Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5511

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-655349-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere oplichtingen en meerdere pogingen tot oplichting doordat hij gedurende een aantal weken in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een buurtbewoner, die wegens gezondheidsredenen van familieleden naar het ziekenhuis moest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655349-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen.

Raadsman: mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 en feit 2: een aantal personen heeft opgelicht respectievelijk dit heeft geprobeerd;

feit 3: een portefeuille heeft gestolen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Nadat op 25 januari 2012 omstreeks 16.20 uur een melding binnenkomt dat een man op de [adres] te Utrecht en omgeving bij diverse woningen had aangebeld en daar met een verdacht verhaal om geld had gevraagd, gaat de politie ter plaatse. In de omgeving van voornoemde straat treffen zij omstreeks 16.50 uur een man aan die voldoet aan het opgegeven signalement, verdachte. Hij heeft een bedrag aan contant geld bij zich. Verdachte wordt aangehouden. Verbalisanten omschrijven verdachte, die op

[1980] is geboren en derhalve 31 jaar oud is, als man van 18-25 jaar oud, met een licht getinte huidskleur en Noord-Afrikaans uiterlijk, zwart haar en een zwarte glimmende jas met op de rug de tekst “Nickelson”. Op grond van een aantal foto’s in het dossier stelt de rechtbank vast dat deze tekst in grote witte letters is geschreven. De rechtbank stelt ook vast dat onder deze tekst naast elkaar drie horizontale strepen zijn aangebracht op de jas in de kleuren groen, wit en rood. In een embleem aan de voorzijde van de jas komen deze kleuren, die samen de Italiaanse vlag vormen, ook terug. Tot slot stelt de rechtbank op grond van voornoemde foto’s vast dat het een gewatteerde jas betreft. Uit het dossier volgt dat verdachte een litteken heeft in zijn rechter wenkbrauw.

Er wordt een buurtonderzoek gedaan in de [adres], [adres], [adres] en de [adres] te Utrecht, waaruit volgt dat er door een man met soortgelijk signalement bij diverse woningen is aangebeld met een soortgelijk verhaal. Diverse aangiften van (pogingen tot) oplichting volgen. Het gaat daarbij om de hierna te noemen aangiften:

[aangever 1]

Op 25 januari 2012 doet [aangever 1] aangifte wegens oplichting. Zij verklaart dat er die dag omstreeks 16.30 uur een lichtgetinte man met kort, zwart haar aanbelde bij haar woning, gelegen aan de [adres] te Utrecht. De man was ongeveer 30 jaar oud, ongeveer

170 cm lang en droeg een zwarte jas van het merk Nickelson, welke merknaam met grote letters op de achterzijde van de jas stond. De man maakte zich bekend als buurtbewoner en vertelde dat zijn moeder in het ziekenhuis lag, dat hij daar naar toe moest en vroeg aangeefster of zij een auto had om hem te brengen. Toen zij hem vertelde dat zij geen auto had, vroeg hij haar om wat geld te lenen zodat hij naar het ziekenhuis kon. Aangeefster, die de man geloofde, gaf hem vervolgens € 3,00. De man vertelde dat hij het geld diezelfde avond terug zou brengen, maar zij heeft het geld niet teruggekregen.

[aangever 2]

Op 26 januari 2012 doet [aangever 2] aangifte wegens oplichting. Hij verklaart dat een man in de middag van 25 januari 2012 aanbelde bij zijn woning, gelegen aan de [adres] te Utrecht. De man had een Marokkaans uiterlijk, kort donker haar, was ongeveer 175 cm en droeg een donkerkleurig jack. De man maakte zich bekend als buurtbewoner, vertelde dat zijn zus een ongeluk met de scooter had gehad en dat hij zijn moeder met de taxi moest ophalen om haar naar het ziekenhuis te brengen. De man beloofde het geld diezelfde avond terug te brengen. Aangever, die de man geloofde, gaf hem vervolgens

€ 15,00, welk bedrag hij niet terug heeft gekregen van de man.

Verdachte heeft, geconfronteerd met voornoemde feiten, bevestigd dat hij op

25 januari 2012, na het vertellen van een “smoesje” over een familielid dat in het ziekenhuis zou liggen en dat hij geld nodig had, van twee verschillende personen respectievelijk

€ 3,00 en € 15,00 heeft gekregen. Hij verklaarde dat hij deze smoes doelbewust gebruikt omdat hij anders geen geld krijgt als hij daar om vraagt.

