Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5774

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
16-7000031-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/7000031/12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein

raadsman mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. (primair) op 2 januari 2012 te Utrecht opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven danwel (subsidiair) op 2 januari 2012 te Utrecht die [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht danwel (meer subsidiair) op 2 januari 2012 te Utrecht die [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld.

2. op 28 oktober 2012 te Utrecht verkeersregelaar [slachtoffer 2] opzettelijk heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht voor wat betreft het eerste ten laste gelegde feit het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het tweede ten laste gelegde feit acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigende bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht het eerste ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en heeft vrijspraak bepleit. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat verdachte ontkent het ten laste gelegde te hebben begaan en uit het dossier ook niet volgt dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 1] heeft mishandeld. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging gesteld dat vast staat dat de dader een man was die een auto bestuurde met het kenteken [kenteken] en dat die auto op 2 januari 2012 in gebruik was bij of verdachte of zijn vader. De door getuigen gegeven signalementen van de dader sluiten net zo goed (of net zo slecht) aan bij het signalement van verdachte als bij dat van zijn vader. Zo de resultaten van de fotoconfrontaties al voor het bewijs kunnen worden gebruikt –hetgeen wordt betwist- dan leveren die resultaten evenmin overtuigend bewijs op dat verdachte de dader is. Bovendien heeft verdachte een alibi voor het tijdstip van de mishandeling, terwijl zijn vader ten tijde van de mishandeling op de plaats delict was. Dat betekent, aldus de verdediging, dat er tegen de vader van verdachte meer bewijs bestaat dan tegen verdachte. De zaak tegen de vader van verdachte is wegens gebrek aan bewijs geseponeerd. De conclusie dat er te weinig bewijs is dient, aldus de verdediging, ook te gelden in de zaak van verdachte. Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

De rechtbank ziet aanleiding eerst het onder 2 tenlastegelegde feit te bespreken, nu dit feit van een eerdere datum dateert dan het onder 1 tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van feit 1 en 2

Op 28 oktober 2011 was aangever [slachtoffer 2] te Utrecht werkzaam als verkeersregelaar. Hij zag dat de bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken] uit zijn auto stapte en hoorde dat deze bestuurder tegen hem zei: “je moet van mijn auto afblijven.” Gelijk daarop werd hij heel hard door deze man geduwd, waardoor hij achterover viel en zijn rechterarm bezeerde.

De vriendin van verdachte, [A], die op 28 oktober 2011 bij verdachte in de auto zat, heeft verklaard dat verdachte die dag agressief werd omdat de verkeersregelaar aan zijn auto zat.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 28 oktober 2011 verkeersregelaar [slachtoffer 2] een duw heeft gegeven, als gevolg waarvan deze ten val kwam.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Aanvullend ten aanzien van feit 1

Aangever [slachtoffer 1] werd op 2 januari 2012 te Utrecht bij het winkelcentrum Overvecht bijna aangereden door een grijskleurige auto. Om de bestuurder te laten weten dat hij zijn rijgedrag afkeurde, tikte hij op de klep van de kofferbak. De bestuurder van de auto stopte direct en stapte uit. Aangever herinnert zich vervolgens alleen dat de deuren van de ambulance dichtgingen toen hij erin lag.

Meerdere getuigen hebben gezien dat de bestuurder van voornoemde auto aangever met veel kracht met zijn tot vuist gebalde hand tegen zijn gezicht sloeg, waardoor aangever op de grond viel. Vervolgens zagen zij dat de bestuurder hard met zijn geschoeide voet in het gezicht van aangever trapte. Zij omschrijven dit als een “voetbaltrap”. De bestuurder schopte twee keer hard tegen het gezicht van aangever. Bij aangever zijn meerdere breuken van zijn aangezichtsbeenderen, een breuk van het kaakkopje, een hersenschudding alsmede bloeduitstortingen bij zijn oog en bij zijn slaapstreek geconstateerd.

