Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW6305

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
16/512667-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van voorbereidingshandelingen van diefstal met geweld en afpersing, beiden in vereniging. Uit de wettige bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte één van de gevonden voorwerpen, start/alarmpistool, bivakmuts en latexhandschoenen, die bestemd zouden zijn voor het plegen van een overval in zijn bezit had of heeft gehad.

Ook het forensisch onderzoek heeft geen nadere aanwijzingen opgeleverd inzake een dergelijke directe betrokkenheid van verdachte bij deze attributen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512667-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van een diefstal met geweld in vereniging en/of een afpersing in vereniging door één of meerdere voorwerpen voorhanden te hebben om die misdrijven te kunnen plegen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij met name op de in het dossier opgenomen processen-verbaal van bevindingen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt:

Indien een verdachte het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten laste wordt gelegd dient –zakelijk weergegeven- allereerst bewezen te worden dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op het voorhanden hebben van de bepaalde voorwerpen die zijn bestemd voor het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Daarnaast moet zijn opzet er tevens op zijn gericht dat deze voorwerpen voorhanden waren ter voorbereiding van een dergelijk misdrijf.

In het onderhavige geval kan uit de wettige bewijsmiddelen niet blijken dat verdachte zelf één van de in de tenlastelegging genoemde attributen (start-, alarmpistool, bivakmuts, latex handschoenen) die bestemd zouden zijn voor het plegen van een overval in zijn bezit had of heeft gehad. Ook het forensisch onderzoek heeft geen nadere aanwijzingen opgeleverd inzake een dergelijke directe betrokkenheid van verdachte bij deze attributen. Derhalve kan niet reeds daaruit het bewijs volgen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet op het aanwezig hebben van deze attributen had.

Het bewijs voor het opzet van verdachte dient dus te blijken uit bewijsmiddelen waaruit kan blijken dat verdachte als medepleger met betrekking tot het voorhanden hebben door zijn medeverdachten van voormelde attributen kan gelden. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit minimaal met zich mee dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte zo niet wetenschap had van het voorhanden hebben door (één van) zijn medeverdachten van één of meer van deze attributen, dan toch in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij/zij dergelijke attributen voorhanden had(den) heeft aanvaard.

In dit verband stelt de rechtbank vast dat uit de verklaringen van verdachte noch uit die van zijn medeverdachten dit laatste kan worden afgeleid. Geen van hen verklaart immers dat verdachte direct dan wel indirect wetenschap had van de aanwezigheid van deze attributen bij zijn medeverdachten. Ook uit de verklaringen van getuigen kan dit niet worden afgeleid. Ook bevinden zich geen bewijsmiddelen in het dossier waaruit kan blijken dat verdachte op min of meer dezelfde voet als zijn medeverdachten bij de voorbereiding van de overval betrokken was. Derhalve kan daaruit ook niet worden afgeleid dat verdachte wist c.q. de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat zijn medeverdachten over genoemde attributen zouden beschikken. De rechtbank heeft hierbij ook betrokken dat er qua leeftijd en/of criminele ervaring een groot verschil is tussen verdachte en zijn medeverdachten. Dit brengt met zich dat naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer kan worden aangenomen dat verdachtes medeverdachten vooraf met verdachte hebben besproken welke attributen zij bij (de voorbereiding van) de overval zouden gaan gebruiken.

De rechtbank wil hierbij niet ongenoemd laten dat verdachtes handelen, in het bijzonder het op zijn medeverdachten wachten met een mogelijk gestolen scooter, en het hen vervolgens op die scooter meenemen, zeker vragen oproept en minst genomen onverstandig is geweest. De rechtbank constateert echter dat dit wachten en meenemen zelf niet direct of indirect (bijvoorbeeld in de vorm van het voorhanden hebben van een mogelijk gestolen scooter) als (strafbare) (voorbereidings-)handeling in de tenlastelegging is opgenomen, zodat deze omstandigheid op zichzelf niet kan bijdragen aan de bewezenverklaring van het verdachte onder punt 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt voorts dat genoemd wachten en meenemen in juridische zin op zichzelf bezien niet zonder meer medeplegen oplevert. Evenmin kan reeds uit dit wachten en meenemen worden afgeleid dat verdachte wist c.q. voor lief heeft genomen dat zijn medeverdachten ook de in de tenlastelegging genoemde attributen voorhanden zouden hebben. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht, dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

5 De teruggave aan verdachte van het in beslag genomen goed

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen scooter, Piaggio Zip, aan de rechthebbende, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen scooter, Piaggio Zip;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en

mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 april 2012.