Na het betreffende buurtonderzoek zijn diverse aangiften binnengekomen met als pleegdatum 25 januari 2012, maar de rechtbank stelt vast dat alleen door aangevers [aangever 1] en [aangever 2] voornoemde bedragen zijn genoemd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte over de door hen genoemde incidenten heeft verklaard.

Anders dan bij [aangever 1] en [aangever 2], gaven de hierna te noemen aangevers op 25 januari 2012 geen geld aan de man. Zij deden aangifte van een poging tot oplichting:

[aangever 3]

Op 25 januari 2012 doet [aangever 3] aangifte van een poging tot oplichting.

Hij heeft verklaard dat diezelfde dag een man aanbelde bij zijn woning, gelegen aan de [adres] te Utrecht, die zich bekend maakte als buurtbewoner. De man, die licht getint was, ongeveer 25 jaar oud en ongeveer 175 cm lang, had kort zwart haar en droeg een glimmende zwarte jas, met op de achterkant letters. Nadat de man hem vertelde dat zijn zus in het ziekenhuis lag en dat hij geen geld had om haar op te halen, vroeg hij aangever om geld, dat aangever hem, omdat hij geen contant geld in huis had, niet gaf.

[aangever 4]

Op 26 januari 2012 doet [aangever 4] aangifte van een poging tot oplichting. Hij heeft verklaard dat op 25 januari 2012 tussen 15.30 en 16.30 uur een man aanbelde bij zijn woning, gelegen aan de [adres] te Utrecht. De man, die licht getint was, ongeveer 30 jaar oud en ongeveer 170 cm lang, had kort zwart haar en droeg een zwart jack. De man maakte zich bekend als buurtbewoner, vertelde dat zijn moeder in het ziekenhuis lag en dat hij geen geld had om naar het ziekenhuis te gaan en haar daar op te halen. Hij vroeg aangever vervolgens om geld, maar omdat aangever het niet vertrouwde, gaf hij de man geen geld.

[aangever 5]

Op 26 januari 2012 doet [aangever 5] aangifte van een poging tot oplichting op

25 januari 2012. Hij heeft verklaard dat op die datum omstreeks 16.30 uur een man aanbelde bij zijn woning, gelegen aan de [adres] te Utrecht, die zich bekend maakte als buurtbewoner. De man, die ongeveer 25-30 jaar oud was, had een Marokkaans uiterlijk, was ongeveer 175 cm lang en had kort zwart haar. De man vertelde hem dat zijn moeder in het ziekenhuis lag en dat hij haar moest ophalen, maar daarvoor geen geld had. Hij vroeg aangever hem geld te lenen, dat hij diezelfde avond nog terug zou brengen. Omdat aangever geen contant geld had, gaf hij de man geen geld.

Naar aanleiding van voornoemde aangiften wordt in het politiesysteem een aantal meldingen gevonden van (pogingen tot) oplichting met, aldus de politie, een soortgelijke modus operandi en dadersignalement. Het gaat om de hierna te noemen aangiften:

[aangever 6]

Op 3 januari 2012 deed [aangever 6] aangifte wegens oplichting.

Hij verklaarde dat op 3 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht.

De man, waarvan hij vermoedde dat hij van Turkse komaf was, schatte hij tussen de 22 en 25 jaar oud en ongeveer 175 cm lang. Hij verklaarde dat de man een kort zwart jack droeg en zich bekend maakte als [verdachte], een buurtbewoner. De man vertelde dat hij samen met zijn moeder naar het ziekenhuis moest gaan, maar geen vervoer had. Later gaf hij aan dat zijn moeder in het ziekenhuis lag en daar geopereerd moest worden. Nadat aangever de man een lift aanbood, vroeg de man om geld voor een taxi voor de terugweg, waarna aangever de man een bedrag van € 20,00 gaf. De man vroeg hem daarna om meer geld om eten te kunnen kopen in het ziekenhuis, waarna aangever de man opnieuw € 20,00 gaf. De man vertelde aangever dat hij of zijn vader het geld diezelfde avond nog terug zouden brengen.

