Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW6847

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
315888 - FA RK 11-7262
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben in 2010 een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding gedaan. Zij hebben daarbij een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan overgelegd. Hierin hebben partijen afspraken gemaakt ten aanzien van de kinderalimentatie. Bij beschikking van 17 maart 2010 is bepaald dat de regeling, zoals tussen verzoekers is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan, deel uitmaakt van de beschikking.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn primaire verzoek had moeten gronden op artikel 1:401 lid 5 waarbij een overeenkomst kan worden gewijzigd wanneer zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er is sprake van een dergelijke grove miskenning wanneer er een wanverhouding zou bestaan tussen wat de rechter zou hebben beslist en wat partijen zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is echter dat hiervan sprake is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man niet-ontvankelijk is in zijn primaire verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector Familie & Toezicht

zaaknummer / rekestnummer:

315888 / FA RK 11-7262 wijziging kinderalimentatie

317288 / FA RK 11-7907 wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Tussenbeschikking van 23 mei 2012

in de zaak met nummer 315888 van

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna: de man,

advocaat mr. J.C. Floor,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna: de vrouw,

advocaat mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder,

en in de zaak met nummer 317288 van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna: de vrouw,

advocaat mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna: de man,

advocaat mr. J.C. Floor.

1. Verloop van de procedure

De man heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

De vrouw heeft een verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingediend.

Er zijn van beide zijden nader stukken ontvangen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 maart 2012. Hierbij zijn beide partijen met hun advocaat verschenen. Voorts was aanwezig de heer Z. Aykan, tolk voor de vrouw.

Op 24 april 2012 is van de zijde van de vrouw een faxbericht ontvangen. Op 4 mei 2012 is een brief van de zijde van de man ontvangen.

2. Vaststaande feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van 17 maart 2010. Deze beschikking is op 26 maart 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te IJsselstein.

2.2. Het minderjarige kind van partijen is:

[het kind], geboren op [2005] te [geboorteplaats].

2.3. Bij voornoemde beschikking is onder meer bepaald dat de man met een bedrag van

€ 150,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op grond van de wettelijke indexering is dit bedrag thans € 151,35 per maand.

3. Beoordeling van het verzoek

Nadat partijen hun standpunten uiteen hebben gezet ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, hebben zij de rechtbank meegedeeld in mediation te willen gaan om te kijken of zij het geschil met betrekking tot de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onderling kunnen oplossen. Vervolgens hebben zij meegedeeld ook het verzoek tot wijziging van de alimentatie bij de mediator te willen bespreken. De rechtbank heeft vervolgens meegedeeld dat de behandeling van de verzoeken drie maanden zal worden aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation.

Bij faxbericht van 24 april 2012 van de zijde van de vrouw is aan de rechtbank meegedeeld dat mediation niet heeft plaatsgevonden. De vrouw verzoekt de zaak verder op zitting te behandelen.

Bij brief van 3 mei 2012 is van de zijde van de man aan de rechtbank meegedeeld dat de man geen nadere zitting wenst, aangezien deze reeds op 23 maart 2012 heeft plaatsgehad.

De rechtbank is van oordeel dat, nu het verzoek tot wijziging van de alimentatie ter terechtzitting is besproken en partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om op elkaars stellingen te reageren, de rechtbank dit deel van het verzoek kan afdoen zonder nadere zitting. Het verzoek van de vrouw om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen is ter terechtzitting van 23 maart 2012 niet inhoudelijk besproken, aangezien partijen de rechtbank hebben meegedeeld dat zij in mediation wilden gaan. Gelet hierop zal de rechtbank de behandeling van dit deel van het verzoek pro forma aanhouden tot 13 juni 2012 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun (aanvullende) verhinderdata door te geven en daarna een nieuwe datum voor een terechtzitting vast te stellen.

