Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5588

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-604064-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl zijn schuld heeft bestaan in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Gelet op de verantwoordelijke houding van verdachte na afloop van het ongeval en zijn ogenschijnlijk oprechte medeleven met het slachtoffer, is de rechtbank ten voordele van verdachte afgeweken van de oriëntatiepunten van het LOVS en heeft zij een werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van beperkte duur opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604064-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1980] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats],

[adres].

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: met zijn motorrijtuig een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hij tijdelijk zijn normale bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen;

Subsidiair: als bestuurder van een motorrijtuig heeft gereden op de openbare weg en aldaar een gevaar heeft veroorzaakt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit in die zin dat hij zeer onvoorzichtig heeft gereden. Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van het slachtoffer en diverse getuigen, de verkeersongevalanalyse en de verklaring van verdachte zelf.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich niet verzet tegen een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens de terechtzitting van

13 april 2012;

- de verklaring van aangever [aangever 1];

- de verklaring van getuige [getuige 1];

- de verklaring van getuige [getuige 2];

- de verkeersongevalanalyse;

- het relaas van verbalisant [verbalisant] met betrekking tot het letsel van [aangever 1].

De rechtbank is van oordeel dat het aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos verkeersgedrag. De rechtbank komt hiertoe gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte reed tijdens de spits met een bestelbus met aanhanger op een groot kruispunt af. Het gaat om een kruispunt waar van verschillende kanten motorvoertuigen op komen rijden die de snelweg (A2) op willen. De snelheid van de optrekkende en passerende motorvoertuigen zal hierop zijn afgestemd. Bij nadering van het kruispunt heeft verdachte het verkeerslicht op oranje zien springen. Uit de resultaten van de verkeersanalyse valt op te maken dat verdachte op dat moment nog voldoende tijd had om vóór het kruispunt tot stilstand te komen. Hij heeft echter niet geprobeerd dat te doen. Aanwijzingen bestaan dat hij zijn snelheid op dat moment juist heeft opgevoerd. In ieder geval was zijn snelheid op dat moment 82 km/uur en daarmee hoger dan de maximaal toegestane snelheid van 70 km/uur. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht ‘dat het nog wel ging’. Nadat de verkeerslichten al enkele seconden op rood stonden is verdachte deze met hoge snelheid gepasseerd en is hij het kruisingsvlak opgereden.

Door op die wijze te handelen, heeft verdachte alleen aan zijn eigen belang gedacht om snel thuis te komen en het risico voor anderen, dat het door rood rijden altijd met zich brengt, op de koop toe genomen. Hij heeft er geen blijk van gegeven op dat moment oog te hebben gehad voor de mogelijke gevolgen voor zijn medeweggebruikers.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 15 februari 2011 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aangekoppelde aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Zuilense Ring (ter hoogte van de op- en/of afrit van de Rijksweg A2), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden met een snelheid van ongeveer 82 kilometer per uur en daarbij niet te stoppen voor het verkeerslicht dat in zijn, verdachte's richting rood licht uitstraalde en vervolgens in aanrijding te komen met een motorrijtuig dat, gezien zijn, verdachte's rijrichting, van links kwam, terwijl de bestuurder van die auto de kruising was opgereden terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde, waardoor de bestuurder van laatstgenoemde auto, genaamd [aangever 1], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft verzocht de hoogte van de straf te matigen. Met name heeft verdachte zijn bezwaren geuit met betrekking tot de lange onvoorwaardelijke rijontzegging.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag. Hij is midden in de spits een groot kruispunt opgereden, nadat hij met te hoge snelheid verkeerslichten is gepasseerd die op rood stonden. Hij heeft daarbij op de kruising een auto die groen licht had vol in de flank geraakt aan de passagierszijde. Het letsel van de bestuurder was zodanig dat hij eerst na 9,5 maand weer volledig aan het werk kon. Het is een groot geluk dat de passagiersstoel onbemand was.

De oriëntatiepunten van het LOVS geven in geval van roekeloos rijgedrag waardoor een aanrijding met dergelijke gevolgen ontstaat, als oriëntatiepunt voor een passende straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een jaar ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan ten voordele van verdachte af te wijken, gelet op de navolgende omstandigheden.

Allereerst laat de justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 maart 2012 zien dat hij niet eerder noch na het delict met politie en justitie in aanraking is geweest. Daarnaast heeft verdachte zich zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting open en verantwoordelijk opgesteld. Hij heeft inzicht getoond in zijn gevaarlijke verkeersgedrag en heeft laten blijken de ernst ervan in te zien. Direct na het ongeval heeft hij zijn schuld bekend en hij heeft zijn medeleven getoond naar het slachtoffer toe door kort na het ongeval bij hem op bezoek te komen. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte hierin oprecht is geweest. Het slachtoffer heeft hierover ook zijn uitdrukkelijke waardering uitgesproken en heeft laten weten dat deze houding van verdachte hem heeft geholpen bij het verwerkingsproces.

Verdachte is stratenmaker van beroep, werkt 40 uur per week en gebruikt de (bedrijfs)auto voor zijn werk.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van ruim een jaar sedert het ongeval en het feit dat het rijbewijs van verdachte direct na het ongeval niet is ingevorderd.

De rechtbank zal gelet op deze omstandigheden geen gevangenisstraf opleggen. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een werkstraf als gevorderd passend en geboden, evenals een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zij het van kortere duur dan gevorderd.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2012.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.