Op 26 januari 2012 neemt verbalisant telefonisch contact op met aangever, waaruit volgt dat hij voornoemd bedrag niet terug heeft gekregen van de man, noch van zijn vader.

[aangever 7]

Op 7 januari 2012 deed [aangever 7] aangifte wegens oplichting. Hij verklaarde dat er diezelfde dag een man aanbelde bij de deur van zijn woning, gelegen te Utrecht.

De man, die een Noord-Afrikaans uiterlijk had, ongeveer 25-30 jaar oud was en ongeveer 170 cm lang, had kort zwart haar en hij droeg een zwart/wit jack.

De man toonde een brief van Sociale Zaken & Werkgelegenheid met daarop de naam

[verdachte], vertelde dat zijn zusje een ongeluk had gehad en vroeg aangever om hem geld te lenen voor een taxi. Hij zou het geld diezelfde avond nog terugbrengen. Aangever geloofde de man en gaf hem € 15,00. Als verbalisant op 26 januari 2012 telefonisch contact opneemt met aangever, verklaart hij dat hij voornoemd bedrag niet terug heeft gekregen.

[aangever 8]

Op 23 januari 2012 deed [aangever 8] aangifte wegens een poging tot oplichting.

Zij verklaarde dat op 8 januari 2012 een man aanbelde bij haar woning, gelegen te Utrecht. De man had een Noord-Afrikaans uiterlijk, was ongeveer 21-25 jaar oud en ongeveer 170-175 cm lang en had zwart kort haar. De man droeg een zwart glanzend jack met op de achterzijde een logo.

De man maakte zich bekend als het broertje van een buurtbewoner. De man vertelde dat zijn zusje in het ziekenhuis lag en dat hij naar haar toe moest, maar geen geld had. Zij heeft de man naar het ziekenhuis gereden, waar hij haar vroeg om hem € 40,00 te lenen voor de terugweg. Zij heeft dit niet gedaan.

[aangever 9]

Op 22 januari 2012 deed [aangever 9] aangifte wegens oplichting.

Hij verklaarde dat op 10 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die ongeveer 23-30 jaar oud was, een licht getinte huidskleur had en zwart haar, was ongeveer 170-175 cm lang en had een litteken in zijn rechter wenkbrauw. De man droeg een zwarte glimmende jas met op de achterzijde een logo. De man maakte zich bekend als [verdachte], een buurtbewoner en vertelde dat zijn zus een scooterongeluk had gehad, dat hij naar het ziekenhuis moest en vroeg of hij van aangever geld kon lenen voor een taxi. Hij toonde een kopie van een vermissing van zijn legitimatiebewijs, waaruit volgde dat hij inderdaad [verdachte] heette en op de [adres] woonde. Omdat hij de man geloofde, gaf aangever hem € 10,00, waarop de man hem toezegde dat zijn vader dit bedrag diezelfde avond nog zou terugbrengen. Bijna twee weken later, op 22 januari 2012, heeft aangever het geld nog niet teruggekregen. Uit de ID-staat van verdachte d.d. 24 januari 2012 volgt dat zijn [adres] te Utrecht is.

[aangever 10]

Op 17 januari 2012 deed [aangever 10] aangifte wegens een poging tot oplichting.

Hij verklaarde dat op diezelfde dag een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die een Noord-Afrikaans uiterlijk had, ongeveer 21-25 jaar oud was en ongeveer 175 cm-180 cm lang, had een litteken in zijn rechter wenkbrauw en droeg een zwart glanzend gewatteerd jack met op de achterzijde 6 tot 8 letters in de kleuren van de Italiaanse vlag: groen, wit en rood. De man maakte zich bekend als buurtbewoner en vertelde over zijn zus die in het ziekenhuis lag. De man vroeg aangever om geld voor een taxi. De man overhandigde hem een aangifte van vermissing van een identiteitsbewijs, waaruit volgde dat hij geen buurtbewoner was, maar op de [adres] te Utrecht woonde. Toen hij de man hiermee confronteerde, ging de man weg, zonder geld te hebben gehad van aangever.

Uit de ID-staat van verdachte d.d. 24 januari 2012 volgt dat zijn [adres] te Utrecht is.

