Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5582

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-009835-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor het beletten van opsporingambtenaren in hun handelen toen zij bezig waren met de aanhouding van een verdachte. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/009835-12 en 21/003200-09 (vordering tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

raadsman mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden

1. Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 april 2012. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opsporingambtenaren heeft belet in hun handelen toen zij bezig waren met de aanhouding van een verdachte.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 15 januari 2012 te Zeist toen [verbalisant 1] en [verbalisant 2],

beiden werkzaam bij de politie Utrecht, belast met en bevoegd verklaard

tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, [medeverdachte 1] als verdacht

van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad

ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, althans vast hadden, deze door

die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het

Wetboek van Strafvordering ondernomen handelingen opzettelijk heeft belemmerd

door geen afstand te houden en in de richting van, voornoemde opsporingsambtenaren te lopen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de verdediging verzocht de straf zoals die door de officier van justitie is gevorderd te matigen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich bemoeid met de aanhouding van een vriend, verdachte [medeverdachte 1], door zich hinderlijk op te houden in de directe omgeving van de aanhouding en steeds te proberen bij de aangehouden verdachte te komen. Verdachte heeft daarmee de verbalisanten belemmerd in hun werk. Door zich zo te gedragen, heeft verdachte niet alleen bijgedragen aan een vervelende sfeer in het uitgaansgebied waar hij zich ophield, maar hij heeft ook het gezag van de politie miskend. De rechtbank rekent dit verdachte aan, te meer daar hij nog in een proeftijd liep en hij zich extra bewust had moeten zijn van zijn gedrag.

Verdachte was tijdens het onderhavige incident onder invloed van alcohol. In een dergelijke toestand heeft hij zich vaker schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 maart 2012 maakt melding van twee veroordelingen in het kader van huiselijk geweld. Hij heeft hiervoor onder meer de maatregel tot gedragsbeïnvloeding opgelegd gekregen, doch dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Een behandeling is nooit van de grond gekomen. Een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld toezicht door een reclasseringsinstelling, is dan ook geen reële optie meer. De rechtbank zal daarom de officier van justitie volgen in zijn eis en een werkstraf opleggen voor de duur van 40 uren.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd van de voorwaardelijke straf van 74 dagen jeugddetentie, die aan verdachte bij arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 2 juni 2010 is opgelegd, een deel van 24 dagen ten uitvoer te leggen en om te zetten in een werkstraf van 48 uur, te vervangen door 24 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd de proeftijd voor het overige te verlengen met één jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Nu de verdachte, zoals zijn raadsman ter zitting naar voren heeft gebracht, kennelijk een baan heeft gevonden en de rechtbank het van belang acht dat hij deze kan behouden, zal zij conform de vordering van de officier van justitie volstaan met de toewijzing van een deel van de vordering tenuitvoerlegging van 24 dagen en die om te zetten in een werkstraf van 48 uur, te vervangen door 24 dagen hechtenis.

De rechtbank acht voor het overige verlenging van de proeftijd met een jaar op zijn plaats.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14f, 14g, 22c, 22d, 77k en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van 74 dagen jeugddetentie, die bij arrest d.d.

2 juni 2010 van het Gerechtshof Arnhem is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/003200-09, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 24 dagen;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een taakstraf voor de duur van 48 uren, te vervangen door 24 dagen hechtenis;

- verlengt voor het overige gedeelte van de vordering de proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.