Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5780

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
16/655355-12 en vordering tenuitvoerlegging 16/600659-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn moeder, twee zussen en broertje in hun woning mishandeld, een van zijn zussen bedreigd, een ruit vernield en beschadigingen aan de woning aangericht.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655355-12 en vordering tenuitvoerlegging 16/600659-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

gedetineerd PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein, De Liesbosch 100,

raadsman mr. J.P. den Besten, advocaat te Houten.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 april 2012. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman mr. Den Besten voornoemd.

De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 januari 2012 zijn moeder, twee zussen en zijn broertje heeft mishandeld, één van zijn zussen heeft bedreigd, een raam heeft vernield en muren heeft beschadigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2, 3, en 4 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiftes, getuigenverklaringen en medische verklaringen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1. primair tenlastegelegde. Hij wijst daarbij op de verklaring van aangeefster, de moeder van verdachte, die zelf niet weet wat er met de trap is gebeurd en de verklaringen van de zussen die niet eenduidig zijn. De raadsman is voorts van mening dat niet bewezen kan worden dat zijn cliënt zijn broertje [slachtoffer 1] heeft geslagen en dat hij zijn moeder met een huishoudtrap heeft geslagen. De raadsman heeft ten slotte zijn twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de verklaringen van zijn zus [slachtoffer 2] voor zover deze betrekking hebben op de bedreiging, omdat hierover door haar eerst niet en later weer wel wordt verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank het navolgende komen vast te staan.

Op 28 januari 2012 kwam bij de politie een melding binnen van huiselijk geweld vanaf het adres [adres] te [woonplaats]. Verdachte had op 27 januari 2012 een brief ontvangen waarin hem werd meegedeeld dat hij DNA diende af te staan. Hierover was verdachte geïrriteerd. Op zaterdag 28 januari 2012 waren de moeder van verdachte, zijn broertje [verdachte] en zijn zusjes [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in de woning. Verdachte raakte (opnieuw) geïrriteerd omdat hem werd gevraagd te stoppen met douchen en hij een sleutel niet kon vinden. Moeder van verdachte zei tegen verdachte dat hij in zijn jaszak moest zoeken. Hierop trok verdachte aan moeder en duwde hij haar tegen de kast in de gang. Verdachte heeft vervolgens zijn moeder op haar linkerschouder geslagen en meermalen tegen haar hoofd. Verdachte heeft een huishoudtrapje gepakt en daarmee op het hoofd van zijn moeder geslagen. Als gevolg hiervan ontstond bij haar pijn en letsel, te weten onder meer een scheur in de linkeroorlel die gehecht moest worden, een bloeduitstorting aan de linker gehoorgang en een hematoom links op haar voorhoofd en een pijnlijke linker arm.

Verdachte heeft voorts zijn broertje [slachtoffer 1] in het gezicht geslagen. Zijn zusje [slachtoffer 3] hoorde het geluid wat leek op een klap die gegeven werd, waarna zij hoorde dat [slachtoffer 1] “auw” riep. [slachtoffer 2] zag het gebeuren en zag daarna een rode plek van een hand op het gezicht van [slachtoffer 1]. Als gevolg hiervan is de neus van [slachtoffer 1] gekneusd en heeft hij een pijnlijke lip.

Verdachte sloeg [slachtoffer 2] op haar neus en net onder haar linkeroog. Als gevolg hiervan ontstond pijn, een bloedneus, een sneetje boven de neusrug en een hematoom onder het linker ooglid.

Daarna ging zijn zusje [slachtoffer 3] naar beneden. Verdachte gaf haar een klap tegen haar linkeroog en een trap tegen haar rechterbeen. Als gevolg hiervan ontstond pijn en een hematoom op haar linker boven ooglid en een groot hematoom op haar rechterbovenbeen.

Verdachte is achter [slachtoffer 2] aangerend, die zich in haar slaapkamer opsloot. Verdachte riep vervolgens tegen haar “kankerhoer, doe open, kom eruit, ik maak je dood.” [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zich enorm bedreigd voelde door verdachte.

