Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW6555

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
16/601244-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 2. Er is sprake van een recent feit en de dagvaardingstermijn is niet in acht genomen. De raadsman was niet akkoord gegaan met de verkorte dagvaardingstermijn. Veroordeling voor voorbereidingshandelingen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (een) jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601244-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats] (Somalië)

verblijvende te [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 april 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor een beroving en/of afpersing.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2. Dit nu het een recent feit betreft en de termijn van dagvaarding niet in acht is genomen. De raadsman heeft te kennen gegeven dat de officier van justitie hem de week voor de zitting zou hebben gebeld en de raadsman zijn akkoord heeft gevraagd voor het alsnog toevoegen van het tweede feit aan de dagvaarding. De raadsman zou hiermee niet akkoord zijn gegaan. Nu de officier van justitie toch de dagvaarding ten aanzien van feit 2 heeft uitgebracht, zonder inachtneming van de daarvoor vereiste termijn en zonder dat de raadsman akkoord is gegaan met verkorting van die termijn, moet de officier van justitie ten aanzien van dat feit niet ontvankelijk worden verklaard.

De officier van justitie stelt er niet van op de hoogte te zijn geweest dat de raadsman niet akkoord was gegaan met verkorting van de dagvaardingstermijn. Hij heeft te kennen gegeven zich de bezwaren van de verdediging te kunnen voorstellen en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft reeds mondeling ter terechtzitting haar oordeel ten aanzien van de ontvankelijkheid gegeven. Zij heeft vastgesteld dat de dagvaardingstermijn niet in acht is genomen. De rechtbank heeft voorts de verdediging in haar standpunt gevolgd en heeft de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard ten aanzien van feit 2.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van het overige .

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de omstandigheden van het geval en in het bijzonder de waarnemingen van verbalisant in burger [verbalisant 1]. Daarbij betrekt hij de voorwerpen die de verdachten bij zich hadden en later door de politie zijn aangetroffen. Te weten een paar latex handschoenen, een muts en een vuurwapen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat uit de waarnemingen van de verbalisant [verbalisant 1] niet kan volgen dat de verdachten bezig waren met de voorbereiding van een overval. Derhalve dient er integrale vrijspraak te volgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft gehad. Derhalve zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die verdachte en zijn medeverdachten bij zich droegen bestemd waren tot het begaan van een dergelijk misdrijf. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat verdachte voor ogen stond .

Vorenstaande in acht nemende, stelt de rechtbank uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 22 december 2011 tussen omstreeks 21:05 uur en 21:12 uur nam verbalisant in burger [verbalisant 1] op de Professor Jordanlaan te Utrecht het navolgende waar. Op de Professor Jordanlaan ter hoogte van de Eykmanlaan zag hij een stationair lopende scooter, zonder kentekenplaat, op de stoep staan. Op de scooter zat een jongen die zijn gezicht met een sjaal bedekt had en de hele tijd om zich heen keek. Nadat [verbalisant 1] was doorgefietst zag hij dat die jongen met de scooter bleef staan en hij had het vermoeden dat de jongen op iets aan het wachten was. Hierop volgend heeft [verbalisant 1] de meldkamer van de politie Utrecht gebeld.

Na doorgefietst te zijn zag [verbalisant 1] vervolgens ter hoogte van de achteringang van de Albert Heijn, gelegen in het winkelcentrum De Gaard, twee jongens op de Valentonlaan lopen, die allebei hun gezicht bedekt hadden. Een van de jongens had een sjaal zodanig om zijn gezicht gewikkeld dat alleen zijn ogen zichtbaar waren. De andere jongen droeg een zwarte muts die [verbalisant 1] herkende als een muts die je kunt uitrollen tot een bivakmuts. [verbalisant 1] zag de twee jongens heen en weer lopen en om zich heen kijken en hij zag ze vervolgens weglopen. Bij de Albert Heijn was op dat moment een vrachtwagen aan het laden en lossen. De achterdeur van de Albert Heijn stond open en buiten stond een medewerker van Albert Heijn. [verbalisant 1] had sterk het gevoel dat de jongens een overval wilde plegen op de Albert Heijn. Even later zag [verbalisant 1] dat de twee jongens hem tegemoet liepen en daarbij om zich heen keken. De twee jongens passeerden hem en liepen in de richting van de Eykmanlaan naar de scooter. [verbalisant 1] zag de twee jongens achterop de scooter stappen die vervolgens wegreed. [verbalisant 1] bleef de jongens in het zicht houden en gaf de positie van hen door aan de meldkamer van de politie waarmee [verbalisant 1] telefonisch in contact is gebleven.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de avond van 22 december 2011 op straat een vriend tegenkwam. Hij zocht vervoer voor hem en zijn vriend en heeft toen de jongen op de scooter gevraagd of hij hen kon vervoeren. Met zijn drieën zijn ze op de scooter weggereden.

