Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5592

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-601109-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601109-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Somalië)

wonende te [woonplaats]

gedetineerd te PI Flevoland – HvB Almere Binnen, Almere

raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

t.a.v. feit 1: op 11 november 2011 te Amersfoort mevrouw [aangever 1] op de billen heeft geslagen;

t.a.v. feit 2: op 11 november 2011 te Amersfoort mevrouw [aangever 2] van achteren heeft vastgepakt en haar een mes heeft getoond;

t.a.v. feit 3: op 12 november 2011 te Amersfoort op de openbare weg aan anderen een ontbloot geslachtsdeel heeft getoond;

t.a.v. feit 4: op 14 november 2011 te Leusden mevrouw [aangever 3] heeft vastgepakt en met zijn hand tegen haar vagina heeft gedrukt;

t.a.v. feit 5: op 15 november 2011 te Amersfoort mevrouw [aangever 4] heeft vastgepakt en tegen haar heeft gezegd dat zij niet mocht schreeuwen en rustig moest doen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak voor feit 1 wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2, 3, 4 en 5 heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften, getuigenverklaringen, fosloconfrontaties, het signalement dat door de aangevers en getuigen van de dader is afgegeven en volgens de officier van justitie past bij verdachte, de locaties waar de vrouwen het slachtoffer zijn geworden, namelijk vlakbij het huis van verdachte en dichtbij het werk van verdachte, en het feit dat de verschillende jassen, zoals omschreven door aangevers en getuigen, bij verdachte thuis zijn aangetroffen. Kijkend naar het totale dossier, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de officier van justitie verdachte schuldig aan de feiten 2, 3, 4 primair en 5 primair.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, conform de overgelegde pleitnota, het verweer gevoerd dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig bewijs. Hiertoe is ten eerste aangevoerd, kort gezegd, dat de aanhouding van de verdachte en de daaropvolgende huiszoeking onrechtmatig waren, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Ten aanzien van de aanhouding voert de raadsman aan dat er ten tijde van de aanhouding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

Ten aanzien van de huiszoeking stelt de raadsman dat het verzoek daartoe niet door een officier van justitie bij de rechter-commissaris ingediend is.

De raadsman stelt vast dat het overgebleven bewijs, in alle feiten, slechts een aangifte is, wat onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat - zelfs als de rechtbank anders denkt over bewijsuitsluiting - er bij geen enkele zaak voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat zijn cliënt de dader is.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De raadsman stelt dat er sprake is geweest van een vormfout en verzoekt daarom om bewijsuitsluiting. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig zou zijn, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was.

De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. Naar aanleiding van een drietal aanrandingen en een schennispleging binnen enkele dagen in de wijk [adres] te Amersfoort, werd er op 16 november 2011 omstreeks 07.00 uur een postaktie door politiemensen in burger opgestart. Op woensdagochtend 16 november 2011 werd een man door politie in burger gezien in het deel van de wijk [adres] waar de feiten zich hadden voorgedaan. Hij voldeed grotendeels aan het signalement van de dader van de aanrandingen. Hij droeg een donkere jas met een capuchon met bontkraag. De ochtend ervoor was er een vrouw aangerand in [adres] door een getinte man gekleed in een jas met capuchon met bontkraag. Deze man liep een route in de wijk die de politie opviel en ‘ongewoon’ leek. De man keek steeds achterom en keerde halverwege een brug om weer terug te lopen in de richting waar hij net vandaan kwam. De politie hield deze man staande en vroeg hem naar zijn personalia. De man gaf op te zijn [verdachte]. [verdachte] gaf zijn huisadres aan de verbalisanten en vertelde dat hij net klaar was met zijn krantenwijk en naar bustijden wilde kijken omdat hij die middag naar zijn werk, [bedrijf 1], te Leusden moest.

