht op leerlingenvervoer alleen bestaat op basis van de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In het geval van [de zoon] is dit “[school]”. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd, onder verwijzing naar een advies van de Bezwaarschriftencommissie (hierna: de bezwaarcommissie) van 18 november 2011. Er bestaat voor verweerder geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 29 van de Verordening leerlingenvervoer Houten 2002 (hierna: de verordening) , nu volgens verweerder geen sprake is van een bijzondere situatie. Verweerder heeft daarvoor als reden gegeven dat de eigen keuze van eisers is geweest om [de zoon] van “[school]” af te halen. Verweerder erkent dat [de zoon] op die school problemen heeft ervaren, maar ziet niet in waarom er daar voor hem geen mogelijkheden meer bestaan. Daarbij is gewezen op de mededeling van de directeur van “[school]”, die heeft erkend dat er problemen waren met [de zoon], maar dat er een plan van aanpak is om dit tegen te gaan. Pesten is volgens de bezwaarcommissie iets wat vaker voorkomt en niet direct noopt tot overplaatsing van een kind. Verweerder heeft dit advies overgenomen in het bestreden besluit en daarin benadrukt dat er nog mogelijkheden voor [de zoon] bestonden op “[school]”.

De stelling van eisers dat zij moeite hebben om werk en begeleiding van [de zoon] te combineren, kan evenmin leiden tot een succesvol beroep op de hardheidsclausule, aldus verweerder. Ter zitting is door verweerder nog benadrukt dat het feit, dat eisers verweerder om een vervoersvoorziening hebben verzocht, eerst nadat [de zoon] was overgeplaatst, ook een rol heeft gespeeld bij de afwijzing. Verder heeft verweerder verklaard dat mogelijke negatieve beeldvorming voor de “[school]” ook heeft meegewogen.

3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij, na jaren overleg met “[school]”, geen vertrouwen meer hebben in een goede afloop. De jarenlange pesterijen namen op het laatst dusdanig vormen aan dat [de zoon] vanwege de oplopende stress de controle verloor over zijn blaas. Als gevolg daarvan was met zijn juf afgesproken dat voor [de zoon] extra schone kleding op school aanwezig zou zijn. Nadat de andere kinderen daarvan op de hoogte raakten verergerde het pesten nog meer. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake is van een onhoudbare situatie verwezen naar een (ongedateerde) brief van de directeur van De Wenteltrap, L.J.M. Verleun, en een brief van systeemtherapeut R. van Hennik en jeugdpsychiater H. Zwetsloot, werkzaam bij Zonnehuizen Kind en Jeugd in Zeist, van 18 augustus 2011. Verweerder heeft volgens eisers ten onrechte de medische, pedagogische en sociale gronden niet in samenhang bekeken bij de beoordeling of er in dit geval sprake is van een uitzonderlijke situatie. Ten onrechte is verweerder niet ingegaan op het advies van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) van 19 september 2011, waaruit volgt dat [de zoon] een verminderde weerbaarheid heeft en op “[school]” door het pesten werd belemmerd in zijn ontwikkeling. De adviezen die vanuit “[school]” zijn gegeven, zijn ten onrechte zwaarder gewogen, aldus eisers. In het kader van artikel 29 van de verordening had verweerder een onafhankelijke deskundige moeten aanwijzen, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

4. In artikel 3, eerste lid, van de verordening, is bepaald dat bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de verordening, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.

In artikel 29 van de verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de PCL, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie en eventueel andere deskundigen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de bevoegdheid heeft om aan artikel 29 van de verordening toepassing te geven en dat hij daartoe niet verplicht is. Een weigering deze bevoegdheid toe te passen dient dan ook terughoudend te worden getoetst. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 29 van de verordening.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat “[school]” als de dichtstbijzijnde school als bedoeld in de Verordening moet worden aangemerkt. Evenmin is betwist dat [de zoon] op “[school]” vanaf groep 3 werd gepest en dat het pesten in groep 4 en 5 verergerde. Deze problemen waren op school bekend en met eisers is hierover meermalen gesproken. Tot een daadwerkelijke oplossing kwam het in die jaren evenwel niet. Verder staat vast dat [de zoon] op 19 september 2011 is toegelaten door de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) tot de school voor speciaal onderwijs “De Wenteltrap” te IJsselstein. De afweging daarbij is geweest dat [de zoon] op zijn oude school het gevoel had te worden gepest en dat zijn weerbaarheid gering is, wat hem belemmert in zijn verdere ontwikkeling. Volgens deze commissie kan “De Wenteltrap” een veilige omgeving bieden waar hij zal moeten werken aan zijn weerbaarheid en oplossingsvermogen en oplossingsgericht denken.