Getuige [getuige 1] omschrijft de bestuurder als een grote, brildragende, blanke man van tussen de 1.90 en 2.00 meter lang, met een stevig postuur, een bol ovaal gezicht, kort haar met kalende inhammen bij de haargrens en tussen de 35 en 40 jaar oud. Getuige [getuige 2] omschrijft de bestuurder als een grote, blanke, massieve kerel met een breed postuur van ongeveer 50 à 55 jaar oud, gekleed in grijze, donkere kleding. Getuige [getuige 3] omschrijft de bestuurder als een brildragende man, met een lengte tussen de 1,85-1.90 meter, normaal tot slungelig postuur, vermoedelijk van Griekse komaf, vrij dun ietwat kalend aan de voorzijde en gekleed in zwarte jas, zwarte lederen schoenen en een lichtblauwe spijkerbroek.

De rechtbank stelt vast dat de grootste gemene deler van de gegeven signalementen is dat de bestuurder een grote, brildragende man is met een stevig postuur, met kort haar met kalende inhammen, en gekleed in donkere kleding.

Verdachte is ongeveer 1.98 meter lang en weegt circa 130 kg. De rechtbank heeft ter zitting waargenomen dat verdachte brildragend, en door zijn lengte en postuur een grote stevige man is.

Getuigen zagen de bestuurder wegrijden in een auto met het kenteken [kenteken] , welke auto op naam staat van [B]. Verbalisanten hebben [B], geboren op [1933], op 2 januari 2012 te Utrecht bezocht en zagen dat hij niet voldeed aan het opgegeven signalement. [B] verklaarde dat hij de eigenaar is van voornoemde auto en dat óf zijn kleinzoon, verdachte, óf zijn schoonzoon, [C], die dag de auto bij zich had. Hij verklaarde voorts dat zijn kleinzoon, verdachte, snel opgefokt is, zeker als het te maken heeft met voornoemde auto. Verbalisanten zagen dat korte tijd later [C] arriveerde. Zij zagen dat hij er als volgt uitzag:

- man

- normaal tot tenger postuur

- ongeveer 45 a 50 jaar oud, zag er goed/ jong uit voor zijn leeftijd

- grijskleurige stoffen jas, heupmodel

- kort zwart haar, licht kalend

- heel licht getinte huid, bijna blank

- lichtblauwe spijkerbroek

- zwarte lederen schoenen, instappers zonder veters.

De verbalisanten zagen dat het signalement van [C] niet voldeed aan het opgegeven signalement van de verdachte van de mishandeling.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn vader alleen een bril draagt om te lezen.

Bewijsoverwegingen

Persoon van de dader

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 1] op 2 januari 2012 te Utrecht heeft geschopt en geslagen. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.

Vast staat dat alleen verdachte of zijn vader [C] op 2 januari 2012 bestuurder van de auto met kenteken [kenteken] kunnen zijn geweest. De dader was immers een man, die aanzienlijk jonger was dan [B]. Zoals hiervoor is vastgesteld, voldoet verdachte aan de grootste gemene deler van het door de getuigen gegeven signalement van de bestuurder, te weten een grote, brildragende, man met een lengte van meer dan 1.90 meter, met een stevig postuur, een bol gezicht met kort haar met kalende inhammen. Door twee verbalisanten, die [C] zeer kort na het gebeurde hebben gezien, is een signalement van [C] opgenomen. Door hen is op ambtseed verklaard dat zijn signalement niet overeenkwam met dat van de pleger van de mishandeling. Bovendien is [C] niet brildragend, zoals door verdachte ter zitting is bevestigd. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat, zoals door getuige [B] is verklaard en zoals ook volgt uit het ten aanzien van feit 2 weergegeven bewijs, verdachte snel opgefokt raakt als er iemand aan zijn auto komt.

Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging dat niet vaststaat dat verdachte degene is die op 2 januari 2012 de persoon is die in de auto reed en die [slachtoffer 1] heeft mishandeld, verworpen. Dat door een drietal (andere) getuigen het postuur van de bestuurder is omschreven als “tenger tot normaal” en de door de getuigen opgegeven leeftijd van verdachte niet (helemaal) overeenkomt met de leeftijd van verdachte heeft onder de hiervoor weergegeven omstandigheden geen doorslaggevende betekenis. Het betoog van de verdediging dat de resultaten van de fotoconfrontaties niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, behoeft geen bespreking, nu de rechtbank deze niet voor het bewijs heeft gebruikt.