Nadat de zaak aandacht heeft gekregen via de media, volg opnieuw een aantal aangiften van (pogingen tot) oplichting, waarbij een man met soortgelijk signalement en soortgelijk verhaal aanbelt en verzoekt om hem geld te lenen. Het gaat daarbij om de volgende aangiften:

[aangever 11]

Op 27 januari 2012 doet [aangever 11] aangifte wegens oplichting.

Zij heeft verklaard dat begin november 2011 een man aanbelde bij haar woning, gelegen te Utrecht. De man, die lichtgetint was, ongeveer 25-30 jaar oud en ongeveer 170-180 cm lang, maakte zich bekend als buurtbewoner en gaf aan dat hij naar het ziekenhuis moest omdat zijn tante daar lag.

Hij vroeg haar of hij geld mocht lenen voor een taxi, welk geld hij diezelfde avond nog terug zou brengen. Aangeefster geloofde de man en gaf hem € 5,00, welk bedrag zij op

27 januari 2012 nog niet terug heeft ontvangen.

Aangeefster verklaarde dat zij in de nacht van 12 op 13 december 2011 zag en hoorde dat dezelfde man bij haar buurman aanbelde met een soortgelijk verhaal.

[aangever 19]

Op 31 januari 2012 doet [aangever 19] aangifte wegens oplichting.

Hij heeft verklaard dat op 10 december 2011 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die een Noord-Afrikaans uiterlijk had en ongeveer 30 jaar oud was, schat hij tussen de 170 en 175 cm lang. De man had zwart haar en droeg een donkerkleurige gewatteerde jas.

De man maakte zich bekend als buurtbewoner en gaf aan dat hij naar het ziekenhuis toe moest om daar zijn broer of zus op te halen die met een gebroken been in het ziekenhuis lag. Nadat aangever hem aanbood om voor hem te rijden, wees de man dit aanbod af en vroeg of hij geld mocht lenen voor een taxi. Hij zou dit geld diezelfde avond nog komen terugbrengen. Aangever geloofde de man en gaf hem € 20,00, welk bedrag hij op

31 januari 2012 nog niet terug heeft ontvangen.

[aangever 12]

Op 27 januari 2012 deed [aangever 12] aangifte van een poging tot oplichting.

Hij verklaarde dat op 8 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht.

De man had een Noord-Afrikaans uiterlijk, was ongeveer 30 jaar oud en tussen de 170 en 175 cm lang, had kort haar en droeg een gewatteerde jas met op de achterzijde

rood-wit-groene strepen, gelijkend op de Italiaanse vlag. De man stelde zich voor als nieuwe buurtbewoner en vroeg aangever of hij hem naar het ziekenhuis kon brengen omdat daar een familielid was opgenomen. Nadat hij de man een lift aanbood, vroeg de man aangever om geld voor een taxi terug naar huis. Aangever heeft de man geen geld gegeven.

[aangever 13]

Op 27 januari 2012 doet [aangever 13] aangifte van een poging tot oplichting.

Hij heeft verklaard dat op 9 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die ongeveer 30 jaar oud was, tussen de 175 en 180 cm lang, een licht getinte huidskleur had en kort zwart haar, droeg een zwarte jas met op de achterzijde witte letters die in een half rondje geschreven stonden. De man maakte zich bekend als buurtbewoner en vertelde dat zijn moeder in het ziekenhuis lag en dat hij naar haar toe moest en vroeg hem of hij geld mocht lenen voor een taxi naar het ziekenhuis. Aangever heeft de man geen geld gegeven.

[aangever 14]

Op 31 januari 2012 doet [aangever 14] aangifte wegens een poging tot oplichting.

Zij heeft verklaard dat op 10 januari 2012 een man aanbelde bij haar woning, gelegen te Utrecht. De man, die van Marokkaanse of Turkse afkomst was en ongeveer 25 jaar oud, had kort donker haar en was ongeveer 170-175 cm lang. De man maakte zich bekend als [verdachte], een buurtbewoner en vertelde aangeefster dat zijn zus een ongeluk had gehad. Later vertelde hij dat zijn zus geopereerd was. De man vroeg haar om geld voor een taxi naar het ziekenhuis, maar zij heeft de man geen geld gegeven.