Vervolgens heeft hij het raampje van haar slaapkamerdeur ingeslagen. Verdachte raakte hierdoor gewond aan zijn hand. Verdachte heeft in de hal van de woning met deze hand staan zwaaien, roepende “willen jullie DNA, dan krijgen jullie DNA”, waardoor de muren bevlekt werden met bloedspetters.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde dat verdachte zijn moeder weliswaar heeft geslagen met een trap maar niet zodanig dat daaruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij haar zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde heeft begaan. Zij zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Met betrekking tot de bedreiging (het 3e tenlastegelegde feit) van [slachtoffer 2] merkt de rechtbank op dat moeder in haar eerste verklaring op 28 januari 2012 meteen melding heeft gemaakt van de bedreiging van [slachtoffer 2] en dat ook [slachtoffer 3] de bedreiging heeft gehoord. De rechtbank acht ook de overige door de raadsman opgeworpen bezwaren ten aanzien van het bewijs weerlegd door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 28 januari 2012 te Amersfoort opzettelijk mishandelend zijn

moeder, te weten [slachtoffer 4], meermalen tegen de

schouder en op het hoofd heeft gestompt en met een

huishoudtrap tegen het hoofd en de schouder heeft geslagen, waardoor deze

letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 28 januari 2012 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend

- [slachtoffer 3] (zus van verdachte) tegen het (linker)oog heeft

geslagen en tegen het (rechter)been heeft getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden en

- [slachtoffer 2] (zus van verdachte) tegen de neus en het gezicht heeft

geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en

pijn heeft ondervonden en

- [slachtoffer 1] (broer van verdachte) in het gezicht heeft geslagen, waardoor

voornoemde [slachtoffer 1] pijn heeft ondervonden;

3.

op 28 januari 2012 te Amersfoort, [slachtoffer 2] (zus van verdachte) heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemd persoon dreigend de woorden toegevoegd:"Maak de deur open kankerhoer, ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

op 28 januari 2012 te Amersfoort opzettelijk en

wederrechtelijk een raam van een (slaapkamer)deur en één of meer

muren, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4].

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk voornoemd raam in te slaan en voornoemde muren te besmeuren met zijn, verdachte's, bloed;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Wel wordt in het rapport van drs. T.A. Wouters, psychiater gerechtelijk deskundige (in samenwerking met drs. S. van Liempt, psychiater in opleiding) d.d. 19 april 2012 geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor alle tenlastegelegde feiten. Naar het oordeel van de deskundige is verdachte thans lijdende aan een floride psychotische stoornis die in elk geval in ontwikkeling en mogelijk al volledig aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De gedragingen en gedragskeuzes zijn beïnvloed door achterdochtige ideeën naar familieleden, verhoogde agitatie en verminderde impulscontrole als gevolg van een psychotische ontregeling. In welke mate een rechtstreeks verband is geweest tussen de psychotische belevingen en de tenlastegelegde feiten kon door de partiële (pathologisch) bepaalde weigering van verdachte niet worden onderzocht.

De raadsman heeft ter zitting de mening van zijn client vertolkt: deze is van mening dat hij geen depressieve of psychotische stoornis heeft.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en zal hiermee rekening houden bij na te melden strafoplegging.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen, rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte: een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht ook als dit inhoudt een meldingsgebod en een verbod om alcohol en drugs te gebruiken; opname in de kliniek Rozenburg of soortgelijke instelling voor de duur van 12 maanden of zoveel korter als door de instelling nodig wordt geacht; voorts oplegging van een locatieverbod rond de woning van zijn moeder en een contactverbod met zijn moeder, zussen en broertje.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de bij vonnis van deze rechtbank d.d. 2 december 2011 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 60 dagen ten uitvoer te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er onduidelijkheden bestonden rond het eerder opgelegde locatie- en contactverbod. Hij verzoekt daarmee rekening te houden alsmede met het feit dat zijn client reeds drie maanden in voorlopige hechtenis verblijft, geen klinische behandeling wenst en niet afhankelijk wil worden van medicatie.

