Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5498

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
16-655 297-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, die gelabeld is als veelpleger, heeft in twee dagen tijd al dan niet samen met anderen twee winkeldiefstallen gepleegd. De rechtbank legt hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op voor de duur van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655297-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen.

Raadsman: mr. A.M.P. Adank, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met anderen een winkeldiefstal heeft gepleegd op

18 december 2011;

feit 2: een winkeldiefstal heeft gepleegd op 17 december 2011.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten

Ten aanzien van feit 1:

Als getuige [getuige 1], medewerker van de [bedrijf 1] aan de [adres] in Utrecht, op 18 december 2011 aan het werk is, ziet hij twee mannen samen pakken vlees in een plastic tas stoppen. Nadat hij de man die de plastic tas bij zich draagt de kassa’s ziet passeren zonder deze goederen te betalen, houdt hij de man, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), aan. De tweede man passeert de kassa’s en verlaat vervolgens de winkel. In voornoemde plastic tas wordt een hoeveelheid varkenshaasjes aangetroffen.

Uit camerabeelden volgt dat er nog een derde man, die door verbalisant ambtshalve wordt herkend als [medeverdachte 2], betrokken is bij voornoemde diefstal.

[medeverdachte 1] heeft dit bevestigd en hij heeft verklaard dat hij die dag samen met [medeverdachte 2] en een kennis had afgesproken om varkenshaasjes te gaan stelen. Volgens afspraak hield hij een plastic tas open, terwijl de kennis varkenshaasjes in de tas deed en [medeverdachte 2] hen daarbij afschermde. De door [medeverdachte 1] genoemde “kennis” wordt op de betreffende camerabeelden door verbalisanten ambtshalve herkend als verdachte.

Ten aanzien van feit 2:

Op 19 december 2011 wordt namens [bedrijf 1], vestiging [adres] te Utrecht, aangifte gedaan wegens winkeldiefstal op 17 december 2011.

Op camerabeelden is te zien dat een man, die door verbalisant ambtshalve wordt herkend als verdachte, een aantal gourmetschalen pakt en daarna in zijn plastic tas stopt. Vervolgens passeert de man de kassa’s zonder deze goederen ter betaling aan te bieden.

4.3.2. De bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1:

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] betwist. Het door deze medeverdachte omschreven plan zou niet hebben bestaan en verdachte wist niet beter dan dat [medeverdachte 1] het betreffende vlees zou betalen. Hij heeft in die veronderstelling de varkenshaasjes in de tas gedaan die [medeverdachte 1] openhield, aldus de verdediging. Nadat hij begreep dat [medeverdachte 1] de varkenshaasjes niet zou betalen, zou hij een medewerker van de supermarkt hebben aangesproken bij de kassa.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar. Zijn verklaring is gedetailleerd en vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen voor wat betreft zijn lezing over de - reeds van te voren afgesproken - wijze waarop de diefstal in vereniging plaatsvond. Het feit dat [medeverdachte 1] de onderlinge band tussen hem en verdachte (zijn huisgenoot) vaag heeft gehouden - mogelijk om verdachte uit de wind te houden - doet daaraan niets af, net als het door de verdediging genoemde feit dat [medeverdachte 2] de betreffende afspraken heeft ontkend.

Voorts volgt noch uit de camerabeelden, noch uit de verklaring van getuige [getuige 1], noch uit enig ander onderdeel van het dossier dat verdachte bij de kassa een medewerker van de supermarkt heeft aangesproken.

De rechtbank zal voornoemde verweren dan ook verwerpen.

Gezien de verklaring van [medeverdachte 1] zal de rechtbank tot slot het verweer dat er bij verdachte geen sprake is geweest van een oogmerk van wederrechtelijke toeëigening verwerpen.

Ten aanzien van feit 2:

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake zou zijn geweest van vrijwillige terugtred.

Verdachte zou, nadat hij de gourmetschalen in zijn tas had gedaan, spijt hebben gekregen en de gourmetschalen vervolgens elders in de winkel hebben neergelegd voordat hij de kassa passeerde, aldus de verdediging.

De rechtbank zal dit verweer verwerpen, nu uit de verklaring van getuige [getuige 2], die verdachte nadat hij de gourmetschalen in zijn plastic tas had gedaan continue heeft gevolgd, blijkt dat verdachte met deze goederen in zijn plastic tas de kassa’s is gepasseerd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 18 december 2011 in Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1] (vestiging [adres]);

2.

op 17 december 2011 in Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid vlees (aantal gourmetschalen), toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1] (vestiging [adres]).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2: diefstal.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport d.d. 12 maart 2012, dat is uitgebracht door drs. U.M. Kröger, psycholoog. In dit rapport wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was deze stoornis aanwezig en beïnvloedde zijn gedragingen en gedragskeuzes zodanig dat die mede daaruit verklaard kunnen worden. Geadviseerd wordt om verdachte op grond daarvan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank maakt de conclusie van de deskundige tot de hare.

De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich tegen het opleggen van de ISD-maatregel en heeft het opleggen van een minder verstrekkend alternatief bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de ernst van de feiten merkt de rechtbank op dat verdachte in twee dagen tijd al dan niet samen met anderen twee winkeldiefstallen heeft gepleegd. Het betreft hinderlijke feiten welke voor veel overlast zorgen. Ook al wordt er voor relatief lage bedragen gestolen, het bezorgt de winkelier handenvol extra werk en het levert de middenstand jaarlijks een meer dan forse schadepost op.

