Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5888

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
16/710568-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Techno. Kweken/bezit hennep, criminele organisatie, witwassen. Verweer niet-ontvankelijkheid OM ivm zgn "dubbele dagvaarding" verworpen. Verweer onrechtmatige start onderzoek verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710568-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Huis van Bewaring [plaats].

Raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

samen met anderen beroepsmatig in een pand aan de [adres] te [plaats] een hennepplantage heeft gehad en/of samen met anderen daar elektriciteit heeft weggenomen;

feit 2:

samen met anderen een grote hoeveelheid hennep voorhanden heeft gehad in een pand aan het [adres] te Utrecht en/of in een pand aan de [adres] te [woonplaats];

feit 3:

samen met anderen beroepsmatig in hennep heeft gehandeld, dan wel hennep voorhanden heeft gehad;

feit 4:

samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op hennepdelicten en witwassen;

feit 5:

een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie en de geldigheid van de dagvaarding

3.2.1.De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Er is een dagvaarding gedateerd 13 september 2011 (hierna ook: de september-dagvaarding) die 5 feiten bevat, waaronder witwassen. Ook voor dat laatste feit is verdachte in bewaring gesteld en is gevangenhouding verleend.

Verdachte heeft in december een tweede dagvaarding ontvangen (hierna ook: de december-dagvaarding). In deze december-dagvaarding is witwassen als zelfstandig feit niet meer tenlastegelegd, maar is wel, anders dan in de september-dagvaarding, tenlastegelegd het deelnemen aan een criminele organisatie met (onder meer) het oogmerk van witwassen van geld, verkregen uit misdrijf.

De september-dagvaarding is niet (door een mededeling op de december-dagvaarding, of door een mededeling ter zitting) ingetrokken.

De officier van justitie heeft ook niet bij de voordracht op 6 januari 2012 medegedeeld dat de september-dagvaarding is ingetrokken. Die voorgedragen dagvaarding was de december-dagvaarding.

Het systeem van het Wetboek van Strafvordering brengt (bovendien) mee dat geen nieuwe dagvaarding uit mag gaan als niet op de eerste dagvaarding onherroepelijk is beslist.

De september-dagvaarding is ook niet ter zitting gewijzigd op de voet van art. 314a van het Wetboek van Strafvordering, zodat verdediging noch rechter zich over de wijziging heeft kunnen uitlaten.

Omdat beide dagvaardingen naast elkaar bestaan was voor de verdediging niet duidelijk welke feiten onderwerp van het onderzoek ter terechtzitting vormen.

De verdediging kreeg daarover pas tijdens de zitting van 6 januari 2012 – en slechts op eigen verzoek – duidelijkheid.

Tijdens de proforma zitting van 13 oktober 2011 heeft de officier van justitie toegezegd dat verdachte [verdachte] niet voor witwassen vervolgd zou worden. Thans staat deelname aan een organisatie die witwassen als oogmerk heeft wel op de tenlastelegging.

Dat levert strijd op met het vertrouwensbeginsel, nu de verdachte erop mocht vertrouwen dat hem niet enige vorm van witwassen ten laste zou worden gelegd.

Verdachte mocht er, gelet op de september-dagvaarding ook op vertrouwen dat het onderzoek ter terechtzitting niet zou gaan over de 291 planten van feit 1 en de diefstal van stroom.

De verdediging is door een en ander ernstig geschaad in haar belangen.

De raadsman concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot (partiële) nietigverklaring van de dagvaarding, meer subsidiair tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting indien dat plaatsvindt op de grondslag van de december-dagvaarding.

3.2.2.De rechtbank oordeelt als volgt.

3.2.2.1. Een dagvaarding gedateerd 13 september 2011 voor de zitting van 13 oktober 2011 is aan de verdachte uitgereikt op 14 september 2011 onder toezending van een afschrift aan zijn raadsman.

In deze september-dagvaarding wordt de verdachte – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het verweer van belang - verweten

1. 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in Utrecht, [plaats] en/of [plaats] telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren , verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep.

2. 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in (het arrondissement) Utrecht: deelneming aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren , verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van hennep

3. 1 januari 2011 tot en met 6 juli 2011 in Utrecht althans Nederland witwassen van geld

4. 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in Utrecht ([adres] respectievelijk [adres]) telen, bereiden, bewerken, verwerken van 20,36 respectievelijk 24,78 kilogram hennep

en

5. op 5 juli 2011 in Utrecht bezit van een vuurwapen en munitie

3.2.2.2. Op de september-dagvaarding is door de officier van justitie onder meer het volgende vermeld:

(voorgedrukt) “Ik deel voorts mede dat ik ter terechtzitting onmiddellijk nadat ik de zaak heb voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting zal vorderen (art. 282 lid 4 Wetboek van strafvordering).” en (in handschrift): “Dit betreft een regiezitting.”

3.2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 oktober 2011 houdt onder meer het volgende in als mededeling van de officier van justitie:

“De thans voorliggende tenlastelegging is ingevolge artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering conform de voorlopige tenlastelegging in het bevel bewaring. Het onderzoek betreffende deze strafzaak is zo goed als afgerond en het einddossier wordt 7 november 2011 verwacht. Ik zal zo spoedig mogelijk na deze datum het einddossier, alsmede een definitieve tenlastelegging, aan de procespartijen doen toekomen. Het thans nog ten laste gelegde witwassen zal ik in de definitieve tenlastelegging niet meer opnemen.”

en voorts:

De rechtbank verzoekt de verdediging zo spoedig mogelijk na het ontvangen van het einddossier eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Aan de -naar het zich nu laat aanzien- inhoudelijke behandeling op 12 januari 2012 zal op 6 januari 2012 een proforma-behandeling voorafgaan.

De rechtbank schorst vervolgens, gehoord de officier van justitie, de verdachte en de raadsman, het onderzoek tot de terechtzitting van 6 januari 2011 te 13.45 uur. (…)

De rechtbank zegt verdachte en de raadsman aan dan zonder nadere oproeping weer aanwezig te zijn.

3.2.2.4. Een dagvaarding gedateerd 13 december 2011 voor de zitting van 6 januari 2012 is aan de verdachte uitgereikt op 13 december 2011 onder toezending van een afschrift aan zijn raadsman.

In deze dagvaarding wordt de verdachte – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het verweer van belang – verweten:

1. 1 maart 2011 tot en met 16 mei 2011 in [plaats] ([adres]) telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 291 hennepplanten, in elk geval meer dan 30 gram hennep en diefstal van elektriciteit ter plaatse;

2. 5 juli 2011 in Utrecht ([adres] respectievelijk [adres]) telen, bereiden, bewerken, verwerken van 20,36 respectievelijk 24,78 kilogram hennep;

3. 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in Utrecht, [plaats] en/of [plaats] althans in Nederland telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren , verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep;

4. 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in (het arrondissement) Utrecht althans in Nederland: deelneming aan een criminele organisatie die als oogmerk handelen in strijd met artikel 3B en 3C van de Opiumwet en

5. witwassen van geld en goederen;

en

6. op 5 juli 2011 in Utrecht bezit van een vuurwapen en munitie.

3.2.2.5. Op die terechtzitting heeft de officier van justitie de tenlastelegging voorgedragen. Dat betrof, aldus de raadsman, de tenlastelegging opgenomen in de december-dagvaarding.

De raadsman heeft op die zitting aangevoerd: “Voorts wil ik nog opmerken dat ik nu in het bezit ben van twee dagvaardingen. Één dagvaarding is conform het destijds afgegeven bevel bewaring. De tweede dagvaarding heb ik onlangs ontvangen. Het is mij niet duidelijk welke dagvaarding als grondslag dient voor het onderzoek ter terechtzitting.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2012 houdt hierover in:

De voorzitter deelt mede dat de behandeling van de zaak op 12 januari 2012 te 10.00 uur zal worden voortgezet, waarbij de tenlastelegging zoals die vandaag door de officier van justitie is voorgedragen, de grondslag is voor het onderzoek ter terechtzitting.

