Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW6545

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
SBR 11/3974
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering in behandeling nemen aanvraag van eiseres voor een Nederlands paspoort op grond van art. 39, lid 1 van de PUN omdat eiseres niet heeft voldaan aan het in art. 28a, lid 1 van de PUN gestelde vereiste. Verweerder heeft gesteld dat hij op grond van de Verordening en de Paspoortwet gehouden is om vingerafdrukken te vragen, de door eiseres aangevoerde gewetensbezwaren zijn geen reden daarvan af te wijken.

Art. 8 van het EVRM. De Rb. is van oordeel dat met art. 65, lid 1 van de Paspoortwet en de nadere uitwerking daarvan in art. 28a van de PUN is voldaan aan de eis dat in beperking van het recht op privéleven bij wet is voorzien, en dat deze wetgeving toegankelijk en voorzienbaar is.

Zowel uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet als uit de totstandkoming van de Verordening kan worden afgeleid dat vanwege een grote dreiging die van misbruik van reisdocumenten uitgaat, sprake is van een dringende maatschappelijke behoefte om bij de afgifte van een paspoort vingerafdrukken op te nemen ten behoeve van opname in het paspoort. Dat betekent dat inmenging in het recht op privéleven noodzakelijk moet worden geacht. Naar het oordeel van de Rb. is die inmenging eveneens proportioneel met het te beschermen belang. Anders dan eiseres meent is er naar het oordeel van de Rb. dan ook sprake van een dringende maatschappelijke behoefte die een inbreuk op art. 8 van het EVRM rechtvaardigt.

Uit de wetgeschiedenis van de Paspoortwet en de totstandkoming van de Verordening blijkt dat de opslag van vingerafdrukken in het paspoort leidt tot een betrouwbaarder verband tussen de houder en het paspoort, hetgeen bijdraagt tot de bescherming ervan tegen frauduleus gebruik. Verder ontstaat door het opnemen van de vingerafdrukken de mogelijkheid om in de toekomst ook bij grenscontroles gebruik te maken van de controle op vingerafdrukken. Dat op dit moment (nog) geen gebruik wordt gemaakt van deze technische (controle)mogelijkheden, doet niet af aan het bestaan van deze dringende maatschappelijke behoefte.

Uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet en de totstandkoming van de Verordening blijkt dat het niet wenselijk werd geacht om een uitzondering te maken voor gewetensbezwaarden. Het betoog dat de gewetensbezwaren van eiseres beschouwd moeten worden als een tijdelijke verhindering, waardoor het onmogelijk is om vingerafdrukken af te geven, zodat verweerder op grond van art. 28a, lid 6 van de PUN had moeten afzien van het afnemen van vingerafdrukken, slaagt niet. De omstandigheden (lees: de gewetensbezwaren) die eiseres aanvoert om geen vingerafdrukken af te staan zijn naar hun aard niet tijdelijk, zodat alleen al om die reden van een tijdelijke verhindering geen sprake is.

Overigens volgt uit de tekst van art. 28a, lid 6 van de PUN dat slechts in geval van een tijdelijke fysieke verhindering kan worden afgezien van het afnemen van vingerafdrukken. De Rb. ziet geen ruimere uitzondering in art. 28a, lid 6 van de PUN dan in de Verordening. Immers, ook uit de Verordening volgt dat slechts in geval van een tijdelijke fysieke belemmering aanleiding kan bestaan om af te zien van het afnemen van vingerafdrukken.

De Rb. volgt eiseres evenmin in haar betoog dat de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet inmiddels is achterhaald aangezien de oorspronkelijk beoogde langdurige opslag van vingerafdrukken in een reisdocumentenadministratie inmiddels, per 23 juni 2011, is komen te vervallen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de wijzigingen van de Paspoortwet is beoogd om het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten betrouwbaarder te maken. Zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de totstandkoming van de Verordening blijkt dat de opslag van vingerafdrukken in een paspoort leidt tot een betrouwbaarder verband tussen de houder en het paspoort. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat het feit dat de wetgever inmiddels heeft besloten om af te zien van een systeem van langdurige opslag van vingerafdrukken gevolgen heeft voor de relevantie van de wetsgeschiedenis voor de onderhavige zaak. De Rb. is overigens van oordeel dat ook uit de totstandkoming van en de genoemde jurisprudentie over de Verordening reeds kan worden afgeleid dat de verplichte afgifte van vingerafdrukken ten behoeve van opslag in het paspoort niet in strijd is met art. 8 van het EVRM.

Uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet (TK 2007-2008, 31 324, nr. 3, p. 21 en 22) blijkt dat bij de belangenafweging die de wetgever heeft gemaakt ook acht is geslagen op de belangen die de Richtlijn EG 1995/46 beoogt te beschermen. De wetgever heeft voor het onderhavige geval al een voldoende specifieke belangenafweging gemaakt, zodat er in het bestreden besluit geen ruimte meer is voor (nogmaals) een belangenafweging.

De Rb. is van oordeel dat vingerafdrukken niet kunnen worden aangemerkt als een (intellectueel) eigendom in de zin van art. 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zodat reeds daarom voor een (aanbod voor een) financiële compensatie geen noodzaak is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr.drs. J. Hemelaar,

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder,

gemachtigden: A. Akse, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mr. A.C. Palmboom, advocaat te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2011 heeft verweerder geweigerd de aanvraag van eiseres voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen. Bij besluit van 20 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 4 juli 2011 een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat eiseres heeft geweigerd haar vingerafdrukken af te geven.

Wettelijk kader

2. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Europese verordening betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (Verordening EG nr. 2252/2004, als gewijzigd bij Verordening EG nr. 444/2009, hierna: de Verordening) dienen door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten te voldoen aan de in de bijlage vervatte minimumveiligheidsnormen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt voor deze paspoorten en reisdocumenten een opslagmedium gebruikt dat een gezichtsopname bevat en nemen de lidstaten ook twee platte vingerafdrukken in een interoperabel formaat op.

Op grond van lid 2bis van dit artikel zijn kinderen jonger dan twaalf jaar en personen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is, vrijgesteld van de verplichte afname van vingerafdrukken.

In lid 2ter van dit artikel is bepaald dat wanneer het nemen van een afdruk van de aangewezen vingers tijdelijk onmogelijk is, de lidstaten toestaan dat afdrukken van andere vingers worden genomen.

Op grond van het derde lid van dit artikel is de Verordening van toepassing op door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten.

Op grond van artikel 4, derde lid, van de Verordening worden biometrische gegevens verzameld en opgeslagen in het opslagmedium voor paspoorten en reisdocumenten, met het oog op de afgifte van zulke documenten.

3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet is een nationaal paspoort een reisdocument.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Paspoortwet is een reisdocument voorzien van de gezichtsopname, twee vingerafdrukken en de handtekening van de houder volgens nader door Onze Minister te stellen regels. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen reisdocumenten worden aangewezen die niet worden voorzien van een of meer van deze gegevens en kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen van de gezichtsopname, vingerafdrukken of de handtekening in het aangevraagde reisdocument indien deze gegevens niet van de houder kunnen worden verkregen.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel houden de tot uitreiking bevoegde autoriteiten een administratie bij met betrekking tot uitgereikte reisdocumenten en daarin bijgeschreven personen. Deze administratie bevat de gegevens bedoeld in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel, alsmede de documentnummers. In deze administratie kunnen voorts ten hoogste de gegevens die bij de aanvraag zijn overgelegd, worden opgenomen. De foto en de handtekening worden bewaard door de autoriteit die het reisdocument heeft verstrekt, in een administratie die zowel op naam als op documentnummer toegankelijk is.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Paspoortwet bewaart de autoriteit die het reisdocument verstrekt, in de administratie, bedoeld in artikel 3, achtste lid, tweede volzin:

a. de in artikel 3, derde lid, bedoelde vingerafdrukken;

b. twee andere, door Onze Minister aan te wijzen vingerafdrukken van de aanvrager van een reisdocument.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden de in het eerste lid bedoelde gegevens uitsluitend verstrekt aan autoriteiten, instellingen en personen die belast zijn met de uitvoering van deze wet, voor zover zij de gegevens nodig hebben voor die uitvoering.

4. Op grond van artikel 28a, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: de PUN) worden bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument de afdrukken van vier vingers van de aanvrager opgenomen.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat indien de daartoe aangewezen ambtenaar van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag vier vingerafdrukken worden opgenomen, in ieder geval de afdrukken opgenomen worden van de vingers waarbij dit volgens de daartoe aangewezen ambtenaar wel mogelijk is. Bij gerede twijfel of het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om vier vingerafdrukken op te nemen, kan van de aanvrager worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de PUN wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 38 niet in behandeling genomen.

