Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5589

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-604019-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WvW 1994, aanrijding met een persoon tijdens wegwerkzaamheden. De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604019-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres] te [woonplaats], België.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 maart 2012, waarbij de officier van justitie haar standpunten kenbaar heeft gemaakt. De verdachte is ondanks een geldige oproeping niet verschenen.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: met een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een

persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 1 subsidiair: met een personenauto gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de

weg;

feit 2: een personenauto heeft bestuurd die niet verzekerd was.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer en dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie erkend dat hij het onder 1 ten laste gelegde verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft verdachte erkend dat hij de betreffende auto heeft bestuurd, maar verklaard dat het ging om een geleende auto. Hij wist niet dat deze auto niet verzekerd was, aldus verdachte.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vastgestelde feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

[aangever 1] is op 8 november 2010 in Mijdrecht op de provinciale weg de Mijdrechtse Zuwe bezig met wegwerkzaamheden. Hij is daarbij gekleed in fluorescerende en retroflecterende veiligheidskleding en staat bij een vrachtauto met in werking zijnde pijlwagen, voorzien van vier in werking zijnde zwaailichten, die geparkeerd staat op een verdrijvingsvlak.

Op ongeveer 700 meter afstand voor deze locatie is door middel van bebording aangegeven dat er wegwerkzaamheden plaatsvinden en dat er een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht is.

Verdachte rijdt die dag op voornoemde weg en haalt door te wisselen van de rechter naar de linkerrijstrook een voor hem rijdend motorrijtuig in. Tijdens deze inhaalmanoeuvre stuurt hij echter niet tijdig weer naar de rechterrijstrook en komt hij op een verdrijvingsvlak dat op de linkerrijstrook is aangebracht te rijden. Op dat moment ziet hij op dit verdrijvingsvlak voornoemde vrachtauto met pijlwagen staan. Hij weet deze vrachtauto te ontwijken door er rechts langs te sturen, maar rijdt daarbij [aangever 1], die vlak naast deze vrachtauto staat, aan op het verdrijvingsvlak. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij het voor hem rijdende voertuig inhaalde, niet heeft gezien dat de weg overging op één rijbaan en dat hij weer in moest voegen. Ook heeft hij niet gezien dat er wegwerkzaamheden plaatsvonden. De vrachtwagen met pijlwagen, die op het verdrijvingsvlak stond, en [aangever 1], die naast de vrachtwagen stond, heeft hij evenmin op voorhand gezien.

Ten gevolge van deze aanrijding breekt [aangever 1] zijn rechter kuitbeen en zijn linker enkel. Hij heeft een operatie ondergaan waarbij zijn enkel met twee schroeven is vastgezet en waarbij in zijn rechterbeen een plaat is gezet om zijn gebroken kuitbeen bij elkaar te houden. Hij heeft enkele maanden niet kunnen werken. Ruim een jaar na het ongeval is hij nog steeds niet volledig hersteld.

Voor de bij deze aanrijding betrokken personenauto waarin verdachte op dat moment als bestuurder reed, met kenteken [kenteken], is geen verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gesloten en in stand gehouden.

4.3.2. Waardering van het bewijsmateriaal

4.3.2.1. Ten aanzien van feit 1 primair

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat de verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is ten laste gelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel

6 Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de snelheid van verdachte (veel) hoger was dan de snelheid die ter plaatse verantwoord en/of toegestaan was.

Nu de rechtbank dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen verklaart, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de handelingen van verdachte die voor het overige overblijven schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Verdachte heeft, terwijl dit duidelijk was aangeduid, niet gezien dat er op de betreffende weg wegwerkzaamheden waren. Hij heeft vervolgens een motorrijtuig ingehaald zonder zich er (tijdig) van te vergewissen of deze manoeuvre haalbaar was en kwam daarbij op een verdrijvingsvlak te rijden. Pas op dat moment zag hij ook de in werking zijnde pijlwagen, die hij naar zijn eigen verklaring net kon ontwijken, waarna hij in aanrijding kwam met

[aangever 1], die hij, ondanks de veiligheidskleding die hij droeg, pas zag op het moment dat hij hem aanreed.

Het voorgaande illustreert naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in onvoldoende mate op het voor hem gelegen deel van de weg en op het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten.

Zwaar lichamelijk letsel?

Bij de aanrijding heeft [aangever 1] twee gebroken kuitbeenderen en een gebroken enkel opgelopen. Hij heeft een operatie moeten ondergaan, waarna een langdurig herstel is gevolgd. Hij ondervindt ruim een jaar na de aanrijding nog steeds de gevolgen van dit letsel. Gelet op de combinatie van voornoemde factoren, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [aangever 1] bij de aanrijding zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hierna is weergegeven.

4.3.2.1. Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 8 november 2010 als bestuurder van de betreffende personenauto heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, zonder dat er voor deze personenauto een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand was gehouden.

Dat verdachte de auto had geleend en niet wist dat de auto niet verzekerd was, doet hieraan niet af, gezien de strafbaarstelling van de bestuurder in artikel 30 lid 4 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 8 november 2010 te Mijdrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de provinciale weg de Mijdrechtse

Zuwe, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl ter plaatse door middel van bebording was aangegeven dat er wegwerkzaamheden plaatsvonden en er een maximum snelheid van 50 kilometer per uur van kracht was,

- met het door hem bestuurde motorrijtuig een motorrijtuig in te halen en vervolgens ten gevolge van die inhaalmanoeuvre niet tijdig naar de rechter rijstrook te kunnen rijden doch deels over een verdrijvingsvlak te rijden op het moment dat zich op dat verdrijvingsvlak een vrachtauto met in werking zijnde pijlwagen bevond, welke pijlwagen tevens was voorzien van 4 in werking zijnde zwaailichten en vervolgens

- te rijden tegen een persoon, die gekleed was in fluoriscerende en retroflecterende veiligheidskleding, die zich op het verdrijvingsvlak bevond vlak rechts naast die vrachtwagen met pijlwagen, waardoor [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

2.

op 8 november 2010, te Mijdrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mijdrechtse Zuwe, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering

overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was

gesloten en in stand gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt

toegebracht;

2: Als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd

aan verdachte op te leggen ten aanzien van feit 1 primair een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar. Ten aanzien van feit 2 heeft zij een geldboete van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis gevorderd.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het ongeval heeft voor het slachtoffer grote gevolgen. Uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgehouden blijkt dat hij ruim een jaar later nog steeds kampt met de lichamelijke gevolgen van het ongeval. Daarnaast heeft verdachte een auto bestuurd die niet verzekerd was.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 17 februari 2012 volgt dat hij (in Nederland) niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. Voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een grove verkeersfout, het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, wordt volgens deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 1 jaar. De rechtbank zal dit als uitgangspunt hanteren.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is en zal aan verdachte ten aanzien van feit 1 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank met de officier van justitie een geldboete van

€ 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis op zijn plaats.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde bij wijze van voorschot een schadevergoeding van € 1.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat voornoemd bedrag bij wijze van voorschot zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt

toegebracht;

2: als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1 primair:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Ten aanzien van feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 400,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden

toegepast van 8 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van, bij wijze van voorschot, € 1.000,00, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 1.000,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, mr. J.P. Killian en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 april 2012.