3.2.2.6. De rechtbank stelt vast dat de september-dagvaarding een dagvaarding als bedoeld in art. 261 lid 3 Wetboek van Strafvordering was. De dagvaarding zelf vermeldt dit niet. De wet stelt die eis ook niet (HR 21 maart 2006 AU9125 NJ 2006, 221). Het was de verdediging overigens voldoende duidelijk dat het ging om een dergelijke dagvaarding omdat de officier van justitie dit heeft medegedeeld op de zitting, omdat de tekst gelijk is aan die van het bevel bewaring en omdat op de dagvaarding wel al werd medegedeeld dat sprake was van het geval waarvoor artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafvordering (ook) is geschreven: dat de zaak nog niet gereed is voor een behandeling ter zitting, terwijl deze, vanwege de duur van de voorlopige hechtenis toch op de terechtzitting moet komen.

Vervolgens heeft de officier van justitie niet, zoals bij het Utrechtse parket in grotere zaken vrij gebruikelijk, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een concepttekst van de wijziging tenlastelegging conform art. 314a Wetboek van Strafvordering aan de verdediging gestuurd en ter terechtzitting zodanige wijziging gevorderd, maar, kennelijk per abuis, een dagvaardingsformulier gebruikt en een vordering tot wijziging nagelaten.

3.2.2.7. Het antwoord op de vraag of een inhaaldagvaarding (on)aanvaardbaar is, is mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval (zoals de AG Fokkens overweegt in zijn conclusie voor het door de raadsman aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2005 AQ8552 en zoals blijkt uit het door de raadsman zelf aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2009 BG6671).

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking:

- de september-dagvaarding was een dagvaarding als bedoeld in art. 261 lid 3, zodat verdachte er rekening mee moest houden dat een definitieve tenlastelegging – binnen de grenzen van art. 314a Wetboek van Strafvordering – te verwachten was;

- de tenlastelegging van de december-dagvaarding blijft binnen genoemde grenzen en een gevorderde wijziging zou zijn toegewezen;

- de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 12 januari 2012 heeft plaatsgevonden op de grondslag van de december-dagvaarding;

- dit is reeds op 6 januari 2012 door de voorzitter aangekondigd, zodat het voor de verdachte en de raadsman duidelijk moet zijn geweest voor welke strafbare feiten de verdachte uiteindelijk werd vervolgd en waartegen hij zich moest verdedigen;

- er is wel gesteld dat er verdedigingsbelangen zijn geschaad, maar dit is op geen enkele wijze geconcretiseerd: in het bijzonder is niet aangevoerd wat het bezwaar zou kunnen zijn tegen een wijziging ex art 314a Wetboek van Strafvordering en ook is niet duidelijk waarom de tijd tekort zou zijn voor een goede verdediging. In dat verband is van belang dat de meest substantiële wijziging wat betreft de tenlastelegging is dat uit het “verzamelfeit” van de september-dagvaarding (1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 in Utrecht, [plaats] en/of [plaats] telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep) de plantage in [plaats] is afgesplitst en dat daaraan de diefstal van elektriciteit is toegevoegd, een gering onderdeel van het feitencomplex, terwijl de verdediging daarmee rekening kon houden vanaf het moment dat de nieuwe tenlastelegging (per abuis) als dagvaarding was verzonden.

Ten slotte is van belang dat het eindproces-verbaal 11 november 2011 is ingekomen op het parket en aanstonds aan de raadsman is verzonden en dat ter zake alle feiten verweer is gevoerd.

3.2.2.8. De conclusie van de rechtbank is dat er geen verdedigingsbelang is geschaad en ook geen processuele beginselen.

Dat het Openbaar Ministerie (anders dan in HR 17 maart 2009 BG6671) niet expliciet heeft gemeld dat de september-dagvaarding was ingetrokken doet daar niet aan af.

3.2.2.9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat, nu de officier van justitie op de terechtzitting van 13 oktober 2011 heeft toegezegd dat zij aan de verdachte witwassen niet meer ten laste zal leggen, de verdachte erop mocht vertrouwen dat hij daarvoor niet verder vervolgd zou worden, ook niet via een tenlastelegging voor deelneming aan een criminele organisatie.

De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging. De rechtbank is voorts van oordeel dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank zal dus de zaak beoordelen op de grondslag van de tenlastelegging, opgenomen in de december-dagvaarding. Voor nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank geen grond.

3.3 Overige voorvragen

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Start onderzoek/toepassing bob-middelen

De raadsman heeft zich –in tweede termijn- aangesloten bij het verweer in de zaak [medeverdachte 1]. Daarin is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De CIE kon twee van de drie meldingen over [medeverdachte 1], die aanleiding zijn geweest voor het inzetten van de opsporingsmiddelenmiddelen, niet op betrouwbaarheid beoordelen. Derhalve lag het op de weg van de politie om een nadere toetsing uit te voeren. Een enkele GBA check is onvoldoende, aldus de raadsman (zie ook de uitspraak van het Hof ’s Hertogenbosch (LJN BC5433)). Een nadere check zou uitwijzen dat de CIE informatie inderdaad onjuiste informatie bevatte. Derhalve is, aldus de raadsman de CIE info niet of onvoldoende getoetst en is de grondslag voor de inzet van ingrijpende opsporingsmiddelen onvoldoende geweest.

De raadsman heeft gesteld dat derhalve de toegepaste bob-middelen niet ingezet hadden mogen worden. Met het ten onrechte tappen en oberveren is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot algehele bewijsuitsluiting, hetgeen een integrale vrijspraak tot gevolg dient te hebben.

Onrechtmatige doorzoeking [adres] te Utrecht.

De verdediging heeft voorts als verweer aangevoerd dat de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] onrechtmatig is geschied wegens de afwezigheid van een gemachtigde officier van justitie. De verdediging verbindt hieraan de gevolgtrekking dat het daaruit verkregen bewijsmateriaal niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Ten aanzien van de feiten

De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van het dossier niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, alsmede van het onder 2 ten laste gelegde feit waar het het pand aan het [adres] betreft.

De rechtbank kan naar de mening van de verdediging, gelet op het daartoe gevoerde bewijsuitsluitingsverweer, niet tot een bewezenverklaring komen van het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover dit feit het voorhanden hebben van een hoeveelheid hennep aan de [adres] te [woonplaats] betreft.

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging dat de observaties van het betreffende pand en de paallocaties van zijn telefoon de verklaring van verdachte, dat hij in de loods op de begane grond aan een keuken werkte, niet uitsluiten. Verdachte is wel in het pand geweest, maar was niet op de hoogte van de aanwezigheid van een hennepkwekerij en het illegaal aftappen van de stroom ten behoeve van de kwekerij.

Subsidiair zou verdachte verweten kunnen worden dat hij hennep voorhanden heeft gehad, echter verdachte heeft daartoe geen opzet gehad.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat ten aanzien van het pand aan het [adres] niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap zou hebben gehad van daar aanwezige hennep, hetgeen wordt bevestigd door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1].

Ten aanzien van feit 4 stelt de verdediging dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte deel uitmaakte van een duurzaam georganiseerd samenwerkingsverband. Het enkele feit dat personen contacten onderhouden is hiervoor onvoldoende. Voorts blijkt uit het dossier op geen enkele wijze dat verdachte inkomsten heeft verworven uit de handel in hennep, verdachte heeft zelf grote schulden en beschikt niet over een eigen vermogen.

