Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7069

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
310673 - HA ZA 11-1502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincidenten: Toepasselijkheid algemene voorwaarden; battle of forms; EEX-Verordening; onrechtmatige daad; samenhang artikelen 107 en 108 Rv. Vrijwaringsincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 310673 / HA ZA 11-1502

Vonnis in incidenten van 14 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAM MATERIEEL B.V.,

gevestigd te Lelystad,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

verweerster in het incident tot oproeping in vrijwaring,

advocaat: mr. J.O. Berlage te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSMATE RECYCLING B.V.,

gevestigd te Veghel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident bevoegdheidsincident,

eiseres in het incident tot oproeping in vrijwaring,

advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht

TEREX DEMAG GMBH,

gevestigd te Zweibrücken, Duitsland,

(mede) kantoorhoudende te Moerdijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot oproeping in vrijwaring,

advocaat: mr. J.G. ter Meer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds BAM en anderzijds gezamenlijk Transmate c.s., dan wel afzonderlijk Transmate en Terex genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 30;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, alsmede een (voorwaardelijke) incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring namens Transmate;

- de incidentele conclusie van antwoord namens BAM;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring namens Terex;

- de incidentele conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring namens BAM.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2. Inleiding

2.1. BAM heeft in opdracht van Stichting Studenten Huisvesting Utrecht bouwwerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de bouw van grootschalige studentenhuisvesting op de Uithof te Utrecht. Dit project was genaamd Casa Confetti.

2.2. Op donderdag 18 februari 2007 is de torenkraan die BAM bij haar werkzaamheden gebruikte omgevallen. De torenkraan is op een naast het bouwproject gelegen gebouw van de Universiteit Utrecht gevallen. De hiervoor genoemde torenkraan betreft een Terex Peiner, type SK 425 en is door BAM gekocht van Transmate, welke de torenkraan op haar beurt heeft betrokken van Terex. Terex is de producent van de torenkraan.

2.3. BAM heeft op 30 juni 2006 van Transmate zogenoemde fundamentankers, door partijen ook wel smeedstukken genaamd, gekocht. Ook deze smeedstukken zijn door Transmate betrokken van Terex.

2.4. In de hoofdzaak vordert BAM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. te verklaren voor recht dat Transmate c.s., zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door BAM geleden en te lijden schade als gevolg van ondeugdelijke smeedstukken en/of kraan, nader op te maken bij staat;

II. Transmate c.s., zowel afzonderlijk als gezamenlijk (hoofdelijk), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om, bij wijze van voorschot op nader bij staat op te maken schadevergoeding, te betalen aan BAM een bedrag van € 3.159.000,00, inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

III. Transmate c.s., zowel afzonderlijk als gezamenlijk (hoofdelijk), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, alsmede in de kosten van de procedure, de kosten van rechtsbijstand zijdens BAM, alsmede de kosten van beslaglegging, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

IV. Transmate c.s., zowel afzonderlijk als gezamenlijk (hoofdelijk), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten in het geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.5. Aan haar vordering in de hoofdzaak legt BAM – kort gezegd – ten grondslag dat Transmate tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en dat Transmate en Terex onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld.

2.6. Vooropgesteld wordt dat het oordeel van de rechter over eventuele inhoudelijke aspecten in een incident een voorlopig karakter dragen. De rechter in de hoofdzaak is aan dat oordeel niet gebonden.

