Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7303

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
16/700062-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens een gewapende overval op een buurtsupermarkt. Aangetroffen sporen, match met DNA-profiel van verdachte. Verdachte wordt o.a. veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700062-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 januari 2012 een gewapende overval heeft gepleegd op een buurtsuper te Utrecht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het bewijs en de beoordeling daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Op 8 januari 2012 was aangever [aangever] (hierna [aangever]) aan het werk bij buurtsuper Spar te Utrecht. Om 19.14.11 uur stond er een man bij aangever aan de kassa. Aangever zag dat de man een deftig blauw jasje droeg en een petje ver over zijn ogen had getrokken. Het betrof een beige/bruin petje met een klep en met boven de klep een horizontale roodkleurige rechthoek met daarin drie of vier sterren. De man kocht een blikje cola van merk Highway à € 0,25 cent.

Om 19:23 loopt de man de winkel nogmaals in. Aangever ziet dat de man weer aan zijn kassa komt staan. De man toonde aangever een wapen. Aangever [aangever] herkende het wapen als een pistool. Hij zag dat de man flink aan het graaien was in de kassalade en een stapeltje 50 eurobiljetten, een stapeltje 20 eurobiljetten en een stapeltje 10 eurobiljetten meenam. Op het moment van de overval zat er ongeveer € 1.134,00 in de kassa. Daarna zat er nog één brief van 5 euro in de kassa.

Door verbalisanten wordt vervolgens op diezelfde dag om 21.30 uur in een prullenbak om de hoek van de Spar supermarkt een blikje cola van het merk Highway aangetroffen en in beslag genomen. Op het blikje cola werden de vingerafdrukken van verdachte gevonden. Van de drinkopening van het blikje werd een monster genomen. Het hieruit verkregen DNA-profiel matcht met een referentiemonster van verdachte. De kans dat het aangetroffen spoor afkomstig is van een willekeurig persoon is kleiner dan één op één miljard.

Op 9 januari 2012 wordt naar aanleiding van een burgernetmelding een lichtblauw jasje en een pet met sterren erop gevonden in de bosjes langs het pad bij het Lucasbolwerk te Utrecht. Aangever [aangever] heeft verklaard dat dit petje en jasje precies lijken op de pet en het jasje dat de overvaller had gedragen. Van het petje is een monster genomen. Het hieruit verkregen DNA-hoofdprofiel matcht met een referentiemonster van verdachte. De kans dat het aangetroffen spoor afkomstig is van een willekeurig persoon is kleiner dan één op één miljard.

Van de overval zijn camerabeelden beschikbaar, welke aan medewerkers van Rentray, alwaar verdachte verbleef, zijn getoond. B.E. Haasbroek, directrice van Rentray en L.B. Visscher, unit manager van Rentray herkenden beiden de verdachte als de man op de beelden. De beelden zijn vervolgens ook aan S. van Loo, behandelcoördinator/psycholoog van Rentray, J.T. Kock en Y.P. Feitsma, groepsleiders Rentray getoond. Zij herkenden eveneens de man op de beelden als de bij hen bekende [verdachte].

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 8 januari 2012 een gewapende overval heeft gepleegd op supermarkt Spar te Utrecht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 januari 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld ongeveer 1100 euro, toebehorende aan "buurtsuper SPAR", welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever], medewerker van "buurtsuper SPAR", gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die supermarkt binnen is gegaan en die [aangever] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en vervolgens een hoeveelheid bankbiljetten uit de kassa van die supermarkt heeft gegraaid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in aansluiting op het Reclasseringsadvies d.d. 27 maart 2012 bepleit dat een lange gevangenisstraf niets zal bijdragen aan het voorkomen van recidive in de toekomst, aangezien de belangrijkste criminogene factoren hiermee onverminderd zullen blijven bestaan.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de afgelopen zes jaren heeft doorgebracht in Rentray in het kader van een PIJ-maatregel, doch dat verdachte geen stappen heeft kunnen zetten in de richting van re-integratie/resocialisatie. Dit zou, aldus de raadsman, te wijten zou zijn aan een niet daadkrachtig optreden aan de zijde van Rentray.

Om die reden heeft de raadsman de rechtbank verzocht een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, zodat verdachte een begin kan maken met zijn terugkeer in de samenleving.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in de avonduren een gewapende overval gepleegd op een buurtsuper. Het spreekt voor zich dat een overval waarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp wordt getoond voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij, kennelijk tijdens een (proef)verlof, een dergelijk strafbaar feit begaat.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen met justitie in aanraking is geweest. Zo is verdachte op 5 januari 2006 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaren wegens onder meer poging tot brandstichting.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de Reclasseringsadviezen, opgemaakt door B. Westra d.d. 24 april 2012 en 27 maart 2012, waarin geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.

Van de opmerkingen van de raadsman betreffende het niet voortvarend handelen van Rentray, hetgeen door genoemde Reclasseringsadviezen op bepaalde punten lijkt te worden onderschreven, heeft de rechtbank kennis genomen. Feit blijft echter dat verdachte een nieuw strafbaar feit heeft begaan, waar een forse straf voor op zijn plaats is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd alle in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

7.3.1 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 5.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. I. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 mei 2012.