Ten aanzien van feit 5 stelt de verdediging dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat het vuurwapen aan verdachte toebehoort. Verdachte maakte weliswaar veelvuldig gebruik van de auto, maar leende deze ook vaak uit aan [getuige], die op zijn beurt weer vrienden meenam in de auto. Voorts zijn er op het vuurwapen geen sporen van verdachte aangetroffen. Verdachte wist niet van de aanwezigheid van het wapen, hetgeen temeer bevestigd wordt door, zoals door de officier van justitie ter zitting naar voren is gebracht, de plaats waar het wapen in de kofferbak van de auto is aangetroffen, te weten een zijvakje.

De verdediging heeft bij voornoemde standpunten gewezen op de in het ter zitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van de verweren

Start onderzoek/toepassing bob-middelen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het gevoerde verweer dat in de door de verdediging aangehaalde zaak van het Hof ’s-Hertogenbosch sprake was van slechts één enkele CIE melding, waarvan geen oordeel over de betrouwbaarheid kon worden gegeven. In het onderhavige onderzoek is evenwel sprake van een geheel andere situatie: er is een drietal CIE meldingen, waarvan één als betrouwbaar is aangemerkt. Voorts is naar aanleiding van deze CIE meldingen een GBA check gedaan en zijn de antecedenten van de betrokken personen nagetrokken, waaruit bleek dat twee van hen antecedenten hadden met betrekking tot overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank is derhalve, anders dan de raadsman, van oordeel dat er in de onderhavige onderzoek wel voldoende grondslag was voor een verdenking ex artikel 27 Wetboek van Strafvordering en derhalve ook voor de inzet van de toegepaste bob-middelen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Onrechtmatige doorzoeking [adres] te Utrecht.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de betreffende doorzoeking onrechtmatig is geweest en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat op 5 juli 2011, de zogenoemde actiedag, op vordering van de officier van justitie op vijf verschillende locaties, waaronder de [adres] te Utrecht, door de rechter-commissaris op grond van artikel 110 Sv. doorzoekingen ter inbeslagneming zijn verricht. Uit het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal van de doorzoeking in de [adres] blijkt het volgende: De doorzoeking is aangevangen om 10.40 uur. De rechter-commissaris heeft dhr [hulpofficier van justitie], hulpofficier van justitie, machtiging verleend om namens hem de doorzoeking te starten. Het binnentreden van de rechter-commissaris vond plaats om 12.45 uur en de doorzoeking is geëindigd om 13.10 uur. In het proces-verbaal van de doorzoeking staat voorts vermeld dat genoemde hulpofficier de officier van justitie wegens diens verhindering verving.

De machtiging van de rechter-commissaris aan dhr. [hulpofficier van justitie] is schriftelijk neergelegd op 14 juli 2011 en bevindt zich in het dossier. Uit het gebruikte formulier blijkt dat gebruik is gemaakt van de in artikel 97 Sv neergelegde bevoegdheid van de rechter-commissaris een officier van justitie, en indien ook diens optreden niet kan worden afgewacht, een hulpofficier van justitie te machtigen om een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken. De rechter-commissaris heeft in die beslissing overwogen dat sprake was van een verdenking als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, dat naar het oordeel van de rechter-commissaris de doorzoeking van de woning rechtmatig en doelmatig was, dat de doorzoeking dringend noodzakelijk was en dat het optreden van de rechter-commissaris niet kon worden afgewacht in verband met een andere op dat moment geplande doorzoeking en vervanging niet aanwezig was.

De rechtbank begrijpt, met name uit de verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het bezwaar van de verdediging er met name hierin is gelegen dat de rechter-commissaris niet de officier van justitie maar een hulpofficier van justitie heeft gemachtigd.

De rechtbank constateert dat de rechter-commissaris het nodig heeft gevonden een hulpofficier van justitie te machtigen. Daartoe geeft de wet de rechter-commissaris ook uitdrukkelijk de bevoegdheid. De beslissing van de rechter-commissaris om van die bevoegdheid gebruik te maken ligt slechts marginaal ter toetsing aan de rechtbank voor. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot die beslissing heeft kunnen komen, te meer nu de zaaksofficier van justitie bij brief van 19 december 2011 heeft verklaard dat zij op 5 juli 2011 de hele dag op zitting heeft gestaan, waarmee haar verhindering is gegeven. Bovendien werden op hetzelfde moment op nog vier andere plaatsen in deze zaak doorzoekingen verricht.

De stelling van de verdediging in dit verband – met verwijzing naar de arresten van het Hof Den Bosch d.d. 23 februari 2007 respectievelijk van de Hoge Raad d.d. 19 mei 2009 - dat in art. 97 Sv met "de officier van justitie" niet alleen wordt gedoeld op de zaaksofficier van justitie maar op feitelijk elke officier van justitie van (in dit geval) het Utrechtse parket, is naar het oordeel van de rechtbank onredelijk en onjuist. Immers, indien dient te worden uitgegaan van een dergelijke ruime uitleg van deze bewoordingen in artikel 97 Sv, dan vermag de rechtbank niet in te zien waarom de wet nog zou moeten voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid tot doorzoeking bij ontstentenis van de officier van justitie toe te kennen aan de hulpofficier. De organisatie van het parket zou dan immers zodanig moeten zijn dat voor het optreden in spoedgevallen altijd een officier van justitie beschikbaar is.

Op grond van het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onrechtmatige doorzoeking, zodat reeds op die grond geen reden bestaat tot bewijsuitsluiting.

Overigens ziet de rechtbank niet in op welke wijze verdachte in zijn belangen is geschaad. Uit het proces-verbaal van bevindingen (PL0960 2011146717-23) blijkt dat de politie reeds om 8.00 uur is binnengetreden in de woning ter aanhouding van verdachte, dat naast verdachte nog zijn moeder en zijn vriendin in de woning aanwezig waren die verzocht werden in de woonkamer plaats te nemen, in afwachting van de komst van de rechter-commissaris en dat vervolgens nog tot 10.40 uur op diens komst is gewacht, alvorens de doorzoeking is geopend. Enige onregelmatigheden tijdens deze doorzoeking zijn niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Het is voorts de rechter-commissaris geweest die blijkens het door hem daaromtrent opgestelde proces-verbaal de tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen in beslag heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte aldus geen nadeel ondervonden van de afwezigheid van de officier van justitie, zodat ook op die grond geen reden bestaat tot bewijsuitsluiting.

4.3.2 Partiële vrijspraak

Ten aanzien van feit 2 voor wat betreft het pand aan het [adres] te Utrecht

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 eveneens ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van 20,36 kg hennep in het pand aan het [adres] te Utrecht.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte betrokken was bij de aangetroffen hoeveelheid hennep aan het [adres] te Utrecht.

4.3.3 De bewijsmiddelen

Waar in het navolgende wordt gesproken over [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dan wel [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], worden daarmee bedoeld respectievelijk de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

De rechtbank gaat, gelet op het hierna te noemen telefoongesprek met nummer 168 van 7 maart 2011, [telefoonnummer] en op een in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen nota op naam van “[medeverdachte 1]/manke” er van uit dat met de bijnaam “de manke” wordt gedoeld op [medeverdachte 1].

Voor zover geschriften in de zin van art. 344.1.5º Wetboek van Strafvordering tot bewijs worden gebezigd, worden zij alleen gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

In het onderzoek tegen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn telefoongesprekken van verdachten afgeluisterd en opgenomen.

De rechtbank gaat er van uit dat [verdachte] onder meer gebruik maakte van de nummers:

[telefoonnummer] ; [telefoonnummer] ; [telefoonnummer] en [telefoonnummer] .

De rechtbank gaat er van uit dat [medeverdachte 2] onder meer gebruik maakte van het nummer:

[telefoonnummer] .