3. De beoordeling in het bevoegdheidsincident namens Transmate

3.1. Transmate vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Ter onderbouwing van haar incidentele vordering voert Transmate het volgende aan. Volgens Transmate zijn op de koopovereenkomst met betrekking tot de torenkraan de algemene koop- en verkoopvoorwaarden, vastgesteld door de Vereniging van Fabrieken van Handelaren in Bouwmachines, Magazijninrichtingen, Wegenbouwmachines en Transportmiddelen B.M.W.T. (hierna te noemen: BMWT-voorwaarden) van toepassing. Artikel 18 onder b van deze voorwaarden bepaalt dat de rechter van de vestigingsplaats van de verkoper bevoegd is geschillen die tussen verkoper en koper over of naar aanleiding van een tussen hen gesloten overeenkomst mochten ontstaan, te berechten. Dit brengt volgens Transmate mee dat, gelet op haar vestigingsplaats Veghel, de rechtbank ’s-Hertogenbosch – met uitsluiting van de rechtbank Utrecht – bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen BAM en Transmate.

3.2. BAM voert verweer tegen de incidentele vordering. Zij betwist de toepasselijkheid van de BMWT-voorwaarden en beroept zich op toepasselijkheid van haar eigen Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden 2004 op grond waarvan de rechtbank Utrecht bevoegd is. Zij betoogt verder dat de rechtbank Utrecht bevoegd is te oordelen over het geschil tussen BAM en Terex en derhalve, op grond van artikel 107 Rv, ook over het geschil tussen BAM en Transmate.

3.3. De rechtbank overweegt het volgende. Nu Terex gevestigd is op het grondgebied van een andere staat dan Nederland en de vorderingen uit dien hoofde een internationaal karakter dragen, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. Aangezien de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna te noemen: EEX-verordening), verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten van de Europese Unie en Nederland en Duitsland beide lidstaat zijn van de Europese Unie, dient de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld te worden op basis van deze verordening.

3.4. Ten aanzien van Terex grondt BAM haar vordering (enkel) op de stelling dat Terex onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt een verbintenis uit onrechtmatige daad is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 aanhef en onder 3? EEX-verordening bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. Ingevolge deze bepaling is bevoegd het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. BAM legt aan haar vordering – mede – ten grondslag de stelling dat de door Transmate c.s. geleverde smeedstukken ondeugdelijk zijn en dat deze bij normaal gebruik door BAM schade hebben veroorzaakt. Dit brengt volgens BAM mee dat Transmate c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. In deze stelling ligt besloten dat BAM zich op het standpunt stelt dat het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden in Utrecht, als plaats waar de torenkraan is omgevallen en schade heeft toegebracht aan BAM en derden. Daarmee heeft Utrecht als plaats van het schadebrengende feit te gelden en is de rechtbank Utrecht op grond van artikel 5 aanhef en onder 3? EEX-verordening het bevoegde gerecht. Dat Terex (mede) kantoorhoudt te Moerdijk doet, gelet op het bepaalde in artikel 60 EEX-verordening, aan het voorgaande niet af. Bij het voorgaande komt dat Terex de rechtsmacht van de rechtbank Utrecht niet heeft betwist, zodat ook daarom de rechtsmacht van deze rechtbank in het geschil tussen BAM en Terex kan worden aangenomen.

3.5. Toepassing van artikel 6 aanhef en onder 1? EEX-verordening, brengt in beginsel mee dat Terex (ook) kan worden gedaagd voor het gerecht van de woonplaats van Transmate. In voornoemd artikel is bepaald dat indien er meer dan één verweerder is, de buitenlandse verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. BAM legt aan haar vorderingen hetzelfde feitencomplex ten grondslag en grondt haar vorderingen ten aanzien van zowel Transmate, als Terex op vermeend onrechtmatig handelen door deze laatsten. Hieruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat sprake is van een zo nauwe band tussen de vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Dit brengt mee dat de procedure tussen BAM en Terex door hetzelfde gerecht dient te worden behandeld en berecht, als de procedure tussen BAM en Transmate. Of de zaken tussen BAM en Transmate c.s. behandeld en berecht dienen te worden door het gerecht van de woonplaats van Transmate, zoals door haar is gevorderd in dit incident, is afhankelijk van het volgende.