Alimentatie

De man verzoekt primair te bepalen dat voornoemde beschikking, alsmede het convenant en ouderschapsplan d.d. 1 februari 2010 dienen te worden gewijzigd of ingetrokken, zodat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van

1 maart 2010 op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat voornoemde beschikking alsmede het convenant en ouderschapsplan d.d. 1 februari 2010 dienen te worden gewijzigd, zodat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 maart 2010, althans vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

De man stelt hiertoe primair dat de beschikking van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord omdat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Subsidiair stelt hij dat er een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden.

De vrouw voert verweer.

De rechtbank oordeel als volgt.

Artikel 1:401 lid 4 BW bepaalt dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 1:401 lid 5 BW bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 november 2007, LJN: BA9619 onder meer overwogen dat in de situatie waarin een kinderalimentatie is vastgelegd in een convenant en vervolgens door de rechter op hetzelfde bedrag is vastgesteld, en nadien wijziging of intrekking wegens te geringe draagkracht wordt verzocht, voldaan dient te worden aan de maatstaf van artikel 1:401 lid 5 BW.

Partijen hebben in 2010 een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding gedaan. Zij hebben daarbij een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan overgelegd. Hierin hebben partijen afspraken gemaakt ten aanzien van de kinderalimentatie. Bij beschikking van 17 maart 2010 is bepaald dat de regeling, zoals tussen verzoekers is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan, deel uitmaakt van de beschikking.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn primaire verzoek had moeten gronden op artikel 1:401 lid 5 waarbij een overeenkomst kan worden gewijzigd wanneer zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er is sprake van een dergelijke grove miskenning wanneer er een wanverhouding zou bestaan tussen wat de rechter zou hebben beslist en wat partijen zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is echter dat hiervan sprake is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man niet-ontvankelijk is in zijn primaire verzoek.

Daarmee komt de rechtbank bij het subsidiaire verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie op grond van een wijziging van omstandigheden.

Wijziging van omstandigheden

De man stelt dat hij in augustus, september en oktober 2011 minder heeft kunnen werken vanwege stress vanwege zijn schuldenlast, zodat zijn inkomen waarschijnlijk lager zal liggen dan ruim een jaar geleden. Voorts stelt dat de man dat zijn schuldenlast is opgelopen en thans ongeveer € 15.000,-- bedraagt. Daarnaast stelt de man een wijziging aan de kant van de vrouw in die zin dat zij is gaan samenwonen en dat zij is gaan werken.

De rechtbank stelt vast dat de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt wat zijn inkomen in de eerste maanden van 2012 is geweest. Voorts beschikt de rechtbank alleen over een door de man gemaakt draagkrachtberekening over 2010 en niet over stukken waaruit het inkomen van de man ten tijde van het maken van de afspraken tussen partijen blijkt. Niet duidelijk is derhalve of de terugloop in inkomsten van den man tijdelijk of structureel was en of deze terugloop zodanig is dat de overeengekomen alimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Voorts stelt de rechtbank vast dat de man zijn stelling dat hij thans een schuld heeft die ongeveer € 15.000,-- bedraagt, niet, althans niet voldoende, met stukken heeft onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, gelet op het verweer van de vrouw.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de wijzigingen die aan de zijde van de vrouw hebben plaatsgevonden, zodanig zijn dat de overeengekomen bijdrage hierdoor niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Niet weersproken is immers dat het inkomen van de vrouw ongeveer € 500,-- netto per maand bedraagt, welk bedrag ruim onder de bijstandsnorm ligt. Ook het feit dat de nieuwe partner van de vrouw (een deel van) de woonlasten voor zijn rekening neemt, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat de overeengekomen bijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Als niet weersproken staat immers vast dat de minderjarige behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 240,-- per maand. Partijen zijn overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten moet betalen van € 150,--. Dat betekent dat het overige deel van de kosten reeds door de vrouw voor haar rekening dient te worden genomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de wijziging van omstandigheden zodanig is dat de overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek van de man af;

houdt de behandeling van het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aan tot 13 juni 2012 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun (aanvullende) verhinderdata door te geven, waarna een nieuwe zittingsdatum zal worden bepaald.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. van Maanen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.?