Doodslag

Op grond van voornoemde bewijsmidden stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever eerst met kracht met zijn vuist in zijn gezicht heeft geslagen en vervolgens, terwijl aangever op de grond lag, met geschoeide voet en met kracht twee maal heeft geschopt tegen zijn hoofd.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zware mishandeling van aangever had. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat het slaan en het twee maal met geschoeide voet schoppen tegen iemands hoofd, zeker wanneer dat met kracht gebeurt, als zodanig de dood kan veroorzaken. Verdachte heeft aangever zo’n harde klap tegen zijn hoofd gegeven dat aangever op de grond viel. Vervolgens heeft hij, terwijl aangever op de grond lag, twee maal met veel kracht met geschoeide voet geschopt tegen het hoofd van aangever, alwaar zich met name ook ter hoogte van de slapen kwetsbare delen bevinden. Dat verdachte met kracht heeft geslagen en geschopt volgt uit het bij aangever geconstateerde letsel. Door aldus te handelen heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou overlijden.

Gelet hierop acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (primair) op 2 januari 2012 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- met kracht te slaan in het gezicht, en

- terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag meermalen met kracht te schoppen/trappen tegen het hoofd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

2. op 28 oktober 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (verkeersregelaar),

hard heeft geduwd waardoor genoemde [slachtoffer 2] achterover op de grond is gevallen, waardoor deze [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

1. (primair) poging tot doodslag

2. mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Voor zover de rechtbank tot een veroordeling mocht komen heeft de verdediging het opleggen van een lagere straf bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft [slachtoffer 1], nadat deze hem op zijn verkeersgedrag had gewezen, overdag op straat bij winkelcentrum Overvecht, zeer agressief benaderd en zo hard op zijn hoofd geslagen dat hij op de grond viel. Vervolgens heeft verdachte, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, twee maal met geschoeide voet met veel kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] geschopt. Dit werd door getuigen omschreven “alsof hij tegen een voetbal trapte”. [slachtoffer 1] had als gevolg hiervan kunnen overlijden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Van slachtoffers is bekend dat zij een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Uit de ter terechtzitting door de voorzitter voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook dat [slachtoffer 1] van het gebeurde nog altijd de psychische gevolgen ondervindt en dat hij zich onveilig voelt. Voorts is door een gewelddadig feit als het onderhavige de rechtsorde ernstig geschokt en brengt een dergelijk feit in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Tevens heeft verdachte een verkeersregelaar, die verdachte erop wees dat hij een straat niet in mocht rijden, agressief benaderd en zo hard geduwd dat deze op de grond viel.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld

Alles overziende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar passend en geboden. Deze straf is hoger dan de door de officier van justitie geëiste straf, aangezien de geëiste straf naar het oordeel van de rechtbank, met name gelet op het zeer agressieve handelen van verdachte, onvoldoende recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.911,68 voor feit 1, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Deze vordering heeft voor een bedrag van € 2.611,68 betrekking op materiële schade en voor een bedrag van € 2.300,-- betrekking op immateriële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen. De verdediging is van mening dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schadevergoeding van € 2.611,68 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en geheel kan worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat deze tot een bedrag van € 1.750,-- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht verdachte tot dit bedrag aansprakelijk voor die schade.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag nog onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat een nader onderzoek naar dat gedeelte van de schade het strafgeding onevenredig belast en zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1. (primair) poging tot doodslag;

2. mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar;

-bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 4.361,68, waarvan € 2.611,68 ter zake van materiële schade en € 1.750,-- ter zake van immateriële schade; en het totale bedrag vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen € 4.361,68 te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening , bij niet betaling te vervangen door 53 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, R.P. den Otter en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2012.