De drie personen op de scooter probeerden van de politie weg te komen en zijn daarbij achtervolgd. Een burgervoertuig van de politie probeerde de scooter klem te rijden op een fietspad, waarbij de scooter omviel waarna de drie jongens in verschillende richtingen wegrenden. Verbalisant [verbalisant 2] zag medeverdachte [medeverdachte 1] richting de berm, bestaande uit hoog riet en onverzorgde bossage, rennen en had het gevoel dat medeverdachte [medeverdachte 1] iets probeerde weg te maken. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] was aangehouden hebben [verbalisant 2] en zijn collega [verbalisant 3] in genoemde bossage gezocht en vond [verbalisant 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De plek waar dit wapen lag was in een straal van ongeveer drie meter van waar medeverdachte [medeverdachte 1] is aangehouden. Het wapen is door [verbalisant 4] veilig gesteld en hij constateerde dat het wapen nog grotendeels droog was terwijl het eerder op de avond had geregend. Dit wapen is door de politie gekwalificeerd als een met bijbehorende knalmunitie geladen 8mm start-/alarmpistool, waarvan het voorhanden hebben ingevolge de wet wapens en munitie verboden is. Blijkens de van dit wapen in het dossier aanwezige foto’s gelijkt dit wapen sterk op een echt vuurwapen. Het wapen is tevens ten behoeve van een DNA-onderzoek bemonsterd. Voorts is gezocht naar voorwerpen die verdachten mogelijk hadden weggegooid. Daarop is in de berm op ongeveer een meter van het fietspad een zwarte bivakmuts gevonden, die door [verbalisant 4] is veilig gesteld.

Verdachte heeft tijdens zijn achtervolging door de politie een paar crèmekleurig latexhandschoenen uit zijn zakken gehaald en deze op de grond gegooid. Deze handschoenen zijn voorts in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een paar latexhandschoenen bij zich had en die heeft weggegooid tijdens het rennen.

De DNA-deskundige Blom heeft op verzoek van het openbaar ministerie een vergelijkend DNA-onderzoek gedaan en heeft gerapporteerd, kort samengevat, dat er een match is vastgesteld tussen het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1] en de bemonstering van de aangetroffen (bivak)muts.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft - kort samengevat - het verweer gevoerd dat de aangetroffen voorwerpen niet aan verdachte kunnen worden gekoppeld en dat nergens uit blijkt dat verdachte voornemens was een strafbaar feit te plegen. Verdachte heeft een duidelijke en geloofwaardige verklaring afgelegd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van voorbereidingsmiddelen. Bovendien is door de verbalisant [verbalisant 1] slechts waargenomen dat verdachte en zijn medeverdachten aldaar rondliepen en is het vermoeden van [verbalisant 1] dat de verdachten voornemens waren een overval te plegen onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens de raadsman is er geen enkele koppeling te maken met een op handen staande overval op de Albert Heijn. Verdachte dient te worden vrijgesproken. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er sprake was van voorbereidingshandelingen dan is er volgens de raadsman sprake van vrijwillige terugtred.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Ondanks het feit dat verdachte niet wenst te zeggen met wie hij die avond op pad was en met wie hij door de politie is aangehouden stelt de rechtbank vast dat verdachte samen was met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Voor het kunnen vaststellen van de verrichte handelingen van de verdachten hecht de rechtbank waarde aan de bevindingen van de politie. Agent [verbalisant 1] heeft uitgebreid uiteen gezet wat hij heeft waargenomen en heeft beschreven op grond waarvan hij het gevoel kreeg dat de jongens, die bij de Albert Heijn stonden, van plan waren een overval te plegen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij ter plekke slechts een vriend trof, vervolgens een lift heeft gezocht en ook nog bij een groepje vrienden heeft gestaan en dat hij niet bij de achteringang van de Albert Heijn heeft gestaan acht de rechtbank, reeds gelet op de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], niet geloofwaardig.

Medeverdachte [medeverdachte 1] droeg die avond een verboden alarm- / startpistool bij zich en had een muts, dan wel een op een muts gelijkend voorwerp, met twee ooggaten er in . Voorts had verdachte een paar latex handschoenen op zak.

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor beschreven voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat verdachten voor ogen hadden. Naar het oordeel van de rechtbank was dit misdadige doel het plegen van een overval op de vestiging van de Albert Heijn, waarbij zij zijn gezien door verbalisant [verbalisant 1]. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de combinatie en de onderlinge samenhang van de hiervoor vermelde aangetroffen voorwerpen en het door de politie waargenomen gedrag van verdachten op een tijdstip, vlak nadat de Albert Heijn normaal gesproken sluit, kan worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten deze voorwerpen opzettelijk voorhanden hebben gehad om daarmee een overval te plegen.

Ook de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte 1], welke vereist is voor het bestanddeel medeplegen, kan worden bewezen. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] ter uitvoering van het gezamenlijk plan een beroving te gaan plegen. Daartoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

-verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] liepen op 22 december 2011 samen op straat en zijn achterop de scooter van medeverdachte [medeverdachte 2] gestart;

- verdachte en medeverachte [medeverdachte 1] hielden zich gezamenlijk op bij de achteringang van de Albert Heijn en keken zenuwachtig om zich heen;

- verdachten hadden hun gezicht bedekt;

- medeverdachte [medeverdachte 1] had een muts met ooggaten en een alarm- / startpistool bij zich en verdachte had een paar latex handschoenen bij zich;

- op het moment dat de politie verdachte en zijn medeverdachten probeerde staande te houden ter plekke, trachtten zij te ontkomen en ontdeden zich daarbij van de voorwerpen, te weten een muts, een het alarm- / startpistool en een paar latex handschoenen.