De rechtbank gaat er van uit dat [medeverdachte 1] onder meer gebruik maakte van de nummers:

[telefoonnummer] en [telefoonnummer] .

De verdachte heeft dit ook niet betwist.

4.3.3.1 Feit 1

Op 16 mei 2011 vindt er een doorzoeking plaats in de loods gelegen aan de [adres] te [plaats]. Op de eerste etage van de loods wordt een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 291 hennepplanten van ongeveer 5 weken oud. De professionaliteit van de kwekerij is hoog, gelet op onder andere de navolgende indicatoren: de belichting geschiedt door middel van natriumlampen op een tijdklok; er is een geregeld bevloeiingssysteem, de kwekerij is geïsoleerd met betrekking tot daglicht en temperatuur, de verwarming is thermostaat gestuurd, de aanwezigheid van een intern circulatiesysteem, van een elektromotorische aan- en afzuiging en van biologische bestrijdingsmiddelen. Vastgesteld wordt dat er niet eerder hennep is geoogst.

Op de begane grond van het pand was een (opslag)loods, welke loods met uitzondering van wat bouwmateriaal en afval, leeg was. Naast de roldeur bevond zich een toegangsdeur met daarachter een hal. In de hal bevonden zich: een toegangsdeur naar voornoemde loods, een deur naar het toilet, een deur van de meterkast, een deur met daarachter een gipswand en een –afgesloten- deur naar een met gipswanden afgesloten trapopgang. Via de trapopgang was de eerste verdieping bereikbaar. Op de eerste verdieping bevond zich een kantoorruimte met daarin een keukenblok. Tevens bevond zich op de eerste verdieping een afgescheiden ruimte, met in de afscheiding een middels een schuifslot afgesloten deur, welke ruimte was ingericht als hennepkwekerij.

De door de verbalisant uitgevoerde test van de monsters afkomstig van de hennepkwekerij bevestigde dat het hennepplanten van het soort cannabis waren. De verbalisant zag ook aan de kleur en het uiterlijk en hij rook aan de geur dat het delen van hennepplanten waren van het soort cannabis.

Uit de camerabeelden over de periode 18 april 2011 t/m 28 april 2011 volgt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] in de betreffende periode meerdere malen de loods bezoeken, deze binnengaan en verlaten.

Een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] ([telefoonnummer]) en [verdachte] ([telefoonnummer]) d.d. 7 maart 2011 te 18.14 uur, paallocatie [adres] te [plaats]:

[verdachte]: Ik zeg: die manke zei dat je het slot moest vervangen. Een nieuwe sleutel”.

[medeverdachte 2]: “Ja nou, dan rijd ik wel effe terug.”

In het gesprek is op de achtergrond [medeverdachte 1] te horen. Hij spreekt over witte tegels.

[medeverdachte 2]: “Anders kom je toch… He, is ie thuis?”

[verdachte]: “Nee, we zijn net vertrokken van zijn huis.”

[medeverdachte 1] (gebruikt het toestel van [verdachte]): “Ja?”

[medeverdachte 2]: “Nou, kom effe dan, je moet toch een nieuw slot erin zetten.”

[medeverdachte 1]: “Wacht je daar dan?”

[medeverdachte 2]: “ja”

[medeverdachte 1]: “Oke, je ziet me zo”

Een telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]) en een onbekende d.d. 7 maart 2011 te 18.09 uur:

[medeverdachte 1] spreekt over het verbouwen van zijn douche. Tijdens het gesprek zegt [medeverdachte 1] tegen iemand die bij hem aanwezig is: “Je moet hem zeggen dat hij de sleutel moet vervangen.” Op de achtergrond is de stem van [verdachte] te horen die tegen iemand anders zegt: “Ik zeg: manke zei dat je het slot moet vervangen.”

Op 7 maart 2011 wordt gezien dat [medeverdachte 2] om 18.29 uur parkeert bij de [adres] te [plaats] en daar naar binnen gaat.

[medeverdachte 2] [telefoonnummer]

Gesprek 467 d.d. 21 maart 2011, paallocatie [plaats], [adres].

[verdachte]: Ben je in de buurt?”

[medeverdachte 2]: “Ik ben bij die ene.”

[verdachte]: “Oke ik zie je zo.”

Uit opgenomen telefoonverkeer blijkt voorts van een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] ([telefoonnummer]) en [verdachte] ([telefoonnummer]) d.d. 30 april 2011 te 10.44 uur:

[verdachte]: “[medeverdachte 2], we gaan zo vissen.”

[medeverdachte 2]: “Ik ben al aan het vissen.”

[verdachte]: Aan het vissen? Jaa dan moeten ze me bellen [medeverdachte 2], ik kom er aan.”

Uit de camerabeelden d.d. 30 april 2011 volgt dat [medeverdachte 2] te 10.10 uur de loods gelegen aan de [adres] te [plaats] binnengaat. Om 11.04 uur gaat [verdachte] de betreffende loods binnen. Om resp. 12.02 en 12.03 uur verlaten [medeverdachte 2] en [verdachte] de loods.

Op het aanrecht in de kantoorruimte op de eerste verdieping, gelegen naast de aangetroffen kwekerij, worden onder andere drie sigarettenpeuken aangetroffen en veiliggesteld. Het DNA, aangetroffen op een van de sigarettenpeuken komt overeen met het [verdachte].

[verdachte] heeft verklaard dat hij meerdere keren in de betreffende loods is geweest met [medeverdachte 2]. Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij in zijn telefonische contacten met [medeverdachte 2] aangaande de werkzaamheden in de loods, daar gewoon over sprak en niet in bepaalde, verhullende termen.

De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen de verklaring van [medeverdachte 2] en [verdachte] dat zij samen in de betreffende loods op de begane grond aan een keuken hebben gewerkt en niet op de eerste etage zijn geweest, niet aannemelijk. Daartoe acht de rechtbank mede bepalend dat [medeverdachte 2] noch [verdachte] nadere details over de opdrachtgever voor de werkzaamheden aan de keuken heeft gegeven, beide verdachten blijkens uitgevoerde observaties vele malen meer dan volgens eigen opgave in het pand aanwezig zijn geweest en er op de begane grond van de loods geen keuken is aangetroffen. In het versluierd taalgebruik van [verdachte] en [medeverdachte 2] vindt de rechtbank eveneens steun voor hun betrokkenheid bij de gevonden hennepplantage. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat met “vissen” gedoeld wordt op het bouwen van een keuken. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] hebben ter zitting ook verklaard dat zij bouwen van een keuken niet plegen aan te duiden met “vissen”. Uit het opgenomen telefoonverkeer blijkt voorts dat verdachte [medeverdachte 1][verdachte] en [medeverdachte 2] met betrekking tot de hennepkwekerij aanstuurt. Uit de paallocaties en de inhoud van het gesprek volgt dat de conversatie over het slot betrekking moet hebben gehad op de hennepkwekerij en niet, zoals [medeverdachte 1] ter zitting heeft verklaard, op een slot in of bij zijn woonwagen.

Gelet op vorenvermelde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachten een actieve bemoeienis hebben gehad met de aangetroffen kwekerij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde hennepteelt. Gelet op hoge professionaliteit van de aangetroffen hennepplantage alsook gelet op de samenhang met de hierna te bespreken feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarbij heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Op 16 mei 2011 was [medewerker Stedin] van Stedin Netbeheer BV/Energiebedrijf Eneco aanwezig in de loods aan de [adres] te [plaats] waar de politie een hennepkwekerij had aangetroffen. Bij controle van de netcomponenten van Stedin en de elektrische installatie in de meterkast van het pand werd geconstateerd dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen was een vijf-aderige elektriciteitskabel bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter, zodat alle elektriciteit die via deze kabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. De elektriciteitskabel kwam uit in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien. De in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten waren ongeveer 35 dagen oud. De diefstal heeft daarom plaatsgevonden in de periode van 11 april 2011 tot en met 16 mei 2011.