[aangever 15]

Op 2 februari 2012 doet [aangever 15] aangifte wegens een poging tot oplichting.

Hij heeft verklaard dat op 12 of 13 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die 20 tot 25 jaar oud was en 165 tot 175 cm lang, had zwart haar en maakte zich bekend als buurtbewoner. De man vertelde dat zijn zusje een scooterongeluk had gehad en in het ziekenhuis lag en vroeg aangever hem geld te lenen voor een taxi. Omdat hij het verhaal niet vertrouwde, gaf aangever de man geen geld.

[aangever 16]

Op 27 januari 2012 doet [aangever 16] aangifte wegens oplichting.

Zij heeft verklaard dat op 23 januari 2012 een man aanbelde bij haar woning, gelegen te Utrecht. De man, die zich bekend maakte als [verdachte], een buurtbewoner, had een Noord-Afrikaans uiterlijk, was ongeveer 30 jaar oud en ongeveer 175 cm lang en droeg een donkerkleurige gewatteerde jas. De man vertelde haar dat zijn zusje een brommerongeluk had gehad en nu in het ziekenhuis lag met een gebroken been. Omdat hij geen vervoer had naar het ziekenhuis vroeg de man haar om geld voor een taxi. Zij geloofde de man en gaf hem € 20,00. De man beloofde dat hij of zijn vader het geld diezelfde avond terug zou brengen, maar zij heeft het geld noch van de man, noch van zijn vader teruggekregen.

[aangever 17]

Op 3 februari 2012 deed [aangever 17] aangifte wegens oplichting.

Zij verklaarde dat op 25 januari 2012 een man aanbelde bij haar woning, gelegen te Utrecht. Haar vriend [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) deed open. De man, die een lichtgetinte huidskleur had, ongeveer 25 jaar oud was, zwart haar had en een donkerkleurige, glimmende jas droeg, maakte zich aan [getuige 1] bekend als een buurtbewoner en vertelde dat zijn zusje door de ambulance was afgevoerd omdat zij een epileptische aanval had gehad. Hij vroeg [getuige 1] om een lift naar het ziekenhuis, samen met zijn moeder. Nadat [getuige 1] aangaf dat hij geen auto had, vroeg de man hem om geld. Omdat [getuige 1] dit niet had, besloot aangeefster de man € 40,00 te geven. De man zei dat hij het geld de volgende dag terug zou brengen, maar op 3 februari 2012, ruim een week later, heeft zij dit bedrag nog niet van hem teruggekregen.

Getuige [getuige 1] heeft het voorgaande bevestigd en verklaarde dat het ging om een man die zichzelf [verdachte] noemde.

Uit telefonisch contact met de vader van verdachte d.d. 31 januari 2012, getuige [getuige 2], volgt dat er geen familielid van verdachte in het ziekenhuis ligt.

4.3.2. De feiten ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Aangever, [aangever 18], heeft verklaard dat op 21 januari 2012 een man aanbelde bij zijn woning, gelegen te Utrecht. De man, die een Marokkaans uiterlijk had, circa 30 jaar oud was en ongeveer 170-175 centimeter lang , maakte zich bekend als [verdachte], een nieuwe buurtbewoner. De man vertelde dat zijn zus in het ziekenhuis lag in verband met een gebroken been en vroeg aangever of hij hem kon helpen met vervoer. Aangever stelde voor dat de man in zijn woonkamer een taxi zou bellen, wat de man vervolgens deed. Toen de man de woning weer had verlaten, bleek dat zijn portefeuille, die in de woonkamer op een tafel lag, was weggenomen. Deze portefeuille bevatte een bedrag van ongeveer € 400,00 en een rijbewijs.

4.3.3. Partiële vrijspraken

Ten aanzien van feit 1:

[aangever 20] heeft aangifte gedaan wegens oplichting.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit feit, aangezien uit de aangifte niet blijkt van een werkwijze die overeenkomt met de hierboven genoemde feiten. Er is bovendien sprake van een afwijkend signalement. De rechtbank zal verdachte van deze oplichting vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2:

[aangever 21] heeft aangifte gedaan wegens een poging tot oplichting.

