Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5543

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-600549-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn ex-partner, zwaar lichamelijk letsel toegebracht door heet water over haar hoofd en lichaam te gooiden. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600549-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Ethiopië),

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein.

Raadsvrouw: mr. L.W. Plantenga, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair en 1 subsidiair: [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel dit heeft geprobeerd;

feit 2: [aangever 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair en subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten

Als getuige [getuige 1], verpleegkundige in het [naam] te Utrecht,

op 2 juni 2011 aan het werk is, hoort zij gegil in de kamer van een van haar jonge patiënten, [betrokkene 1]. Zij gaat de kamer binnen, waar haar hand wordt vastgepakt door de moeder van [betrokkene 1], aangeefster [aangever 1], die daarna roept: “Heet water, hij heeft heet water over mij heen gegooid”. Als [getuige 1] zich vervolgens omdraait, ziet zij de vader van [betrokkene 1], verdachte, staan.

Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte die dag tijdens een telefoongesprek ruzie kregen, waarna verdachte onverwachts de kamer van [betrokkene 1] in het ziekenhuis binnenkwam. Aangeefster schrok en wilde de kamer verlaten, maar verdachte hield haar tegen. Hij gaf haar vervolgens een pijnlijke, harde klap op haar hoofd, achter haar rechteroor. Toen hij daarna een kan met water pakte en een gooibeweging maakte, deed zij snel haar linkerarm voor haar gezicht.

Het water, dat heet water bleek te zijn, kwam vervolgens tegen deze arm en haar hoofd .

Uit een medische verklaring volgt dat de oorschelp van het rechteroor van aangeefster gezwollen was en dat zij op haar linkerarm en op haar hoofd en in haar gezicht onder meer 2e graads brandwonden heeft opgelopen. Op 12 augustus 2011 zijn fotografische opnamen gemaakt van het letsel van aangeefster. Op deze foto’s zijn huidverkleuringen in het gezicht en op de linkerarm van aangeefster zichtbaar.

4.3.2. De bewijsverweren

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De rechtbank merkt allereerst op dat de verklaring die verdachte kort na het incident met behulp van een beveiligingsmedewerker als tolk aflegde niet voor het bewijs zal worden gebruikt, net als de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. Ook de waarnemingen van getuige [getuige 1] met betrekking tot het gesprek dat zij na het incident voerde met de zoon van verdachte en aangeefster, zal de rechtbank niet gebruiken voor het bewijs.

Daarom komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het verzoek tot uitsluiting van het bewijs dat door middel van deze verklaringen is verkregen.

Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster betwist.

Niet verdachte, maar aangeefster zou de kan met water hebben gegooid, waarna verdachte zich afweerde en het water hen beiden raakte, aldus de verdediging.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar.

Haar verklaring is consistent, zeer gedetailleerd en vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen voor wat betreft haar lezing over de eerdere afwezigheid van de kan op [aangever 1] kamer. De rechtbank verwijst voor wat betreft dat laatste naar de bewijsmiddelen die hieronder bij ‘Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’ worden genoemd en waaruit zij concludeert dat het verdachte is geweest die de kan heeft meegenomen naar de kamer van [betrokkene 1]. De rechtbank zal voornoemd verweer dan ook verwerpen.

Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte - kort gezegd - niet wist dat het water in de kan heet was, waardoor (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zou ontbreken.

De rechtbank stelt aan de hand van een foto die zich in het dossier bevindt vast dat de betreffende kan een doorzichtige, plastic maatkan betreft, met een maataanduiding tot

1.000 ml (1 liter), met een open bovenzijde en voorzien van een plastic handvat. Uit de verklaring van getuige [getuige 4], verpleegkundige op de betreffende afdeling, volgt dat de betreffende kan veelal wordt gebruikt voor patiënten met een katheter. [betrokkene 1] heeft geen katheter.

Getuige [getuige 5], verpleegkundige, verklaarde dat zij enkele minuten voor het incident nog in de betreffende kamer was, waar aangeefster en haar twee kinderen op dat moment verbleven. Zij zag toen geen kan op de kamer staan.

Ook aangeefster heeft verklaard dat de betreffende kan voordat verdachte binnenkwam, niet op de kamer stond.

De betreffende kannen staan duidelijk zichtbaar in de spoelkeuken, tegenover de kamer van [betrokkene 1].

De rechtbank gaat er gezien het voorgaande van uit dat verdachte de kan, die op dat moment al dan niet was gevuld met heet water, heeft meegenomen en daarbij enige tijd heeft vastgehouden. Indien de kan op dat moment al gevuld was, moet het handvat en de buitenzijde van de kan, gezien de aard van de kan en de hete inhoud, ook heet hebben aangevoeld. Verdachte moet dan ook, ook in dat geval, hebben geweten dat de inhoud van de kan heet water betrof.

De rechtbank is van oordeel dat het gooien met heet water tegen het hoofd (gezicht) en lichaam van het slachtoffer voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. Indien verdachte al geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan heeft hij hierdoor in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan.

De rechtbank zal voornoemd verweer van de verdediging dan ook verwerpen.

Zwaar lichamelijk letsel

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel van aangeefster valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht geeft een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (zie HR. 14 februari 2006, LJN AU8055 (RvdW 2006, 220). Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Aangeefster heeft ten gevolge van het onder 1 primair ten laste gelegde incident 2e graads brandwonden opgelopen, met als restletsel huidverkleuringen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke littekens zonder verder plastisch-chirurgisch ingrijpen niet zullen verdwijnen. Gelet hierop en gelet op de opvallende plek van de littekens en de omstandigheid dat het slachtoffer een jonge vrouw is die de smet op haar gezicht lange tijd zal moeten dragen, is de rechtbank van oordeel dat dit, conform het algemene spraakgebruik dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierna is omschreven.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1 primair.

op 2 juni 2011 in Utrecht, aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (2e graads brandwonden, met restletsel huidverkleuringen tot gevolg) heeft toegebracht, door toen daar opzettelijk heet water op het hoofd en het lichaam van die [aangever 1] te gooien;

2.

op 2 juni 2011 in Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1] tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: zware mishandeling;

feit 2: mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft voor onderzoek in het Pieter Baan Centrum verbleven. Hij heeft de psychiaters en de psycholoog daar te kennen gegeven niet te willen meewerken aan het onderzoek. Ten gevolge van deze weigering hebben zowel de psychiaters als de psycholoog onvoldoende onderzoek kunnen verrichten naar de geestvermogens van verdachte, zodat niet gebleken is dat verdachte geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar was op

2 juni 2011. Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte ten volle strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden genoemd en heeft de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn ex-partner, zwaar lichamelijk letsel toegebracht door heet water over haar hoofd en lichaam te gooiden. De als gevolg hiervan ontsierende littekens zal zij de rest van haar leven met zich mee moeten dragen. Een dergelijke daad vormt een zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte zijn ex-partner mishandeld. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Daarbij neemt zij ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij op geen enkele wijze berouw heeft getoond voor zijn handelen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad d.d.

28 juli 2011, waaruit volgt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld in verband met mishandeling van zijn ex-partner.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, een passende straf is.

De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op teneinde verdachte er in de toekomst van te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank een locatieverbod opleggen, zoals hierna is omschreven.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van dat wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: zware mishandeling;

feit 2: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden te Soest;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2012.