Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW6295

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
322770 / HA RK 12-209
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 322770 / HA RK 12-209

beslissing van 22 mei 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:

[verzoekster],

wonende te Utrecht,

verder te noemen [verzoekster],

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.M.P.M. Adank.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 5 april 2012 heeft mr. Adank namens [verzoekster] bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van mr. [A], rechter in de sector bestuursrecht van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak van [verzoekster] tegen Centrum Indicatiestelling Zorg, die aldaar is geregistreerd onder zaaknummer SBR 11 / 3857 AWBZ A S200.

1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust. Mr. [X] heeft op 3 mei 2012 haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van de rechtbank doen toekomen.

1.3. De griffier van deze wrakingskamer van de rechtbank heeft verzoekster, haar gemachtigde en de gewraakte rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 8 mei 2012. Centrum Indicatiestelling Zorg is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Op 5 mei 2012 heeft mr. Adank zijn nadere schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van de rechtbank doen toekomen.

1.5. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 8 mei 2012 plaatsgevonden. [verzoekster], mr. Adank en mr. [X] hebben tevoren laten weten niet te zullen verschijnen. Namens Centrum Indicatiestelling Zorg is niemand verschenen.

1.6. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. In de hoofdprocedure heeft [verzoekster] beroep ingesteld tegen een besluit van Centrum Indicatiestelling Zorg.

2.2. Op 20 maart 2012 hebben [verzoekster] en Centrum Indicatiestelling Zorg telefonisch ingestemd met de behandeling van het beroep op de zitting van 6 april 2012.

2.3. Bij fax van 5 april 2012 heeft mr. Adank, onder verwijzing naar schriftelijke informatie van de huisarts van [verzoekster], verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. Diezelfde dag is namens mr. [X] aan mr. Adank bericht dat het aanhoudingsverzoek vooralsnog niet wordt gehonoreerd en dat het verzoek van [verzoekster] om getuigen te horen en stukken in te brengen op de zitting zal worden besproken. Later die dag heeft mr. Adank het onderhavige wrakingsverzoek ingediend.

3. Het verzoek

3.1. [verzoekster] legt aan haar verzoek tot wraking ten grondslag dat mr. [X] geen uitstel heeft verleend. Het belang dat [verzoekster] heeft bij het voorbespreken van de zaak en haar aanwezigheid bij de behandeling van de zaak wordt door mr. [X] blijkbaar te gering geacht, aldus [verzoekster]. Ook is aangevoerd dat de oproep voor de zitting van 6 april 2012 pas op 21 maart 2012 is ontvangen.

3.2. Mr. [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen. Zij heeft er onder meer op gewezen dat op 20 maart 2012 tussen een medewerker bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en de gemachtigde van [verzoekster], mr. Adank, telefonisch contact is geweest waarbij de datum voor de behandeling van het beroep is vastgesteld op 6 april 2012 en dat op 5 april 2012 namens haar aan mr. Adank is bericht dat het verzoek om uitstel vooralsnog niet wordt gehonoreerd en het verzoek van [verzoekster] om getuigen te horen en stukken in te brengen op de zitting zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit alles in samenhang met de door de Hoge raad en door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn, indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond

waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. [X] jegens [verzoekster]. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij [verzoekster] dienaangaande bestaande vrees dat mr. [X] jegens [verzoekster] een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

4.4. De rechtbank overweegt dat de beslissing om een zaak ter zitting te gaan behandelen dan wel de behandeling van een zaak (op verzoek) aan te houden een processuele beslissing is. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek tot uitstel heeft gegeven. Alleen indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

4.5. Van een dergelijke onbegrijpelijkheid is geen sprake. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan worden geconcludeerd dat de afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting doet twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. [X]. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens de Procesregeling bestuursrecht van de oproepingstermijn van zes weken kan worden afgeweken en dat de datum waarop de zitting zou plaatsvinden, 6 april 2012, bovendien in overleg met partijen op 20 maart 2012 is vastgesteld. In artikel 16, zesde lid van de Procesregeling bestuursrecht 2010 is bepaald dat de rechtbank een verzoek om verdaging slechts inwilligt, indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. [verzoekster] heeft geen argumenten aangevoerd waaruit volgt dat het oordeel van mr. [X] dat aan deze cumulatieve voorwaarden niet is voldaan onbegrijpelijk is. De rechtbank acht voorts van belang dat mr. [X] aan de gemachtigde van [verzoekster] de mogelijkheid heeft geboden om ter zitting van 6 april 2012 het verzoek tot het horen van getuigen en het inbrengen van stukken te bespreken, hetgeen alsdan (alsnog) tot een aanhouding van de behandeling van de zaak had kunnen leiden.

4.6. De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [A] af;

5.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan [verzoekster], mr. Adank, mr. [X] en Centrum Indicatiestelling Zorg, alsmede aan de voorzitter van de sector bestuursrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. drs. R. in ’t Veld, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. van der Landen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2012.