Nu uit deze aangifte volgt dat er door de betreffende dader slechts is verzocht om een lift naar het ziekenhuis en niet om de afgifte van geld dan wel goederen, zoals ten laste is gelegd, kan deze poging tot oplichting niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.4. De bewijsverweren ten aanzien van feit 1 en 2:

Modus operandi

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte bevestigde modus operandi overeenkomt met de wijze waarop de aangevers [aangever 1], [aangever 2], [aangever 6], [aangever 7], [aangever 9], [aangever 19], [aangever 11], [aangever 16] en [aangever 17] zijn opgelicht en is getracht aangevers [aangever 3], [aangever 4], [aangever 5], [aangever 8], [aangever 10], [aangever 13], [aangever 14], [aangever 12] en [aangever 15] op te lichten. Daarnaast hebben voornoemde incidenten zich alle voorgedaan in dezelfde periode en plaats als de door verdachte erkende feiten. Na de aanhouding van verdachte hebben zich blijkens het dossier geen nieuwe incidenten voorgedaan. Het signalement dat voornoemde aangevers hebben gegeven komt voorts op een aantal (essentiële) onderdelen overeen met het signalement van verdachte.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte begin november 2011, welke pleegperiode aangeefster [aangever 11] heeft genoemd, in hechtenis zat. Hij zou de betreffende dader daarom niet geweest kunnen zijn, aldus de verdediging.

De rechtbank acht echter ook deze oplichting wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij niet zeker is van de genoemde pleegperiode en zij doet pas geruime tijd na het voorval aangifte. Voor het overige komt de modus operandi en het signalement dat zij heeft gegeven op essentiële punten overeen. Voorts zijn er in de stukken geen aanknopingspunten dat iemand anders ook actief is met de door verdachte gehanteerde werkwijze in Utrecht.

Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

De verdediging heeft aangevoerd dat het voor oplichting vereiste oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen ontbreekt. De verdediging stelt dat het de bedoeling van verdachte was om, als hij geld ontving, deze bedragen weer terug te betalen.

Om die reden moet verdachte worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde (pogingen tot) oplichting, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarover het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal weken in strijd met de waarheid voorgedaan als een buurtbewoner, die wegens gezondheidsredenen van familieleden naar het ziekenhuis moest, maar daarvoor geen (geld voor) vervoer had. Door deze valse hoedanigheid aan te nemen en voornoemd verhaal te vertellen, heeft hij diverse personen bewogen tot de afgifte van geld, of heeft hij dit geprobeerd. Telkens gaf hij daarbij aan dat hij (of zijn vader) het betreffende bedrag diezelfde dag of de dag daarna terug zouden brengen.

De verdediging heeft evenwel op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat verdachte dit ook daadwerkelijk ooit heeft gedaan. Evenmin volgt uit het dossier dat verdachte bij heeft gehouden van wie hij bedragen ontving en om welke bedragen het ging.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte telkens wist dat hij zijn toezeggingen niet na zou gaan komen en opzettelijk desondanks op voornoemde wijze bij mensen geld heeft gevraagd en het geld dat zij hem gaven heeft geaccepteerd. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Op grond van het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de hierna onder feit 1 genoemde aangevers heeft opgelicht en heeft gepoogd de hierna onder feit 2 genoemde aangevers op te lichten.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank, gezien het voorgaande, tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder feit 3 ten laste gelegde diefstal, zoals hierna is omschreven.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 01 november 2011 tot en met 25 januari 2012 te Utrecht met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de volgende personen telkens heeft bewogen tot de afgifte van de volgende geldbedragen:

[aangever 1] tot een geldbedrag van 3 euro en

[aangever 2] tot een geldbedrag van 15 euro en

[aangever 6] tot een geldbedrag van 40 euro en

[aangever 7] tot een geldbedrag van 15 euro en

[aangever 9] tot een geldbedrag van 10 euro en

[aangever 19] tot een geldbedrag van 20 euro en

[aangever 11] tot een geldbedrag van (ongeveer) 5 euro en

[aangever 16] tot een geldbedrag van 20 euro en

[aangever 17] tot een geldbedrag van 40 euro

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk

listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich tegenover die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 9] en [aangever 19] en [aangever 11] en [aangever 16] en [aangever 17]