Verbalisanten constateren dat de drie aanrandingen en de schennispleging in de buurt van de woning van [verdachte] hebben plaatsgevonden. Verder blijkt van een aanranding in de buurt van het werk van verdachte in Leusden. Verbalisanten constateren dat [verdachte] liegt over het bezoeken van een bushalte om bustijden te zoeken, omdat [verdachte] op zijn route geen bushalte heeft bezocht. [verdachte] past in het signalement dat de aangevers hebben doorgegeven. Op 16 november 2011 geeft de officier van justitie op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden toestemming om [verdachte] buiten heterdaad aan te houden als verdachte van de gepleegde aanrandingen en de schennispleging.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] als verdachte op 16 november 2011 mocht worden aangemerkt en aangehouden nu er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

De raadsman heeft betoogd dat de huiszoeking onrechtmatig was, omdat het verzoek daartoe niet door een officier van justitie bij de rechter-commissaris zou zijn ingediend. De rechtbank stelt vast dat op pagina 36 van het einddossier met nummer

2011 259575 vermeld staat dat de aanvraag huiszoeking d.d. 16 november 2011 mondeling is ingediend en dat de rechter-commissaris toestemming heeft verleend tot huiszoeking van de woning van verdachte. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie bevestigd dat zij de aanvraag bij de rechter-commissaris heeft ingediend en dat de beslissing op 7 december 2011 op schrift is gesteld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting het schriftelijk stuk aan de raadsman en de rechtbank overgelegd, opdat de beslissing van de rechter-commissaris aan het dossier toegevoegd zal worden. De rechtbank stelt vast dat er geen onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de raadsman.

Vrijspraak feit 1 en feit 5 primair en subsidiair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 1 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een veroordeling te komen. De rechtbank zal verdachte van feit 1 vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat in het dossier aanwezig is een aangifte waarin een signalement gelijkend op verdachte wordt genoemd en een getuigenverklaring die een fiets met een mandje beschrijft, welke van verdachte zou kunnen zijn. Een jas, gelijkend op de door aangeefster beschreven jas, wordt bij verdachte thuis aangetroffen. Daarnaast past het feit voor wat de modus operandi betreft in de reeks andere feiten welke aan verdachte zijn ten laste gelegd. Derhalve is niet onaannemelijk dat verdacht het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank stelt echter vast dat de feitelijkheden, zoals deze uit het dossier blijken, niet aansluiten op hetgeen aan verdachte onder zowel feit 5 primair als feit 5 subsidiair is ten laste gelegd. De aangifte wordt bovendien onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal verdachte van feit 5 vrijspreken. Hierbij hecht de rechtbank er aan op te merken dat zij hiermee niet wil zeggen dat aangeefster bij haar aangifte niet de waarheid zou spreken maar het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te stellen dat deze verdachte deze feitelijkheden heeft begaan.

Bewijsmiddelen

Bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende. Op 11 november 2011 is aangeefster, [aangever 2], aan het hardlopen in Amersfoort. Toen zij op de [adres] liep, voelde zij ineens dat een persoon haar met de linkerarm om de nek vastpakte. Zij keek naar beneden en zag dat de persoon in de hand een mes had. Aangeefster beschrijft haar belager als een man met licht getinte huidskleur (vermoedelijk Egyptisch), tussen de 20 en 30 jaar, tussen de 1.68 meter en 1.70 meter lang en met een normaal postuur. Hij droeg een zwarte jas tot op de heupen met op de achterzijde een wit logo. In een aanvullend verhoor heeft aangeefster verklaard dat de man met de punt van het mes op het gebied tussen haar keel en de bovenkant van haar ribben wees.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij een vrouw zag lopen. Daarachter kwam een man aanlopen. Hij pakte de vrouw vast. Hij hoorde de vrouw hard schreeuwen. Daarna zag hij de man wegrennen. De licht getinte man droeg een baseball jas.