Op grond van artikel 72, eerste lid, van de PUN wordt van elk verstrekt reisdocument respectievelijk van elke daarin opgenomen bijschrijving een administratie bijgehouden.

Op grond van het vierde lid van dit artikel worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens gedurende elf jaren na de datum van verstrekking van het betreffende reisdocument dan wel de opneming van de bijschrijving in een reisdocument bewaard.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel, zoals dat sinds 23 juni 2011 luidt, worden in afwijking van het vierde lid de in de reisdocumentenadministratie opgenomen vingerafdrukken, bedoeld in artikel 28a, bewaard tot het moment dat de uitreiking van het aangevraagde reisdocument dan wel de reden voor het niet uitreiken daarvan, in het reisdocumentenstation is geregistreerd.

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat hij de aanvraag op grond van artikel 39, eerste lid, van de PUN buiten behandeling heeft gelaten omdat eiseres niet heeft voldaan aan het in artikel 28a, eerste lid, van de PUN gestelde vereiste. Verweerder heeft gesteld dat hij op grond van de Verordening en de Paspoortwet gehouden is om vingerafdrukken te vragen, de door eiseres aangevoerde gewetensbezwaren zijn geen reden daarvan af te wijken.

Artikel 8 van het EVRM

6. Eiseres heeft vanwege haar persoonlijke levensovertuiging bezwaar tegen het afgeven van vingerafdrukken. Naar de overtuiging van eiseres hoort een maatschappij niet ingericht te worden op basis van angst, maar op basis van vertrouwen. Eiseres wil niet meewerken aan een politie- of surveillancestaat. Zij heeft betoogd dat de verplichte afgifte van vingerafdrukken ten behoeve van opname in haar paspoort, zoals neergelegd in de Paspoortwet, een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect van haar privé leven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en andere verdragsrechtelijke bepalingen vormt.

7. Niet in geschil is dat verplichte afgifte van vingerafdrukken een inmenging in het privéleven oplevert. Verweerder heeft echter betoogd dat er sprake is van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

8. Artikel 8 van het EVRM voorziet in de mogelijkheid van inmenging in het recht op privéleven voor zover daarin bij wet is voorzien. Dit houdt mede in dat de wettelijke regeling voldoende toegankelijk en voorzienbaar moet zijn. Tevens moet de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is inmenging slechts noodzakelijk als sprake is van een dringende maatschappelijke behoefte en indien de inmenging proportioneel is met het te beschermen belang.

9. De rechtbank is van oordeel dat met artikel 65, eerste lid, van de Paspoortwet en de nadere uitwerking daarvan in artikel 28a van de PUN is voldaan aan de eis dat in beperking van het recht op privéleven bij wet is voorzien, en dat deze wetgeving toegankelijk en voorzienbaar is.

10. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van de maatregel en het daarmee te dienen doel heeft verweerder, onder verwijzing naar kamerstukken, toegelicht dat de nationale wetgever de maatregel noodzakelijk heeft geacht in verband met de bescherming van de openbare orde. Verweerder acht het van belang dat de betreffende bepalingen ter uitvoering van de Verordening in de Paspoortwet zijn opgenomen. Hij heeft er verder op gewezen dat zowel het Europees Parlement als de nationale wetgever er expliciet voor heeft gekozen om voor gewetensbezwaarden geen uitzondering te maken op de verplichte afgifte van vingerafdrukken.

11. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Paspoortwet in verband met het herinrichten van de reisdocumentenadministratie (Kamerstukken II 2007-2008, 31 324, nr. 3, p. 2) blijkt dat met deze wijziging is beoogd een meer betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten te creëren, ter voorkoming van identiteitsfraude, hetzij bij het aanvragen van een nieuw document, hetzij bij het gebruik van het reisdocument. Het voornemen om de reisdocumentenadministratie anders in te richten en het, naast de handtekening en de foto, opnemen van andere biometrische gegevens in de reisdocumenten, is niet nieuw. Vanaf 1997 is de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1997-1998, 25 764) hierover herhaaldelijk geïnformeerd.

12. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1997-1998, 25 764, nr. 7, p. 2 en 3) blijkt dat de wetgever zijn oordeel heeft doen steunen op onderzoek door TNO, Nederlandse Organisatie voor toegepast- natuurwetenschappelijk onderzoek, die een frauderisicoanalyse heeft uitgevoerd. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat vooral ook waarborgen in het uitgifteproces tot stand moeten worden gebracht. TNO heeft vraagtekens geplaatst bij het klaar-terwijl-u-wacht-principe en aandacht gevraagd voor de problematiek van afgifte op oneigenlijke gronden en de look alikes (het gebruik van een document door een andere persoon dan de houder). Voorts heeft intensief beraad plaatsgevonden met de betrokken deskundigen van onder meer de Criminele Recherche en Inlichtingendienst (CRI), Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de Koninklijke Marechaussee. Uit dit beraad is naar voren gekomen dat reisdocumenten, vanwege de identiteitsvaststellende functie, in het maatschappelijk verkeer een steeds belangrijkere functie vervullen. De financiële belangen die hiermee gepaard gaan, en daarmee de dreiging die van misbruik uitgaat, worden steeds groter. Het zwaartepunt van bedreigingen verplaatst zich van namaak en vervalsingen naar het gebruik van reisdocumenten door look alikes en uitgifte op oneigenlijke gronden. Dit stelt hoge eisen aan de beveiliging en controleerbaarheid van het document én aan het aanvraag- en uitgifteproces. Het proces van identiteitsvaststelling in het kader van de afgifte, maar ook bij controle, is essentieel voor het betrouwbaar houden van het Nederlandse reisdocument. In dit licht zou de introductie van biometrie een belangrijke stap vooruit kunnen betekenen.

13. In de Verordening is bepaald dat de door de lidstaten afgegeven paspoorten voorzien moeten zijn van twee platte vingerafdrukken in een interoperabel formaat. Uit de tweede en derde overweging van de considerans van Verordening 2252/2004 en uit artikel 4, derde lid, van de Verordening blijkt dat deze ten doel heeft vervalsing en frauduleus gebruik van door de lidstaten afgegeven paspoorten en andere documenten te voorkomen. Met de harmonisatie van de veiligheidskenmerken en de integratie van biometrische identificatiemiddelen wordt, met het oog op toekomstige ontwikkelingen op Europees niveau, een belangrijke stap gezet naar het gebruik van nieuwe elementen die het reisdocument veiliger maken en een betrouwbaarder verband tot stand brengen tussen de houder en het paspoort of reisdocument, hetgeen in belangrijke mate bijdraagt tot de bescherming ervan tegen frauduleus gebruik.

14. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in een arrest van 18 december 2007 (zaak C 137/05, Verenigd Koninkrijk) geoordeeld dat er geen aanleiding is om Verordening 2252/2004 nietig te verklaren. In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2011 (LJN: BR7082) - een zaak die eveneens betrekking had op buiten behandelingstelling van een paspoortaanvraag vanwege weigering vingerafdrukken af te staan - is overwogen dat hieruit kan worden afgeleid dat het Hof de Verordening 2252/2004 niet in strijd acht met artikel 8 van het EVRM.

15. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat zowel uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet als uit de totstandkoming van de Verordening kan worden afgeleid dat vanwege een grote dreiging die van misbruik van reisdocumenten uitgaat, sprake is van een dringende maatschappelijke behoefte om bij de afgifte van een paspoort vingerafdrukken op te nemen ten behoeve van opname in het paspoort. Dat betekent dat inmenging in het recht op privéleven noodzakelijk moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is die inmenging eveneens proportioneel met het te beschermen belang. Anders dan eiseres meent is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een dringende maatschappelijke behoefte die een inbreuk op artikel 8 van het EVRM rechtvaardigt.

16. Eiseres heeft verder betoogd dat het gebruik van de in het paspoort opgeslagen vingerafdrukken vooralsnog beperkt is, zodat niet valt in te zien wat de fraudepreventieve werking is van de opslag van vingerafdrukken in het paspoort. Dit betoog slaagt niet. Uit de wetgeschiedenis van de Paspoortwet en de totstandkoming van de Verordening blijkt dat de opslag van vingerafdrukken in het paspoort leidt tot een betrouwbaarder verband tussen de houder en het paspoort, hetgeen bijdraagt tot de bescherming ervan tegen frauduleus gebruik. Verder ontstaat door het opnemen van de vingerafdrukken de mogelijkheid om in de toekomst ook bij grenscontroles gebruik te maken van de controle op vingerafdrukken. Dat op dit moment (nog) geen gebruik wordt gemaakt van deze technische (controle)mogelijkheden, doet niet af aan het bestaan van deze dringende maatschappelijke behoefte.