Uit de brief van de behandelend jeugdpsychiater waar [de zoon] onder behandeling is, volgt dat bij [de zoon] sprake is van psychiatrische problematiek en dat er significant lijden aanwezig is met betrekking tot de schoolgang in zijn woonplaats [woonplaats].

Gelet op het vorenstaande, gezien met name de informatie van de behandelend jeugdpsychiater, de PCL, en in aanmerking nemend het belang van het betrokken kind, bestond er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om te onderzoeken of er in dit geval sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 29 van de verordening, die noopt tot afwijking van de verordening. Door geen onafhankelijk deskundige te raadplegen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate kunnen bepalen of in dit geval aanleiding bestaat om toepassing te geven aan dit artikel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het telefonisch ingewonnen advies van de directeur van “[school]” in deze situatie niet als een onafhankelijk advies kan gelden. Zoals ter zitting uitvoerig met verweerder is besproken is niet duidelijk geworden welke concrete mogelijkheden de directeur van “[school]” nog zag om de bestaande problemen door het pestgedrag van andere kinderen naar [de zoon] te keren. Het door verweerder in bezwaar genoemde plan van aanpak, wat door de directeur van “[school]” zou zijn opgesteld, bevindt zich niet onder de stukken en het door verweerder ter zitting aangehaalde concept ‘vreedzame school’ dat onlangs op “[school]” is ingevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om van een concrete aanpak voor de problemen van [de zoon] te kunnen spreken. Dat zoals door verweerder is gesteld, hij geen onafhankelijk onderzoek meer kan (laten) verrichten, omdat [de zoon] al van school is gewisseld, kan de rechtbank niet volgen. Immers de betrokken personen kunnen nog steeds in staat worden geacht hun visie op de ontstane situatie bij “[school]” te geven. Voor zover verweerder ter zitting heeft betoogd dat het alsnog toekennen van een vergoeding voor vervoer naar “De Wenteltrap” kan worden opgevat als een aanklacht tegen “[school]”, is de rechtbank, daargelaten wat er van zij, van oordeel dat dat hier geen rol kan spelen. Het gaat hier immers om de vraag of in de specifieke situatie van [de zoon] aanleiding bestaat om af te wijken van de bestaande regeling. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en een deugdelijke motivering mist, als bedoeld in artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet een bevestiging voor dit standpunt in jurisprudentie van de ABRvS, onder meer de uitspraak van 2 augustus 1993 (LJN: AH4304).

8. Ten slotte is door verweerder ter zitting nog gewezen op het feit dat “De Wenteltrap” niet de op één na dichtstbijzijnde school voor speciaal onderwijs is, omdat de school “De Evenaar” in Nieuwegein ca. zes kilometer dichterbij is gelegen. Dit is door eisers erkend. Desgevraagd hebben eisers ter zitting verklaard dat “De Evenaar” wel is overwogen, maar dat zij “[school]” als school meer geschikt vonden voor hun kind. De rechtbank is van oordeel dat, indien het advies van de onafhankelijke deskundige zou luiden dat [de zoon] niet langer zijn opleiding op “[school]” kon vervolgen, tevens de vraag aan de orde kan komen of in dat geval voor de “De Wenteltrap” in plaats van “De Evenaar” kon worden gekozen.

9. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het geconstateerde gebrek zich leent voor herstel via een bestuurlijke lus, op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend, nu verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven geen gebrek te zien zodat geen aanleiding bestaat om over te gaan tot herstel van een gebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

10. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat de gemeente Houten de kosten voor het vervoer van [de zoon] naar en van “De Wenteltrap” dient te vergoeden. Deze voorziening geldt tot en met zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 5 augustus 2011.

11. Het beroep is gegrond. Om die reden bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 december 2011;

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van openbaarmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eisers met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- treft een voorlopige voorziening en bepaalt dat de gemeente Houten de kosten voor het vervoer van [de zoon] naar en van “De Wenteltrap” dient te vergoeden;

- bepaalt dat deze voorziening geldt tot en met zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 5 augustus 2011;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 152,- aan hen

dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 874,-,

te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.