Getuige [getuige 2] heeft ook gezien dat een man aangeefster beetpakt en dat de vrouw daarop begint te gillen. Getuige [getuige 2] belt de politie en meldt dat er achter op de zwarte jas met witte letters ‘ferisetie’ (fonetisch) staat.

Tijdens de huiszoeking bij verdachte wordt een zwarte baseball jas in beslag genomen met een wit logo op de rug en de letters ‘Varsity’.

Bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende. Tussen 11 november 2011 te 23.45 uur en 12 november 2011 te 00.00 uur was aangever [aangever 5] in zijn woning in Amersfoort.

De zijkant van de woning heeft een glazen erker die grenst aan de [adres], een voor het openbaar verkeer bestemde plaats. Aangever zag rond 23:45 uur dat er iemand voor het raam stond. Hij zag dat de man in het licht van de lantaarnpaal stond. De man stond een halve meter vanaf het raam en had zijn geslachtsdeel uit zijn broek. Hij zag dat de man een stijve had en zich aan het aftrekken was. Aangever omschrijft de man als een man van 21 à 22 jaar oud, ongeveer 1,75 meter, getinte huidskleur vermoedelijk Somalisch, met een baseball jas. Ook zegt aangever dat hij de man herkende. Hij heeft de man eerder in Amersfoort zien lopen en bij de bushalte zien staan. Hij denkt dat de man in het tweede gedeelte van het huizenblok aan de [adres] woont. Bij een fosloconfrontatie heeft aangever verdachte herkend als de man die met ontbloot geslachtsdeel voor het raam van zijn woning stond.

De aangifte van [aangever 5] wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen

[getuige 3] en [getuige 4]. Zij waren eveneens in de woning te Amersfoort aanwezig en hebben de piemel van die man gezien.

Vrijspraak feit 4 primair

De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot verkrachting van

[aangever 3] niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het strafdossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting komen vast te staan dat verdachte met zijn handelingen opzet heeft gehad op het seksueel binnendringen van het lichaam van [aangever 3].

Bewijs ten aanzien van feit 4 subsidiair

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair ten laste gelegde aanranding wel wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende.

Op 14 november 2011 tussen 15.30 uur en 15.45 uur stapte aangeefster uit de bus bij de halte [adres] te Leusden. Zij liep in een steeg tussen twee muren en werd ineens van achteren gepakt. Een hand ging over haar mond en een andere hand drukte hard tegen haar vagina. Toen duwde hij haar tegen de muur. Aangeefster geeft een signalement af en omschrijft een donkere jongen van ongeveer 25 jaar met kroes, krullend haar en aan de zijkant een baardje ook kroes, een donkere broek, donkere jas en een rugzak.

Op de terechtzitting heeft verdachte anders verklaard dan bij de politie. Hij heeft toegegeven dat hij op het moment dat het feit heeft plaatsgevonden, heel dicht in de buurt van het steegje is geweest waar aangeefster aangerand is. Ook heeft hij, na het zien van de camerabeelden, welke op de terechtzitting vertoond zijn, gezegd dat hij zichzelf op de beelden herkent en dat zijn gedrag inderdaad vreemd lijkt en dat hij van de bushalte waar hij is uitgestapt door de woonwijk is gelopen en niet om de wijk zoals hij eerder bij de politie had verklaard.

De rechtbank heeft op de ter terechtzitting afgespeelde camerabeelden gezien dat verdachte uit de wijk komt lopen waar aangeefster aangerand is. Hij rent en kijkt steeds achterom. Hij komt bij een groot reclame bord en verschuilt zich hierachter. Hij kijkt wederom achterom de wijk in waar aangeefster aangerand is. De rechtbank ziet dat verdachte een donkere broek en jas draagt en een rugzak op zijn rug draagt.