De raadsman heeft voorts verzocht om een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zijn moeder, twee zussen en broertje in hun woning mishandeld, een van zijn zussen bedreigd, een ruit vernield en beschadigingen aan de woning aangericht. Dit heeft bij de gezinsleden pijn, letsel en angst veroorzaakt. Uit de verhoren van hen komt naar voren dat het al enige jaren niet goed gaat met verdachte, wat zich met name naar de gezinsleden uit in geweld en bedreiging met geweld. Inmiddels heeft verdachte al diverse huisgeboden opgelegd gekregen. Bij eerder gemeld vonnis van 2 december 2011 is hij veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf en 60 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf voor het overtreden van het huisverbod en voor bedreiging en mishandeling van de gezinsleden.

Het reclasseringsrapport d.d. 6 april 2012 vermeldt dat verdachte toen hij in december 2011 uit detentie kwam, enige tijd bij zijn grootvader heeft gewoond. Begin januari 2012 is hij weer bij zijn moeder gaan wonen. Verdachte bagatelliseert de feiten en legt de oorzaak van de problemen bij de anderen. Hij lijkt vooral behoefte te hebben aan praktische hulp en is weinig genegen iets aan zichzelf te veranderen. Door een psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) is onderzoek gedaan en geconcludeerd tot een psychotische stoornis.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hooggemiddeld met risico op letselschade voor familieleden. Het aanvullend reclasseringsrapport d.d. 24 april 2012 vermeldt dat het Indicatieorgaan Forensische Zorg (IFZ) een indicatiestelling heeft afgegeven en dat verdachte met een concept plaatsingsbesluit is aangemeld bij Forensisch Pychiatrische Afdeling (FPA) Rozenburg. Geadviseerd wordt om als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en opname in een zorginstelling op te leggen.

In voormeld psychiatrisch rapport wordt onder meer geconcludeerd dat verdachte psychotisch ontregeld is. Er is een periode van ongeveer 4 jaar aan voorafgegaan waarin het steeds slechter ging met verdachte. Sinds die tijd is er vrijwel dagelijks alcohol- en cannabisgebruik. Volgens zijn gezinsleden doet hij medio 2011 voor het eerste echt bizarre uitspraken. Dit wijst op paranoïde overtuigingen in het kader van psychotische ontregeling die vermoedelijk speelt vanaf medio 2011. Dit zou kunnen samenhangen met cannabisgebruik maar ook met een verdieping van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken, of met een decompensatie van de persoonlijkheidsstructuur onder stress. Ook de aanvang van een langduriger psychotische ontwikkeling in de zin van schizofrenie kan niet worden uitgesloten.

Begin maart 2012 heeft hij een bewaker bedreigd en de psychische conditie is sindsdien evident verslechterd.

Indien de psychose niet behandeld wordt, onder meer met medicatie, zal de achterdocht en agitatie wellicht leiden tot nieuwe incidenten. Nader onderzoek, bij voorkeur klinische observatie en psychiatrische behandeling zijn nodig om te diagnostiek te verfijnen. Voorts is van belang dat verdachte afziet van het gebruik van alcohol en cannabis omdat gebruik daarvan de psychotische en affectieve klachten kunnen verergeren of in stand houden. Het verder klinisch instellen op medicatie, bevorderen van therapietrouw, verminderen van stressfactoren en het stellen van een sociaal kader zijn belangrijk voor een betere prognose op lange termijn.

Alles afwegende acht de rechtbank de straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden.

De rechtbank is daarnaast op grond van het voorgaande van oordeel dat er thans ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van met name zijn moeder en/of broertje en/of zussen indien hij zonder dat hij is behandeld uit detentie komt. De rechtbank acht het om die reden geboden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 60 dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 2 december 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbaar feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal echter hiertoe niet besluiten, mede gelet op de hoogte van de straf en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden en op het gegeven dat verdachte ten aanzien van de nieuwe feiten verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285, 300, 304, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en artikel 14e Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1. primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat wenselijk acht;

2. dat verdachte zal verblijven in FPA Rozenburg of een soortgelijke inrichting en zal meewerken aan een klinische behandeling aldaar, gedurende de termijn van één jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

3. dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van enig contact met zijn moeder, zijn zussen en zijn broertje, tenzij dit door de reclassering en de betrokken personen wordt toegestaan;

4. dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in en rond de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], tenzij hij toestemming heeft van de reclassering en van zijn moeder.

De rechtbank bepaalt voorts dat voormelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. I.M. Vanwersch en

mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 mei 2012.

I.M. Vanwersch is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.