Gewetensbezwaren / Tijdelijke verhindering

17. Eiseres voert verder aan dat zij gewetensbezwaren heeft en dat om die reden voor haar een uitzondering dient te worden gemaakt op de afgifte van vingerafdrukken. Zij stelt dat deze gewetensbezwaren moeten worden beschouwd als een tijdelijke verhindering als bedoeld in artikel 28a, zesde lid van de PUN. Volgens eiseres is de regeling wat betreft uitzonderingen in de PUN ruimer dan in de Verordening, en mag verweerder zich niet verschuilen achter de Verordening.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet en de totstandkoming van de Verordening blijkt dat het niet wenselijk werd geacht om een uitzondering te maken voor gewetensbezwaarden. Het Europees Parlement heeft dit als volgt verwoord:

“The harmonisation of exceptions of the fingerprinting requirement is essential in order to maintain common security standards and in view of simplifying border controls. Both for legal and security reasons it should not be left to national legislation to define the exceptions from the obligation to provide fingerprints for passports and other travel documents issued by member states”.

(Report on the proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council amending Council Regulation (EC) No. 2252/2004 on standards for security features and biometrics in passports and travel documents issued by Member States, COM (2007)0619)

In de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 124, nr. 5, p. 3) is het volgende te lezen:

“In de verordening is niet voorzien in een specifieke uitzonderingsmogelijkheid van opname van vingerafdrukken in reisdocumenten voor zover sprake is van gewetensbezwaren. Het is daarom niet mogelijk om daarin bij of krachtens het wetsvoorstel wel te voorzien. Ik acht dit - afgezien van de grenzen die Europese regelgeving aan het wetsvoorstel stelt - ook niet wenselijk. Een dergelijke mogelijkheid bestaat immers ook niet ten aanzien van de opname van de foto in een reisdocument. Het voorzien in een dergelijke mogelijkheid doet afbreuk aan de doelstelling om onder meer look-alike-fraude met reisdocumenten te voorkomen, bij voorbeeld wanneer gewetensbezwaren worden voorgewend door degenen die fraude willen plegen met reisdocumenten.”

19. Het betoog dat de gewetensbezwaren van eiseres beschouwd moeten worden als een tijdelijke verhindering, waardoor het onmogelijk is om vingerafdrukken af te geven, zodat verweerder op grond van artikel 28a, zesde lid, van de PUN had moeten afzien van het afnemen van vingerafdrukken, slaagt niet. De omstandigheden (lees: de gewetensbezwaren) die eiseres aanvoert om geen vingerafdrukken af te staan zijn naar hun aard niet tijdelijk, zodat alleen al om die reden van een tijdelijke verhindering geen sprake is.

20. De rechtbank is overigens met verweerder van oordeel dat uit de tekst van artikel 28a, zesde lid, van de PUN volgt dat slechts in geval van een tijdelijke fysieke verhindering kan worden afgezien van het afnemen van vingerafdrukken. Zij overweegt daartoe dat in dit artikellid is bepaald dat in geval van een tijdelijke verhindering in ieder geval wel de afdrukken worden opgenomen van de vingers waarbij dit wel mogelijk is. Een dergelijke bepaling zou onbegrijpelijk zijn indien onder een tijdelijke verhindering ook een tijdelijke niet fysieke verhindering moet worden verstaan. Ook uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet (TK 2007-2008, 31324, nr. 5, p. 3) blijkt dat onder een tijdelijke verhindering een tijdelijke fysieke verhindering moet worden verstaan: “Verder kent het wetsvoorstel de mogelijkheid om een reisdocument af te geven zonder biometrische gegevens voor gevallen waarin deze gegevens niet van de houder kunnen worden verkregen. Dit is met name het geval bij degenen bij wie het afnemen van vingerafdrukken, die aan de eisen voldoen, niet mogelijk is. Behalve bij degenen bij wie de vingers ontbreken, kan daarbij ook worden gedacht aan kinderen beneden de zes jaar: Bij deze kinderen hebben de vingerafdrukken over het algemeen nog niet de kwaliteit die nodig is voor verificatie.”

21. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande - anders dan eiseres - geen ruimere uitzondering in artikel 28a, zesde lid, van de PUN dan in de Verordening. Immers, ook uit de Verordening volgt dat slechts in geval van een tijdelijke fysieke belemmering aanleiding kan bestaan om af te zien van het afnemen van vingerafdrukken.

22. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet inmiddels is achterhaald aangezien de oorspronkelijk beoogde langdurige opslag van vingerafdrukken in een reisdocumentenadministratie inmiddels, per 23 juni 2011, is komen te vervallen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de wijzigingen van de Paspoortwet is beoogd om het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten betrouwbaarder te maken. Zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de totstandkoming van de Verordening blijkt dat de opslag van vingerafdrukken in een paspoort leidt tot een betrouwbaarder verband tussen de houder en het paspoort. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat het feit dat de wetgever inmiddels heeft besloten om af te zien van een systeem van langdurige opslag van vingerafdrukken gevolgen heeft voor de relevantie van de wetsgeschiedenis voor de onderhavige zaak. De rechtbank is overigens van oordeel dat ook uit de totstandkoming van en de onder 14 genoemde jurisprudentie over de Verordening reeds kan worden afgeleid dat de verplichte afgifte van vingerafdrukken ten behoeve van opslag in het paspoort niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Richtlijn EG 1995/46

23. Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder op grond van Richtlijn EG 1995/46 van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Richtlijn) gehouden was haar individuele bezwaren tegen de afgifte van vingerafdrukken mee te wegen en dat hij derhalve niet kan volstaan met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis.

24. Uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet (TK 2007-2008, 31 324, nr. 3, p. 21 en 22) blijkt dat bij de belangenafweging die de wetgever heeft gemaakt ook acht is geslagen op de belangen die de Richtlijn beoogt te beschermen. De wetgever heeft, zoals hiervoor is overwogen, zich op het standpunt gesteld dat het niet wenselijk is een uitzondering te maken voor gewetensbezwaarden. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de wetgever voor het onderhavige geval al een voldoende specifieke belangenafweging heeft gemaakt, zodat er in het bestreden besluit geen ruimte meer is voor (nogmaals) een belangenafweging. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet inmiddels is achterhaald, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 22 heeft overwogen.

Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

25. Eiseres heeft betoogd dat verweerder met het afnemen van de vingerafdrukken een inbreuk maakt op haar recht op eigendom, zodat hij haar op grond van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna; het Handvest) een financiële compensatie had moeten aanbieden. Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat vingerafdrukken niet kunnen worden aangemerkt als een (intellectueel) eigendom in de zin van artikel 17 van het Handvest, zodat reeds daarom voor een (aanbod voor een) financiële compensatie geen noodzaak is.

Artikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht

26. Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder de aanvraag in strijd met artikel 4:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gesteld aangezien het verstrekken van de gevraagde gegevens onevenredig is jegens haar. Dit betoog slaagt niet. Immers, ingevolge het tweede lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd.

Artikel 6 van het EVRM

27. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat het in strijd is met artikel 6 van het EVRM dat zij gedurende het door haar ingestelde beroep een lange periode zonder paspoort moet leven - met de daaraan verbonden gevolgen - en evenmin in aanmerking komt voor een tijdelijk document. Dit betoog slaagt niet. Met de onderhavige procedure is eisers een eerlijke rechtsgang geboden, de redelijke termijn is daarbij niet overschreden. Eiseres heeft bovendien geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen tegen het besluit van 21 juli 2011, dan wel het bestreden besluit.

28. Uit al het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de PUN terecht heeft geweigerd om de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen.

Twee of vier vingerafdrukken.

29. Eiseres heeft tot slot nog betoogd dat verweerder bij haar aanvraag had kunnen volstaan met het afnemen van twee in plaats van vier vingerafdrukken. In artikel 65, eerste lid, van de Paspoortwet is (nog) geregeld dat vier bruikbare vingerafdrukken dienen te worden afgenomen. Echter, op 23 juni 2011 is artikel 72, vijfde lid, van PUN gewijzigd en is de bewaarperiode van de opslag in de decentrale documentenadministratie beperkt tot de periode van de aanvraag. De Paspoortwet dient derhalve nog te worden gewijzigd in die zin dat bij de aanvraag voor een paspoort nog slechts twee bruikbare vingerafdrukken hoeven te worden afgegeven. Van een dringende maatschappelijke behoefte die maakt dat bij de afgifte van een reisdocument niet kan worden volstaan met de afgifte van twee bruikbare vingerafdrukken, is thans geen sprake meer, aldus eiseres. Wat hier ook van zij, nu eiseres in het geheel heeft geweigerd om vingerafdrukken af te geven, kan dit niet leiden tot een ander oordeel. Om die reden zal de rechtbank dit punt verder onbesproken laten.

Conclusie

30. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd kan, gezien het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.