Bewijsoverweging

Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen in samenhang bezien en mede in aanmerking genomen dat de woning danwel het werk van verdachte in de buurt van de plaatsen delict is en dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over zijn gedrag kort na de aanranding van aangeefster [aangever 3], kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die deze slachtoffers heeft aangerand. Over de verklaringen van de aangeefster overweegt de rechtbank dat deze gedetailleerd en consistent zijn, op onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen en daarmee betrouwbaar. De rechtbank volgt deze verklaringen dan ook. Dat bij onderzoek geen dna van verdachte is aangetroffen maakt dit niet anders.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 11 november 2011 te Amersfoort, [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- die [aangever 2] onverhoeds van achteren vastgepakt en

- een arm om haar nek gedaan en

- daarbij een mes getoond aan en gehouden in de richting van die [aangever 2];

3.

op of omstreeks 12 november 2011 te Amersfoort, zich opzettelijk oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de [adres], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

4.

Subsidiair

hij op 14 november 2011 te Leusden door geweld [aangever 3] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

het met kracht drukken met een hand en/of een of meer vinger(s) tegen de vagina van die [aangever 3],

en het geweld bestaande uit het (telkens onverhoeds)

- die [aangever 3] van achteren vastpakken, en

- een hand over de mond van die [aangever 3] houden, en

- vervolgens met een hand en/of een of meer vinger(s) hard tegen de vagina drukken, en

- vervolgens die [aangever 3] tegen een muur drukken;

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 3: Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;

Ten aanzien van feit 4 subsidiair: Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in vier dagen tijd drie strafbare (zeden)delicten gepleegd. Hij heeft vrouwen aan de openbare weg benaderd, aangeraakt, beetgepakt, bang gemaakt en één van hen in het kruis gegrepen. Zijn slachtoffers waren jonge vrouwen die zich op dat moment van de dag veilig waanden. Verdachte heeft de vrouwen in een zeer bedreigende situatie gebracht. De vrouwen hebben momenten van angst voor aanranding of verkrachting meegemaakt. Verdachte heeft zich bij al deze gevallen laten leiden door zijn eigen seksuele gevoelens en in het geheel geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn gedragingen voor de slachtoffers. Naast de angst om aangerand of verkracht te worden, hebben de confrontaties psychische en emotionele gevolgen gehad. Ook in het geval van schennispleging heeft verdachte alleen aan zichzelf gedacht en is hij voorbijgegaan aan het feit dat zijn gedrag in strijd is met de algemene eerbaarheid en dat hij zijn slachtoffers in hun schaamtegevoelens heeft gekwetst. Verder heeft verdachte met zijn daden bij derden in de omgeving van de slachtoffers en in de wijk grote onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan enig misdrijf.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging voorts rekening gehouden met het Pro Justitia rapport van 1 februari 2012, opgesteld door psychiater I. Maksimovic, waaruit blijkt dat er tijdens het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden om te kunnen spreken van een stoornis. Uit het Pro Justitia rapport van 1 februari 2012, opgesteld door psycholoog T.E.G.A. Oosterhof, blijkt eveneens dat betrokkene niet lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens is.

Tot slot heeft de rechtbank de conclusie van het reclasseringsrapport d.d. 13 april 2012, opgemaakt door A. Wierts, meegewogen bij de straftoemeting. De reclassering meldt dat er geen problematiek bij verdachte bekend is en dat verdachte geen hulpvraag heeft.

De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde conclusies van oordeel dat een bijzondere voorwaarde niet geïndiceerd is en dat volstaan kan worden met de algemene voorwaarde naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 7100,90 voor feit 4. De officier acht dit bedrag grotendeels toewijsbaar ten aanzien van de immateriële schade. De verdediging stelt zich primair op het standpunt dan de vordering tot niet-ontvankelijkheid moet leiden vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 1.000 toewijsbaar zou zijn en enkele kleine materiële posten.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 850,90 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 100,90 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 285, 239 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 3: Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;

Ten aanzien van feit 4 subsidiair: Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 850,90, waarvan € 100,90 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], € 850,90 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en

mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 mei 2012.