3.6. Beoordeeld dient te worden of, zoals BAM lijkt te betogen, de bevoegdheid van de rechtbank in het geschil tussen BAM en Terex tevens leidt tot bevoegdheid in het geschil tussen BAM en Transmate op grond van artikel 107 Rv of dat, zoals Transmate aanvoert, op grond van de forumkeuze in artikel 18 onder b van deze BMWT-voorwaarden de rechtbank ’s-Hertogenbosch bevoegd is om van beide zaken kennis te nemen.

3.7. De rechter voor wie een zaak is aangebracht, verklaart zich op grond van artikel 108 Rv onbevoegd, indien partijen in de tussen hen gesloten overeenkomst een bevoegde rechter hebben aangewezen en de gedaagde partij zich tijdig op de onbevoegdheid van de aangezochte rechter beroept. Uit deze formulering volgt dat indien partijen een bepaalde rechter als exclusief bevoegde rechter hebben aangewezen, partijen niet van deze rechter kunnen worden afgehouden op grond van andere bepalingen die de relatieve bevoegdheid regelen, zoals artikel 107 Rv. Naar het oordeel van de rechtbank prevaleert het bepaalde in artikel 108 Rv boven het bepaalde in artikel 107 Rv (vgl. Rechtbank Utrecht, 19 juli 2006, LJN AY4707; NJF 2007, 447). Verwijzing door BAM op dit punt naar het vonnis van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2007 (LJN AZ9597; NJF 2007, 134) kan haar niet baten omdat de rechtbank Arnhem in die zaak, onder de daar gegeven omstandigheden, tot het oordeel is gekomen dat artikel 107 Rv prevaleert boven artikel 108 Rv. In die zaak heeft de rechtbank overwogen dat het bepaald ongelukkig zou zijn geweest indien de vorderingen niet door dezelfde rechter zouden worden beoordeeld en voorts dat de voortgang van een van beide procedures gehinderd zou worden teneinde tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. Van deze omstandigheden is in dit incident niet gebleken. Wel is van belang dat in het bestek van dit incident voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat een bepaalde rechter exclusief bevoegd is kennis te nemen van tussen hen gerezen geschillen.

3.8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden tussen BAM en Transmate het volgende. Waar partijen in dit incident twisten over de toepasselijkheid van genoemde BMWT-voorwaarden op de koopovereenkomst omtrent de torenkraan tussen BAM en Transmate, verliezen zij uit het oog dat BAM haar vordering in de hoofdzaak (hoofdzakelijk) grondt op de stelling dat de door Transmate aan haar geleverde smeedstukken ondeugdelijk zijn gebleken en deze bij normaal gebruik schade hebben veroorzaakt. Dit brengt mee dat hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op de koopovereenkomst omtrent de torenkraan buiten beschouwing kan worden gelaten. Immers, vaststaat dat door BAM en Transmate een (afzonderlijke) koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot de levering van smeedstukken. Met betrekking tot deze laatste koopovereenkomst is door BAM de toepasselijkheid van haar algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden bepleit, doch is de toepasselijkheid daarvan door Transmate betwist.

3.9. Het standpunt van Transmate dat zij onbekend is met de door BAM als productie 2 overgelegde opdrachtbevestiging van 30 juni 2006, en daarmee ook haar stelling dat deze opdrachtbevestiging geen betrekking heeft op de smeedstukken ten behoeve van het bouwproject Casa Confetti, is onhoudbaar. Bezien in het licht van de door BAM overgelegde producties 35, 36 en 37 valt niet in te zien dat Transmate onbekend is met de opdrachtbevestiging van 30 juni 2006. Immers, uit deze stukken blijkt dat Terex acht smeedstukken heeft geleverd met materiaalnummer 40826877, welk nummer correspondeert met het materiaalnummer dat op de smeedstukken is vermeld zoals te zien is op de als producties 36 en 37 overgelegde foto’s. Voorts staat het opdrachtnummer van de opdrachtbevestiging van 30 juni 2006 (3540/4500062231/M21) eveneens op de door Transmate aan BAM gestuurde facturen van 10 juli 2006 en 29 september 2006. Daarmee heeft BAM de stelling van Transmate dat de smeedstukken mondeling bij haar zijn besteld, voldoende gemotiveerd weersproken en haar eigen stelling dat de smeedstukken bij opdrachtbevestiging van 30 juni 2006 zijn besteld, voldoende (nader) onderbouwd.