Bewijsoverweging

Verdachte stelt dat hij niet wist dat –kort gezegd- de elektriciteitsmeter was gemanipuleerd. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft de hennepkwekerij samen met anderen opgezet. Voor een hennepkwekerij is een aanzienlijke hoeveelheid elektriciteit nodig. Feit van algemene bekendheid is dat daartoe in zeer veel gevallen de elektriciteitsmeter wordt gemanipuleerd. Blijkens de in het dossier opgenomen foto’s bevindt de meterkast zich direct naast de trapopgang naar de eerste verdieping, alwaar de kwekerij is aangetroffen, en is de meter zichtbaar gemanipuleerd. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn meermalen in het pand aanwezig geweest ten behoeve van de kwekerij en moeten derhalve een en ander hebben gezien. Gelet op hun betrokkenheid bij de kwekerij kan het naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders dan dat verdachte zich bewust is geweest van het feit dat en heeft gewild dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij werd gebruikt zonder daarvoor te betalen. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging door middel van verbreking.

4.3.3.2 Feit 2 ([adres])

Op 5 juli 2011 vindt er een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In de woning, in een kamer op de eerste verdieping, en in de bijbehorende schuur wordt hennep aangetroffen met een totaal gewicht van 24,78 kg.

De door de verbalisant uitgevoerde test van de monsters afkomstig uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] bevestigde dat het hennepplanten van het soort cannabis waren. De verbalisant herkende de plantendelen als hennep.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen hoeveelheid hennep op 5 juli 2012 voorhanden heeft gehad.

Medeplegen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander voornoemde hoeveelheid hennep voorhanden heeft gehad. De rechtbank overweegt daartoe dat de aanzienlijke hoeveelheid hennep is aangetroffen op de eerste etage in de woning van de moeder van verdachte. Bij het binnentreden door de politie rook men op de begane grond reeds een sterke hennepgeur.

De rechtbank achter het derhalve aannemelijk dat de verdachte en zijn moeder tezamen en in vereniging de hennep voorhanden hebben gehad.

4.3.3.3 Feit 3

Op 5 juli 2011 vindt er een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In de woning, in een kamer op de eerste verdieping, en in de bijbehorende schuur wordt hennep aangetroffen met een totaal gewicht van 24,78 kg.

De door de verbalisant uitgevoerde test van de monsters afkomstig uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] bevestigde dat het hennepplanten van het soort cannabis waren. De verbalisant herkende de plantendelen als hennep.

In het dossier bevinden zich voorts tapverslagen waaruit blijkt dat verdachte zich, met anderen, heeft schuldig gemaakt aan de handel in hennep:

Gesprek 5083 d.d. 29 juni 2011.

[verdachte]: “Hoe gaat die andere: Schiet al op? Die ene?”

NN: “Ja”

[verdachte]: “Bijna toch, paar weekjes?”

NN: “… maar ze zijn pas begonnen hoor. Moeten nog 7 weken.”

[verdachte]: “Kijk als het bijna klaar is, geef dan een gilletje, misschien koop ik wel.”

Gesprek 563 d.d. 8 maart 2011.

[verdachte]: “Luister, ik heb voor jou een zak.”

[koper 1]: “Eentje?”

[verdachte]: “Ja voor jezelf weet je voor uh echt bomba (opmerking verbalisant: in straattaal betekent “Bomba”: dikke joint).

[koper 1]: “Uhh.. Ik had liever meer gehad, eentje is niets…in de winkel doe ik niets meer.. begrijp je?”

[verdachte]: “oh helemaal gestopt.” “Oke ik had toevallig nog 1 zak weet je, maar die is gewoon echt superieur.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 1983 d.d. 8 april 2011.

[verdachte]: “.. geeft t’ie hem zo mee. Ik ging net kijken, zeiknat, ik ga nu alles terugbrengen ze zoeken het maar uit…”

NN: “Naar wie ga je, naar die dikkop?”

[verdachte]: “Nee, ik ga nu naar die manke, ik ga tegen hem zeggen..luister pik zo en zo… ik zeg zoek maar uit…ik zeg weet je hoe het is..twee… drie.. mensen hebben al nee gezegd.. moet je nagaan.”; “wat is dat nou met die mongool, als hij gewoon nog 1 dagje langer had gewacht was het wel minder geweest.”; “.. hij doet alles 1 dag eerder weg… dan bespaar je drie vierhonderd… op die partij.”; “Die hebberigheid, die kamperhebberigheid.”

“Ja nu… ik ga gewoon naar die manke, ik geef alles terug, ik zeg zoek maar uit..”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 28 d.d. 3 mei 2011.

[verdachte]: “Ja, en neem voor mij twintig van die zakken mee.”

NN: “Die lichte?”

[verdachte]: “Ja die witte, die hele dunne kleine.”

Gesprek 21 d.d. 3 mei 2011

NN: “Wat is de prijs van die ene waarmee gerotzooid is zeg maar.”

[verdachte]: “Hebben? Als je wilt kopen of verkopen?”

NN: “…afnemen zeg maar kopen.”

[verdachte]: “Rond de 25 a 26.”

NN: “En weg doen.”

[verdachte]: “Ja zoiets, ook rond de 26 maximaal.”

Gesprek 69 d.d. 4 mei 2011.

[verdachte]: ‘Ja nee die heb ik zelf effe snel ingepakt…”; “Die liggen nog op die dingen, dus ik moet m zelf in zakken doen zo meteen.”

NN: “ja kijk hij vindt m mooi, alleen het punt is dat er veel kleine stukjes in deze hoor.”

[verdachte]: “Ja, dat maakt niet uit… ik zorg dat die allemaal helemaal niet d’r in zit. Geef ik ook een beetje extra.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 35 d.d. 19 juni 2011 te 19.52 uur.

[koper 2]: “En dan wil hij het wel hebben, maar dan voor 3.2 anders niet.”

[verdachte]: “…3.2… wat pakken we dan? Een meijertje de man.”

[koper 2]: “Iets meer…”

[verdachte]: “Ik ga even bellen, bel je zo terug.”

Gesprek 36 d.d. 19 juni 2011 te 19.53 uur.

[verdachte]: “Ik ben langs een paar mensen geweest. Ik kan het wel kwijt maar pas morgen.”; “… Wat doen we hou ik het gewoon bij me tot morgen en haal ik dan de rest op?”

NN: “Ja… Morgen zorg ik dat de rest voor je klaar staat.”

Gesprek 37 d.d. 19 juni 2011 te 19.54 uur.

[verdachte]: Yo 3.2 he? Morgen?”

[koper 2]: “Morgen ja.”

[verdachte]: “Is goed, ik zorg dat alles klaar staat morgen.”

Gesprek 48 d.d. 20 juni 2011 te 13.24 uur.

[verdachte]: “Ik heb 4.6 man.”

NN: “Das goed.”

[verdachte]: “Hij is echt mooi, mooi licht, een mooie volle zak.”

NN; ”Prijs.”

[verdachte]: “Wat kan je gebeuren… kijk maar.”

NN: Ik ga gewoon open kaart spelen. Wat kan ik beuren…”

[verdachte]: “Probeer maar dat ik 5.1 beur.” “Wil jij mij gelijk terugbellen?’

Gesprek 31 d.d. 20 juni 2011 te 14.07 uur. (de onbekende man belt terug)

[verdachte]: “Al wat gehoord.”