- heeft voorgedaan als een buurtbewoner en

- heeft gezegd dat zijn moeder en/of zus en/of broer en/of tante, in elk geval

een familielid een ongeluk had gehad en/of

- een epileptische aanval had gehad en/of

- (daarom) in het ziekenhuis lag en/of geopereerd moest worden en/of

- dat hij naar het ziekenhuis toe moest, maar geen vervoer had om daar heen te

gaan en/of

- dat hij een auto nodig had om hem en/of zijn moeder naar het ziekenhuis te

brengen en/of om zijn zus uit het ziekenhuis op te halen en/of

- heeft gevraagd of hij geld kon/mocht lenen voor een taxi en/of

- heeft gezegd dat hij en/of zijn vader dit geld diezelfde dag en/of de

volgende dag terug zou brengen

waardoor [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 9] en [aangever 19] en [aangever 11] en [aangever 16] en [aangever 17] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

in de periode van 6 januari 2012 tot en met 25 januari 2012

te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met

het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 5] en [aangever 8] en [aangever 10] en

[aangever 13] en [aangever 14] en [aangever 12] en [aangever 15],

te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

zich tegenover die [aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 5] en [aangever 8] en [aangever 10] en [aangever 13] en [aangever 14] en [aangever 12] en [aangever 15]

- heeft voorgedaan als buurtbewoner en/of

- heeft gezegd dat zijn moeder en/of zus, in elk geval een familielid een

ongeluk had gehad en/of

- (daarom) in het ziekenhuis lag en/of geopereerd moest worden en/of

- dat hij naar het ziekenhuis toe moest, maar geen vervoer had om daar heen te

gaan en/of

- dat hij een auto nodig had om hem naar het ziekenhuis te brengen en/of

- heeft gevraagd of hij geld kon/mocht lenen voor een taxi en/of

- heeft gezegd dat hij dit geld diezelfde dag terug zou brengen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

op 21 januari 2012 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille (bevattende onder andere een rijbewijs en een geldbedrag van ongeveer 400 euro), toebehorende aan [aangever 18].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2: poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3: diefstal.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden genoemd en heeft de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere oplichtingen en meerdere pogingen tot oplichting doordat hij gedurende een aantal weken in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een buurtbewoner, die wegens gezondheidsredenen van familieleden naar het ziekenhuis moest, maar daarvoor geen (geld voor) vervoer had. Verdachte heeft daarbij niet geschuwd om in te spelen op het geweten van de slachtoffers en bij hen gevoelens van schuld teweeg te brengen, zodat zij over zouden gaan tot afgifte van geld. Verdachte heeft daardoor de slachtoffers niet alleen financiële schade berokkend, maar door mensen op te lichten, heeft hij bij hen ook het vertrouwen in de medemens aangetast. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een portefeuille.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 13 april 2012, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens oplichting en diefstal tot - onder meer - onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het wetboek van strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 9 januari 2012 door de politierechter te Utrecht is veroordeeld en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijven die (deels) voor de hierboven genoemde datum zijn gepleegd.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank met de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, maar zal de duur daarvan matigen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, een passende straf.

7. De benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1:

Benadeelde partij [aangever 19] vordert een schadevergoeding van € 20,00 ter zake van materiële schade.

Benadeelde partij [aangever 17] vordert een schadevergoeding van € 40,00 ter zake van materiële schade.

Benadeelde partij [aangever 20] vordert een schadevergoeding van € 27,00 ter zake van materiële schade.

Ten aanzien van feit 3:

Benadeelde partij [aangever 18] vordert een schadevergoeding van € 442,70 ter zake van materiële schade.

Voornoemde benadeelde partijen verzoeken allen hun vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de door benadeelde partijen [aangever 19], [aangever 17] en [aangever 18] gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder de feiten 1 en 3 bewezenverklaarde en dat verdachte aansprakelijk is voor de geleden schade.

De rechtbank zal de vorderingen toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Nu verdachte is vrijgesproken van de vermeende oplichting van [aangever 20], zal de rechtbank deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2: poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3: diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 19]

van € 20,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 17]

van € 40,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 18]

van € 442,70 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [aangever 19], € 20,00, 1 dag hechtenis,

- benadeelde partij [aangever 17], € 40,00, 1 dag hechtenis,

- benadeelde partij [aangever 18], € 442,70, 8 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [aangever 20] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangever 20] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2012.