3.10. In de opdrachtbevestiging van 30 juni 2006 is – voor zover hier van belang – door BAM het volgende vermeld:

“(…)

Onze Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden (A.I.O.V.) vormen een onverbrekelijk deel van deze opdracht. Algemene voorwaarden van opdrachtnemer wijzen wij nadrukkelijk af.

(…)”

3.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft BAM in haar opdrachtbevestiging van 30 juni 2006 voldoende duidelijk haar algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden toepasselijk verklaard, met uitdrukkelijke afwijzing van de algemene voorwaarden van de opdrachtnemer. Gesteld noch gebleken is dat Transmate op deze opdracht of koopovereenkomst door haar gehanteerde algemene voorwaarden toepasselijk heeft verklaard, zodat in dit incident van de toepasselijkheid van de algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden van BAM zal worden uitgegaan.

3.12. Wat er ook zij van de toepasselijkheid van de algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden van BAM op de koopovereenkomst met betrekking tot de door Transmate aan haar geleverde smeedstukken, brengt dit niet de door Transmate bepleite onbevoegdheid van de rechtbank Utrecht mee. Immers, door partijen wordt uitdrukkelijk geen beroep gedaan op het in artikel 19 lid 1 van deze voorwaarden opgenomen arbitragebeding, waarin is bepaald dat geschillen, met uitsluiting van de gewone rechter worden beslist door de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Verder heeft BAM de bevoegdheid van de rechtbank Utrecht aanvaard door de zaak bij haar aanhangig te maken zodat eventuele onbevoegdheid van de rechtbank op grond van het arbitragebeding buiten beschouwing kan worden gelaten.

3.13. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat een bepaalde rechter exclusief bevoegd is kennis te nemen van tussen hen gerezen geschillen en dat derhalve geen sprake is van een situatie – zoals hiervoor onder 3.7 overwogen – waarin artikel 108 Rv prevaleert boven artikel 107 Rv. De incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen. Transmate zal daarbij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4. De beoordeling in het voorwaardelijk incident tot oproeping in vrijwaring namens Transmate

4.1. Transmate c.s. vordert dat haar wordt toegestaan Terex Demag GmbH te Zweibrücken, Duitsland, in vrijwaring op te roepen. BAM refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.2. Aan de voorwaarde waaronder Transmate haar incidentele vordering heeft ingesteld, is voldaan nu de rechtbank Utrecht bevoegd is kennis te nemen van de hoofdzaak. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beoordeling in het incident tot oproeping in vrijwaring namens Terex

5.1. Terex vordert dat haar wordt toegestaan in vrijwaring op te roepen:

1. Baest, a.s., gevestigd te Benesov, Tsjechië;

2. BAM Utiliteitsbouw B.V., gevestigd te Bunnik;

3. BAM Woningbouw B.V., gevestigd te Bunnik;

4. Transmate Recycling B.V., gevestigd te Veghel.

5.2. BAM voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de gevorderde toestemming ten aanzien van Baest, BAM Utiliteitsbouw en BAM Woningbouw. Hoewel BAM aanvoert dat wat haar betreft de vordering tot oproeping van Transmate in het incident kan worden afgewezen, refereert zij zich in vrijwaring aan het oordeel van de rechtbank. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.3. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot vrijwaring in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien uit feiten en omstandigheden die aan die vordering ten grondslag worden gelegd, voortvloeit dat de verzoeker tot vrijwaring in geval van een ongunstige afloop van de hoofdzaak, krachtens haar onderlinge rechtsverhouding op degene die zij in vrijwaring wenst op te roepen een verhaalsrecht kan hebben. Voorts moet worden opgemerkt dat in het kader van een vordering tot vrijwaring in beginsel niet ter beoordeling staat of de stellingen waarop die vordering wordt gebaseerd juist zijn. Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot vrijwaring komt slechts de vraag aan de orde of de verzoekende partij haar belang bij een oproeping in vrijwaring voldoende aan kan tonen.