NN: “.. hij vraagt of het mooie is…”

[verdachte]: “Als hij komt laat hem meteen geld meenemen…” “Hij is echt heel mooi, volle zak, geen gruis.”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 3819 d.d. 3 juli 2011 te 15.55 uur.

[verdachte]: “Nou ik heb ruzie met hem gemaakt.. ik zeg laat maar.. hoeft niet.”

[medeverdachte 1]: “Ja moet je luisteren ik heb uh.. eerst vraagt ie of ik het vast wil houden. Doe ik voor ze. Ik kon het gisteren al weg doen.. voor hetzelfde wat ik m als eerste vroeg..”

[verdachte]: “Ik heb ook andere.”

[medeverdachte 1]: “Moet je daar maar achter aan gaan.”

[verdachte]: “huhu, maar ik denk niet meer dan vijf hoor…”

[medeverdachte 1]: “Daar gaat het mij niet om.. al wil een ander me nu vijf geven, interesseert me niks.”

[verdachte]: “Ik bel je zo, kwartiertje.”

Gesprek 3820 d.d. 3 juli 2011 te 15.57 uur.

[verdachte] belt [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft een laatste bod, namelijk het verschil delen. Laatste kans voor de koper.

Gesprek 3821 d.d. 3 juli 2011 te 15.59 uur.

[medeverdachte 1]: ‘Je moet zeggen dat je ruzie… een beetje ruzie met mij hebt gemaakt. Moet je zeggen mijn collega reageert straks op zijn manier, is eigen verantwoording.”

[verdachte]: “Hmm.. is goed… ben nu bezig met… neemt niet op.”

[medeverdachte 2] [telefoonnummer]

Gesprek 2481 d.d. 19 juni 2011 te 14.31 uur.

[medeverdachte 2] had in een gesprek eerder ene [koper 3] aan de telefoon en zou hem terugbellen. Dat doet [medeverdachte 2] en terwijl de telefoon over gaat hoor je [medeverdachte 2] tegen iemand zeggen: “Ja [koper 3], hij wou wiet hebben.”

Gesprek 2481 d.d. 19 juni 2011 te 14.47 uur.

[koper 3]: “Hai, je had gebeld?”

[medeverdachte 2]: “Ja ik ben bij mijn moeder, als je dat weet te vinden.”; “41”.

[koper 3]: “Okee dan kom ik daar wel naar toe.”

[verdachte] heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn aanhouding (de rechtbank begrijpt dat verdachte 5 juli 2011 bedoelt) heeft gehandeld in wiet. Hij haalde de wiet, een paar kilo per keer, op, soms 3 tot 4 keer per week, en verkocht deze. Per keer verkocht hij een kilo hier en twee kilo daar. In totaal heeft hij ongeveer 25 kilogram verkocht.

Gelet op de vondst van hennep in de woningen van [medeverdachte 1] en [verdachte] , , de bekennende verklaring van [verdachte] en ook de inhoud van de vermelde tapgesprekken acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met anderen opzettelijk heeft gehandeld in hennep. De rechtbank merkt die handel, gelet ook op het feit dat [verdachte] zich bezig heeft gehouden met het opzetten van een hennepkwekerij en gezien de duur en omvang van de handel, onder meer blijkende uit de hoeveelheid hennep die bij hem thuis is aangetroffen, aan als handel in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

4.3.3.4 Feit 4

Van een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet en artikel 140 Sr is sprake als blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijk doek van de organisatie.

De rechtbank betrekt bij het bewijs voor dit feit mede de bewijsmiddelen voor de overige feiten, waaruit immers blijkt dat sprake was van betrokkenheid van verdachte met een ander of anderen bij een hennepkwekerij en bij hennephandel.

In het dossier bevinden zich onder meer de volgende tapverslagen:

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 414 d.d. 5 maart 2011, paallocatie [adres] te Utrecht

NN: “Waar is die manke dan?”

[verdachte]: “Hij ligt op bed…”

NN: “Oh.. want die gasten moeten eten.”

[verdachte]: “…nee, ze hebben vanmiddag al gehad” “Ik ben even thuis… Ik ga me zo omkleden dan ga ik die kant weer op.”

NN: “Haal jij effe wat te eten voor ze.”

Gesprek 4880 d.d. 15 maart 2011

[verdachte]: “Hoi [medeverdachte 2] met mij.”,“Als we uuh.. moet je mij bellen.”, “Ik zeg als we moeten werken moet je me bellen ’s ochtends he.”

[medeverdachte 2]: “Ja ..is goed.”

[medeverdachte 2], [telefoonnummer]

Gesprek 362 d.d. 7 maart 2011, paallocatie [plaats][adres].

[verdachte]: Ik zeg: die manke zei dat je het slot moest vervangen. Een nieuwe sleutel”.

[medeverdachte 2]: “Ja nou, dan rijd ik wel effe terug.”

In het gesprek is op de achtergrond [medeverdachte 1] te horen. Hij spreekt over witte tegels.

[medeverdachte 2]: “Anders kom je toch… He, is ie thuis?”

[verdachte]: “Nee, we zijn net vertrokken van zijn huis.”

[medeverdachte 1] (gebruikt het toestel van [verdachte]): “Ja?”

[medeverdachte 2]: “Nou, kom effe dan, je moet toch een nieuw slot erin zetten.”

[medeverdachte 1]: “Wacht je daar dan?”

[medeverdachte 2]: “ja”

[medeverdachte 1]: “Oke, je ziet me zo”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 168, d.d. 7 maart 2011, paallocatie [plaats].

Goedee spreekt over het verbouwen van zijn douche. Tijdens het gesprek zegt [medeverdachte 1] tegen iemand die bij hem aanwezig is: “Je moet hem zeggen dat hij de sleutel moet vervangen.” Op de achtergrond is de stem van [verdachte] te horen die tegen iemand anders zegt: “Ik zeg: manke zei dat je het slot moet vervangen.

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 384 d.d. 5 maart 2011

[verdachte]: “uh.. komen jullie werken.”

Mickey: “Ik ben een beetje druk pik.” “Met verhuizen”.

[medeverdachte 1] (op de achtergrond): “Wat is ie druk?”

[verdachte]: “Met verhuizen.”

[medeverdachte 1] (op de achtergrond): “Met verhuizen. Dat ken ook morgen.”

[verdachte]: “Ja.. kom gewoon hier naar toe met Mike, met Ans dan.”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 467 d.d. 17 maart 2011.

[medeverdachte 1]: “Waarom reageer je niet op die andere.”

[verdachte]: “Heb ik in mijn auto liggen.”

[medeverdachte 1]: “Je moet zorgen dat je die bij je houdt.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 1189 d.d. 22 maart 2011 te 17.13 uur

[medeverdachte 1]: “Waar blijf je nou man?”

[verdachte]: “…ik moest even wachten, dan ga ik boodschappen doen. Dan kom ik naar jou.” “Ik wacht even op die vriend.”

[medeverdachte 1]: “Luister… als hij er niet is dan ga je maar gewoon weg .. dan heb ik t voor hem gehad ga gewoon weg daar.

Gesprek 1190 d.d. 22 maart 2011 te 17.14 uur

[medeverdachte 1]: “Je komt maar.”

[verdachte]: “Okee pikkie is goed.”

Gesprek 1965 d.d. 8 april 2011 te 06.40 uur

NN: “Naar manke ja” “Naar manke moet ie komen.”

[verdachte]: “is goed jongen.”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 1596 d.d. 17 maart 2011.

[medeverdachte 1]: “Waar ben je nou?”

[verdachte]: “Ik ben in de/mijn buurt.”

[medeverdachte 1]: “Pik mij dan op de camping op.”

[verdachte]: “Ik moet zelf Nikkie ophalen…. Die is op mij aan het wachten.”

[medeverdachte 1]: “Dat doe je maar wat later.”