De rechtbank acht, alles afwegende, met de officier van justitie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar passend en geboden.

De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 maart 2012 is verdachte in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsstraffen dan wel taakstraffen, te weten (onder meer) door de politierechter te Utrecht d.d. 13 april 2011, de politierechter te Arnhem d.d. 4 april 2011 en de politierechter te Utrecht d.d. 11 maart 2011.

Deze straffen zijn volgens voornoemd uittreksel ten uitvoer gelegd voorafgaand aan de onderhavige strafbare feiten. De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Er ligt een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel.

Hieruit volgt dat is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel, mits er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Met betrekking tot het recidivegevaar, de veiligheid van personen en goederen en de daaruit voorvloeiende noodzakelijkheid van de ISD-maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Uit voornoemd uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte vele malen veroordeeld is voor onder meer vermogensdelicten.

Als conclusie en advies is in het reeds hiervoor genoemde Pro Justia rapport van drs.

U.M. Kröger onder meer het navolgende opgenomen:

Betrokkene dient meer zicht te krijgen op zijn persoonlijk functioneren. Hij behoeft ondersteuning om een middelenvrij leven op te bouwen, waarin hij erin slaagt een zinvolle dagbesteding, niet-crimineel netwerk en adequate woonsituatie op te bouwen en te behouden. Ook moet hij leren met beperkte financiële middelen om te gaan. Rapporteur geeft de rechtbank in overweging om betrokkenen binnen het kader van een ISD-maatregel te plaatsen in een klinische behandelsetting waar de aandacht is gericht op de verslavingsproblematiek en het delictgedrag en waar de mogelijkheid bestaat hem geleidelijk en met voldoende steun te laten terugkeren naar de samenleving. De wenselijkheid van het gebruik van medicatie ter ondersteuning van abstinentie van alcohol- en cocaïnegebruik dient eveneens onderzocht te worden.

In het reclasseringsadvies van Centrum Maliebaan d.d. 12 april 2012, opgemaakt door

R.C. Mulder, reclasseringswerker, staat onder meer het navolgende vermeld:

Sinds 1998 heeft de reclassering en de verslavingszorg binnen en buiten een justitieel kader pogingen gedaan om betrokkenen te ondersteunen om zijn leven een andere wending te geven. Ondanks deze pogingen is betrokkene blijven recidiveren.

Betrokkene heeft op vrijwel alle leefgebieden problemen die mede ten grondslag liggen aan het delictgedrag. Als hier geen behandeling en begeleiding voor komt, is de kans op recidive hoog. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden is hoog. Betrokkene heeft zich in het verleden niet gehouden aan reclasseringstoezichten.

De reclassering is van mening dat, om recidive tegen te gaan en een behandeling voor verslaving en delictgedrag van de grond te krijgen, het opleggen van de

ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is. Tijdens deze maatregel kan worden toegewerkt naar een klinische opname bij de Forensische Verslavingskliniek Basalt van Centrum Maliebaan in Almere. Daar kan worden gewerkt aan de verslaving, het delictgedrag en de agressieproblematiek. Als de behandeling succesvol is, zal worden gezocht naar een geschikte begeleide of beschermde woonvorm, waarbij kan worden gedacht aan Housing First Utrecht van Stichting de Tussenvoorziening en re-integratie op de arbeidsmarkt.

Ter terechtzitting van 16 april 2012 heeft reclasseringsmedewerker R.C. Mulder zijn advies nader toegelicht. Kort gezegd is zijn conclusie dat wat hem betreft, de mogelijkheden om verdachte naar passende zorg toe te leiden, zijn mislukt en uitgeput. Hij hoopt dat verdachte door de ISD-maatregel gemotiveerd wordt om mee te werken aan behandeling en begeleiding.

Gelet op de inhoud van bovengenoemde rapporten en de toelichting van de reclassering ter zitting overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Een voorwaardelijke ISD-maatregel of een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een verplichte behandeling is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank overweegt daartoe dat zowel voornoemde psycholoog als voornoemde reclasseringsmedewerker het recidiverisico hoog schatten. Beiden plaatsen zij vraagtekens bij de motivatie van verdachte. Reclasseringsmedewerker Mulder schat het risico op onttrekking aan de voorwaarden hoog. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat een reclasseringtraject met voorwaarden kans van slagen heeft.

Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte op vrijwel alle leefgebieden problemen kent die mede ten grondslag liggen aan het delictgedrag en behandeling en dat verdachte intensieve begeleiding nodig heeft om te voorkomen dat hij in de toekomst wederom strafbare feiten pleegt. Nu verdachte de laatste jaren stelselmatig delicten heeft gepleegd, de hem opgelegde vrijheidsstraffen en taakstraffen en de hem geboden hulpverlening hem er niet toe hebben gebracht het roer om te gooien en de reclassering onderbouwd heeft aangegeven geen enkele andere mogelijkheid meer te zien, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in zijn eis en acht, alles afwegende, de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren passend en geboden.

Om de recidive te beëindigen en tot een zo goed mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

De rechtbank zal, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2: diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

- bepaalt dat het verloop van deze maatregel tussentijds dient te worden beoordeeld na negen maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op

27 april 2012.