5.4. De verweren van BAM tegen het in dit incident gevorderde slagen ten aanzien van de oproeping in vrijwaring van Baest. De door Terex aan haar incidentele vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden vormen onvoldoende onderbouwing van een onderlinge rechtsverhouding op grond waarvan Terex, in geval van een voor haar ongunstige afloop van de hoofdzaak, een verhaalsrecht op Baest kan hebben. Derhalve zal het Terex niet toegestaan worden Baest in vrijwaring op te roepen.

5.5. Terex heeft in haar incidentele conclusie de grondslagen van eventuele vorderingen jegens BAM Utiliteitsbouw, BAM Woningbouw en Transmate Recycling, voldoende onderbouwd door aan te voeren dat (medewerkers van) BAM Utiliteitsbouw, BAM Woningbouw en Transmate Recycling onrechtmatig jegens Terex hebben gehandeld en door dit gesteld onrechtmatig handelen van voldoende onderbouwing te voorzien.

5.6. Voor beantwoording van de vraag of de hoofdzaak onredelijk zou worden vertraagd als de vordering tot vrijwaring wordt toegestaan, zoals BAM stelt, komt het aan op een onderzoek naar de belangen van partijen en naar de eisen van een doelmatige procesvoering. De rechtbank is van oordeel dat gezamenlijke behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaring gewenst is uit het oogpunt van proceseconomie en om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. Voorshands valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de vrijwaring, in verhouding tot de hoofdzaak, zo gecompliceerd of tijdrovend zal zijn, dat eventuele vertraging op voorhand onredelijk of nodeloos moet worden geoordeeld. Daarbij heeft Terex, anders dan BAM lijkt te betogen, een gerechtvaardigd belang om haar verhaalsrecht op BAM Utiliteitsbouw, BAM Woningbouw en Transmate Recycling tegelijk met een veroordeling in de hoofdzaak te laten vaststellen, mits daardoor de hoofdzaak geen onredelijke vertraging oploopt. De belangenafweging dient dus in het nadeel van BAM uit te vallen, waarbij de rechtbank ten overvloede overweegt dat het belang van BAM bij een voortvarende afhandeling van de zaak wordt gediend door de mogelijkheid om, indien zijn vrees voor onredelijke vertraging gerechtvaardigd zou blijken, de vrijwaring van de hoofdzaak af te splitsen (artikel 215 Rv).

5.7. BAM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld.

6. De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident namens Transmate

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt Transmate in de kosten van het incident, aan de zijde van BAM tot op heden begroot op € 3.211,00,

6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het voorwaardelijk incident tot oproeping in vrijwaring namens Transmate

6.4. staat toe dat Terex Demag GmbH te Zweibrücken, Duitsland, door Transmate wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 23 mei 2012,

6.5. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident tot oproeping in vrijwaring namens Terex

6.6. staat toe dat BAM Utiliteitsbouw B.V., gevestigd te Bunnik, door Terex wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 25 april 2012,

6.7. staat toe dat BAM Woningbouw B.V., gevestigd te Bunnik, door Terex wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 25 april 2012,

6.8. staat toe dat Transmate Recycling B.V., gevestigd te Veghel, door Terex wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 25 april 2012,

6.9. veroordeelt BAM in de kosten van het incident, aan de zijde van Terex tot op heden begroot op € 452,00,

6.10. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

6.11. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 april 2012 voor conclusies van antwoord namens Transmate en Terex.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.