Ook het verweer van de raadsman dat er vrijspraak dient te volgen nu er sprake is van vrijwillige terugtred wordt verworpen. Bij een beroep op vrijwillige terugtred ligt het op de weg van de verdachte om aannemelijk te maken dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van zijn wil afhankelijk. Nu verdachte op geen enkele wijze zijn beroep op vrijwillige terugtred heeft onderbouwd, behoeft dit verweer hier geen nadere bespreking.

Alles overwegende acht de rechtbank het telastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De door de raadsman en verdachte aangevoerde verweren worden verworpen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 december 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten

- diefstal met geweld in vereniging zoals omschreven in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht of

- afpersing in vereniging, zoals omschreven in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk

- één of meer voor vermomming geschikt(e) voorwerp(en) en

- een voor afdreiging geschikt voorwerp en

- een of meer (latex) handschoenen,

derhalve voorwerpen bestemd tot het begaan van die misdrijven voorhanden heeft gehad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en/of

Voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. De officier van justitie ziet redenen om beperkt af te wijken van de LOVS richtlijnen, nu het niet tot een daadwerkelijk overval is gekomen en de verrichte voorbereidingshandelingen weinig professioneel moeten worden geacht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander op 22 december 2011 - op de wijze zoals hiervoor is omschreven - schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen met het oog op een afpersing dan wel een diefstal met (bedreiging met) geweld. Dat het niet tot een confrontatie met potentiële slachtoffers is gekomen, is een omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Kennelijk zijn verdachten gestoord in hun plannen en hebben zij hun voorgenomen plannen daarom niet verder uitgevoerd. Hierdoor zijn potentiële slachtoffers verschoond gebleven van jegens hen uit te oefenen geweld. Immers, in de nabijheid van verdachte en zijn mededader zijn een vuurwapen, een muts en een paar latex handschoen aangetroffen die verdachte en zijn mededader voorhanden hebben gehad met het doel deze te gebruiken voor het plegen van een overval.

Het feit dat verdachte op pad was met medeverdachte [medeverdachte 1], die een sterk op een echt gelijkend start-/ alarmpistool voorhanden bleek te hebben, spreekt ook niet in zijn voordeel. Het bezit van een wapen als dit kan worden aangewend voor het plegen van misdrijven onder bedreiging. Voor dit type wapen geldt dat het ongeoorloofd bezit een gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 februari 2012 eerder voor zowel vermogens- als geweldsdelicten feit is veroordeeld. Op 24 juni 2011 heeft de rechtbank Utrecht verdachte veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet en heeft daarbij een PIJ-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd.

De rechtbank houdt verder rekening met een rapport van M. Groenen, van de Raad voor de Kinderbescherming, van 7 juni 2011 waarin de PIJ-maatregel is geadviseerd. In het rapport staat onder meer: In het Klinisch Multidisciplinair onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een ernstige gedragsstoornis, beginnend in de kindertijd. Aanvullend is er sprake van psychopathe trekken in een persoonlijkheid die zich ontwikkelt richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er sprake van een reactieve hechtingsstoornis. Ook worden de diagnose misbruik van alcohol (in vroege en volledige remissie) en misbruik van cannabis gesteld. Daarnaast zijn er ADHD-symptomen zichtbaar, maar te inconsistent om de diagnose te kunnen stellen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Alhoewel er, gezien de eerder geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en het feit dat verdachte reeds een PIJ-maatregel is opgelegd, aanwijzingen zijn voor een verminderde toerekeningsvatbaarheid acht de rechtbank verdachte toch geheel toerekeningsvatbaar. Verdachte heeft zich doelbewust onttrokken aan zijn behandeling en heeft samen met zijn medeverdachte een overval beraamd. Verdachte wordt in staat geacht de reikwijdte van zijn handelen te kunnen hebben voorzien.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om in het voordeel van verdachte te laten meewegen dat de voorbereidingshandelingen weinig professioneel lijken.

Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een voltooide overval van een winkel wordt in voormelde oriëntatiepunten minimaal een gevangenisstraf van 2 jaren onvoorwaardelijk gehanteerd. Hier is echter geen sprake van een voltooide overval maar van een voorbereiding op een overval. Artikel 46, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij voorbereiding het maximum van de hoofdstraf met de helft wordt verminderd. Deze bepaling heeft de rechtbank betrokken bij de toepassing van voormeld LOVS-oriëntatiepunt. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar passend en geboden moet worden geacht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 46, 47, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht..

8 De beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk ten aanzien feit 2;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (een) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd een set crème kleurige latex handschoenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en

Mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 april 2012.