[verdachte]: “Uhhh”

[medeverdachte 1]: “Gewoon bellen dat je 2 uurtjes later komt.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 3326 d.d. 22 maart 2011 te 17.13 uur

[verdachte]: “Moet ik iets meenemen…”

[medeverdachte 1]: “Nee, je moet zo naar bolle z’n schuur toe voor die wagen.”

[verdachte]: “Ok wat moet ik doen? Moet ik je halen zo of niet?”

[medeverdachte 1]: “Ja kom maar hier heen, gas dan.”

Gesprek 4178 d.d. 12 juni 2011

[medeverdachte 1]: “Waar ben je..?”

[verdachte]: “Ik ben even in de auto.”

[medeverdachte 1]: ”Wat ben je in de auto aan het doen dan?”

[verdachte]: Beetje poolen met mijn vriendin.”

[medeverdachte 1]: “Je moet werken vandaag jongen. Ik weet niet allemaal wat jij aan het doen bent allemaal.”

[verdachte]: “Ja ik heb van niemand wat gehoord.”

[medeverdachte 1] (schreeuwt): “Van niemand wat gehoord. Je weet dat je zelf toch ook een beetje moet doen. Bellen toch.”

[verdachte]: “Ja pik als ik niet wordt gebeld weet ik niet dat ik moet werken toch. Waar zijn ze dan.”

[medeverdachte 1]: “Ja uh werken he.”

[verdachte]: “… Moet ik er nu naar toe gaan?”

[medeverdachte 1]: “Dat zou ik maar doen dan.”

[verdachte]: “Ja, ik ga zo naar toe werken.”

Gesprek 4183 d.d. 12 juni 2011

[verdachte]: “Je had mij weer gebeld.”

[medeverdachte 1]: “…Ik heb je al tien keer gebeld.”

[verdachte]: “.. ik ben onderweg daar naar toe..”.

[medeverdachte 1]: “Nee, je bent onderweg hier naar mij.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 5061 d.d. 29 juni 2011 te 15.58 uur

[verdachte] spreekt met zijn moeder. Zijn moeder vraagt of hij al aan [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij morgen weggaat. [verdachte] zegt nog niet.

Gesprek 5071 d.d. 29 juni 2011 te 18.07 uur

[verdachte] spreekt met zijn moeder. Zijn moeder vraagt: Weet [medeverdachte 1] al dat je weggaat?” [verdachte] zegt nog niet.

Gesprek 5083 d.d. 29 juni 2011 te 22.38 uur

[verdachte] spreekt met zijn moeder.

Moeder: “Heb je hem gezegd dat je vertrekt?”

[verdachte]: “Nee nog niet. Ik vertel het hem vanavond…”

Moeder: “Vertel je hem dat je….”

[verdachte]: “Nee, dat vertel ik hem niet…… Spanje. Als hij het niet goed vindt dan moet hij mij maar ontslaan, gesodemieter.”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 1983 d.d. 8 april 2011.

[verdachte]: “.. geeft t’ie hem zo mee. Ik ging net kijken, zeiknat, ik ga nu alles terugbrengen ze zoeken het maar uit…”

NN: “Naar wie ga je, naar die dikkop?”

[verdachte]: “Nee, ik ga nu naar die manke, ik ga tegen hem zeggen..luister pik zo en zo… ik zeg zoek maar uit…ik zeg weet je hoe het is..twee… drie.. mensen hebben al nee gezegd.. moet je nagaan.”; “wat is dat nou met die mongool, als hij gewoon nog 1 dagje langer had gewacht was het wel minder geweest.”; “.. hij doet alles 1 dag eerder weg… dan bespaar je drie vierhonderd… op die partij.”; “Die hebberigheid, die kamperhebberigheid.”

“Ja nu… ik ga gewoon naar die manke, ik geef alles terug, ik zeg zoek maar uit..”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 106 d.d.. 9 april 2011.

[verdachte]: “Ik ben bij je uh bij je thuis man.”; “Ik moest toch wat ophalen.”

[medeverdachte 1]: “Ja, in de schuur.”

[verdachte]: “Ja en ik heb een leuk tasje bij me…. Ik regel het wel, maak je niet druk.”

[medeverdachte 1]: “Leg maar in de wasmachine neer.”

Gesprek 142 d.d. 20 april 2011.

[verdachte]: “… ik heb die dingen weggedaan…”; “..niet zo goed… zeg maar die H voor vier acht weggedaan.”; “Snap je anders kon ik het niet kwijt…en die P voor drie twee”; “Is ongeveer duizendvijftig de man…”; “Ja en ..uh.. ik moest 2 zakken van die kruimels halen bij die manke”; “en die centen van die anderen liggen ook klaar he…”.

[medeverdachte 2] [telefoonnummer]

Gesprek 1433 d.d. 26 april 2011, paallocatie [plaats], [adres].

[verdachte]: “We zijn er bijna. We staan in de file.”

[medeverdachte 2]: “Laten we eerst naar dat eerste stekkie gaan ja?”

[verdachte]: “Ja, maar ik heb die spullen niet bij me [medeverdachte 2].”; “.. die heb ik thuis en ik ben nu al hier. Die manke zegt tegen mij: niet meenemen niet meenemen.” “ik sta 100 meter van de eerste Mac. Van die nieuwe visstek.”

[medeverdachte 2]: “Daar ben ik ook.”

[verdachte]: “Ja, die eerste Mc Donalds. Niet bij die ouwe, bij die nieuwe.”; “Ik sta bij Laagraven bij de Sligro.”

[medeverdachte 2]: “Ja ik ook…”

[verdachte]: “Oke, dan zie je me zo…”

[verdachte] [telefoonnummer]

Gesprek 4886 d.d. 20 juni 2011.

[verdachte]: ‘Luister dan, er moet gewerkt worden.”; “Er zijn geen mensen, dus euhe… er wordt verwacht dat je ook aanwezig bent.”; “Alles moet binnen twee dagen.”; “.. Twee stuks binnen twee dagen. Een dag eentje en de andere dag de andere. Er zijn maar twee mensen, met jou en mij er bij vier.”; “Want eentje moet geknipt worden…”; “Mike, jij, ik, waarschijnlijk 1 van die manke”; Morgen zin het er maar 400, dusseuh moet lukken.”

NN: “Bij Martinus toch?”

[verdachte]: “Ja”

NN: “Bij benzine. Oke ik ben morgen om acht uur daar ja.”

[verdachte]: “Ja, is goed.”

Gesprek 4975 d.d. 28 juni 2011.

NN: “Wanneer kom je dan.”

[verdachte]: “Niet morgen weer…”

NN: “Morgen knippen?”

[verdachte]: “Ja.”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 3819 d.d. 3 juli 2011 te 15.55 uur.

[verdachte]: “Nou ik heb ruzie met hem gemaakt.. ik zeg laat maar.. hoeft niet.”

[medeverdachte 1]: “Ja moet je luisteren ik heb uh.. eerst vraagt ie of ik het vast wil houden. Doe ik voor ze. Ik kon het gisteren al weg doen.. voor hetzelfde wat ik m als eerste vroeg..”

[verdachte]: “Ik heb ook andere.”

[medeverdachte 1]: “Moet je daar maar achter aan gaan.”

[verdachte]: “huhu, maar ik denk niet meer dan vijf hoor…”

[medeverdachte 1]: “Daar gaat het mij niet om.. al wil een ander me nu vijf geven, interesseert me niks.”

[verdachte]: “Ik bel je zo, kwartiertje.”

Gesprek 3820 d.d. 3 juli 2011 te 15.57 uur.

[verdachte] belt [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft een laatste bod, namelijk het verschil delen. Laatste kans voor de koper.

Gesprek 3821 d.d. 3 juli 2011 te 15.59 uur.

[medeverdachte 1]: ‘Je moet zeggen dat je ruzie… een beetje ruzie met mij hebt gemaakt. Moet je zeggen mijn collega reageert straks op zijn manier, is eigen verantwoording.”

[verdachte]: “Hmm.. is goed… ben nu bezig met… neemt niet op.”

[medeverdachte 1] [telefoonnummer]

Gesprek 802 d.d. 17 april 2011.

[medeverdachte 1]: “Alles rustig bij jullie?”

[medeverdachte 3]: “Ja.”

[medeverdachte 1]: “Ja ok dan is hij het niet… allemaal invallen geweest in [plaats], [plaats].. Met plantages en alles er op en er aan, auto’s…”; “.. maar het is rustig?”

[medeverdachte 3]: “Ja.”

Uit vermelde taps blijkt van een onderling afstemmen van activiteiten tussen onder meer [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] en ook op een onderlinge verdeling van werkzaamheden. De betreffende samenwerking heeft onmiskenbaar het oog op het doel van de criminele organisatie, te weten de teelt en handel van hennep en het daarmee behalen van winst. Gelet op de onderlinge taakverdeling die uit de tapgesprekken blijkt en de periode waarin de bedoelde teelt en handel hebben plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de samenwerking structureel en van duurzaam karakter is geweest. Bovendien is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een bepaalde organisatiegraad. De rechtbank concludeert dan ook dat [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie.

Het onder 4 gelaste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3.5 Feit 5

Op 5 juli 2011 wordt in een auto, een Opel Vectra, kenteken [kenteken] een vuurwapen en munitie aangetroffen.

Blijkens het proces-verbaal van de Forensische Opsporing van de politie Utrecht is dit vuurwapen een pistool van het merk Ekol, kaliber 6,35 mm. Het wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Bij het wapen bevonden zich 15 scherpe patronen, te weten 4 patronen, merk NNY en 11 patronen, kaliber .22LR. Dit betreft munitie als bedoeld in artikel 1 onder 4e, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie. De 4 patronen, merk NNY kunnen met voornoemd vuurwapen worden verschoten.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de Opel weleens van verdachte leende. Het in de Opel aangetroffen vuurwapen is niet van hem. De laatste keer dat hij de Opel gebruikt had, was 1 of 2 dagen voordat hij op 5 juni 2011 aangehouden werd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de voornoemde Opel Vectra op naam van zijn moeder staat maar dat hij de auto dagelijks gebruikt.

De rechtbank acht de verklaring van getuige [getuige], dat ene Appie een paar dagen voor getuige werd aangehouden en aan hem vroeg of hij een tas in de auto van [verdachte] wilde bewaren, niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt daartoe dat getuige in zijn eerdere verklaringen hierover niets heeft verklaard en pas op zitting hierover verklaard, op expliciete vragen van de verdediging. Voorts geeft getuige aan dat hij die jongen heeft ontmoet in een coffeeshop en hem persoonlijk niet kent.

Aangezien het wapen en de munitie zijn aangetroffen in de auto die vrijwel uitsluitend door verdachte werd gebruikt en hij geen aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid daarvan heeft gegeven die de rechtbank tot de overtuiging leidt dat hij geen wetenschap had van die aanwezigheid, gaat de rechtbank er van uit dat het verdachte is geweest die het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 juli 2011 een volgens de Wet Wapens en Munitie verboden vuurwapen en (bijbehorende) scherpe munitie voorhanden heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op tijdstippen in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 mei 2011 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 291 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en

op tijdstippen in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 mei 2011 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, toebehorende aan Energiebedrijf Eneco, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van de (hoofd)meterkast;

ten aanzien van feit 2:

op 5 juli 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 24,78 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

ten aanzien van feit 3:

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 te Utrecht en/of [plaats] en/of [plaats], althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, zijnde hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 01 januari 2011 tot en met 5 juli 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een onder artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 5:

op 5 juli 2011 te Utrecht een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (merk Ekol, kaliber 6,35 mm), en munitie van categorie III, te weten 4 patronen (merk NNY) en 11 scherpe patronen kaliber .22, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft gesteld dat verdachte slechts hennep leverde aan coffeeshops. De coffeeshops worden gedoogd, echter deze kunnen niet bestaan zonder het vervaardigen, verwerven en vervoeren van softdrugs. De raadsman stelt dat het leveren aan coffeeshops eveneens zou moeten worden gedoogd en dat wat betreft feit 3 de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Dientengevolge dient verdachte dan ook niet strafbaar te worden geacht voor zijn handelen. De raadsman heeft verzocht verdachte, ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit, op dit punt te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Het door de raadsman gestelde vindt geen steun in het recht. Het onder 3 tenlastegelegde is strafbaar gesteld in de daarop van toepassing zijnde wetgeving en wordt niet gedoogd.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

feit 4:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet;

feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de door de verdediging gevoerde verweren, met de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de strafmaat in soortgelijke zaken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen zich bezig gehouden met het op professionele wijze en op betrekkelijk grote schaal illegaal kweken van hennep en de handel hierin. Verdachte was betrokken bij de hennepkwekerij in [plaats] en had daarnaast een aanzienlijke hoeveelheid hennep in zijn woning in Utrecht liggen. Bij de kwekerij is tevens op illegale wijze elektriciteit weggenomen ten behoeve van de kwekerij.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als waarvan hier sprake van is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Daarenboven worden in de hennepteelt en –handel aanzienlijke criminele winsten behaald. Dergelijke criminele winsten werken ontwrichtend op de maatschappij.

Voorts levert een kwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving.

Tevens heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die bedrijfsmatige productie van en handel in hennep tot doel had.

Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie in zijn bezit gehad. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving en het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens met de daarbij behorende munitie.

Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Deze feiten worden verdachte dan ook zwaar aangerekend.

Uit het verhandelde ter zitting en de houding van verdachte ter zitting heeft de rechtbank niet de indruk gekregen dat verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft totaal geen spijt en berouw getoond ten aanzien van hetgeen hij heeft gedaan. Hij heeft daarmee geen enkel inzicht getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijk strafdeel langer dan de duur van het voorarrest noodzakelijk is om verdachte ervan te doordringen dat hij fout heeft gehandeld en dat de zaken waar hij zich mee heeft ingelaten wel degelijk strafbaar en ook laakbaar zijn.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 18 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 23 augustus 2011.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte bieden naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor enige strafvermindering.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de feiten, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur geboden is.

Nu de rechtbank deels tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal de rechtbank, rekeninghoudend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, alsmede met de oriëntatiepunten van het LOVS, aan verdachte een lagere straf opleggen dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de voorwerpen genoemd onder 2 en 5 t/m 14 op de lijst van in beslag genomen.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank ten aanzien van de in beslag genomen televisie te bepalen dat, in geval van teruggave, het conservatoir beslag gehandhaafd blijft en dat er derhalve van fysieke teruggave nog geen sprake kan zijn.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich omtrent het beslag gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De verbeurdverklaring

De in beslag genomen voorwerpen op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst, genummerd 2 en 5 t/m 14, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze door middel van de strafbare feiten zijn verkregen en/of de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

Ten aanzien van de onder 2 vermelde televisie verstaat de rechtbank dat hier tevens conservatoir beslag op rust.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde voor zover dit betreft het witwassen, als oogmerk van een criminele organisatie;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit voor wat betreft het pand aan het [adres] te Utrecht;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod in de uitoefening van een beroep of bedrijf

en

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

feit 4:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet;

feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2 en 5 t/m 14;

Ten aanzien van de onder 2 vermelde televisie verstaat de rechtbank dat hier tevens conservatoir beslag op rust.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 januari 2012.