Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5227

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
323851 - KG ZA 12-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Staking politieambtenaren toegestaan, omdat deze tijdig is aangezegd, er geen misbruik wordt gemaakt van de controlerende en handhavende taken van de politie en de openbare orde en nationale veiligheid geen gevaar lopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/282
AR-Updates.nl 2012-0453
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 323851 / KG ZA 12-308

Vonnis in kort geding van 3 mei 2012

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

POLITIEREGIO HAAGLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

POLITIEREGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

POLITIEREGIO ZUID-HOLLAND-ZUID,

gevestigd te Dordrecht,

eiseressen,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ALGEMEEN CHRISTELIJKE POLITIEBOND,

statutair gevestigd te Leusden,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDSE POLITIEBOND,

statutair gevestigd te Woerden,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN MIDDELBARE EN HOGERE POLITIE AMBTENAREN,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

verweerster,

advocaat mr. L. Sprengers en mr. P. de Casparis.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Politieregio Haaglanden, Politieregio Rotterdam-Rijmond en Politieregio Zuid-Holland-Zuid en gezamenlijk de Politie en gedaagden zullen gezamenlijk de Politiebonden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de (niet uitgebrachte) dagvaarding op verkorte termijn tot het treffen van voorzieningen met producties 1A tot en met 9C

- de op 2 mei 2012 door de Politie per telefax toegezonden producties 10 tot en met 13

- de op 2 mei 2012 door de Politiebonden per telefax toegezonden producties 1 tot en met 5

- de vrijwillige verschijning van de Politiebonden

- de mondelinge behandeling van 3 mei 2012

- de pleitnota van de Politie

- de pleitnota van de Politiebonden en de ter zitting overgelegde plattegronden.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 3 mei 2012 mondeling vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 9 mei 2012 vastgesteld.

2. De feiten

2.1. De CAO voor de politie is op 1 januari 2012 geëxpireerd. De minister en de Politiebonden hebben overleg gevoerd over de totstandkoming van een nieuwe CAO voor de politie, maar deze onderhandelingen hebben nog niet tot overeenstemming geleid.

2.2. Op 27 april 2012 hebben de Politiebonden aan de korpsbeheerder en korpschef van de Politieregio Haaglanden een collectieve actie aangezegd, die er in zal bestaan dat op donderdag 3 mei 2012 van 16.30 tot 17.00 uur door de politie langzamer zal worden gereden op toegangswegen tot één of meerdere steden in deze Politieregio. Op 1 mei 2012 hebben de korpsbeheerder en korpschef van de Politieregio Rotterdam-Rijmond en de Politieregio Zuid-Holland-Zuid een soortgelijke aanzegging van de Politiebonden ontvangen.

2.3. Op 1 mei 2012 heeft de Politie via het Bureau Conflict- en Crisisbeheersing van de Politieregio Haaglanden vernomen op welke wegen in de Politieregio Haaglanden actie zal worden gevoerd. Op 2 mei 2012 hebben de Politiebonden de korpsbeheerder en korpschef van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond en de Politieregio Zuid-Holland-Zuid mondeling en schriftelijk op de hoogte gebracht van de actieroutes.

2.4. De korpsbeheerder van de Politieregio Haaglanden en de korpsbeheerder van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond hebben de Politiebonden op 1 mei 2012 schriftelijk gesommeerd zich te onthouden van de aangezegde acties. De Politiebonden hebben op 2 mei 2012 schriftelijk aan de korpsbeheerders van de Politie meegedeeld dat zij aan deze sommatie geen gevolg zullen geven.

2.5. In de periode voorafgaand aan de geplande start van de acties, in ieder geval vanaf 28 mei 2012, hebben de Politiebonden het publiek via de media in algemene zin op de hoogte gebracht van de voorgenomen acties.

3. Het geschil

3.1. De Politie vordert - samengevat - bij vonnis in kort geding:

- de Politiebonden te bevelen de oproep tot het voeren van acties als gevolg waarvan de normale gang van zaken in de politieregio’s wordt verstoord, dan wel wordt onderbroken, meer in het bijzonder de aangekondigde acties op donderdag 3 mei 2012, inhoudende langzaam rijden van 16.30 tot 17.00 uur, in te trekken en hun medewerking aan het voeren daarvan en hun bijdrage daaraan te beëindigen;

- de Politiebonden te bevelen met onmiddellijke ingang, althans voor 3 mei 2012 om 16.00 uur aan haar leden, dan wel de betrokken politieambtenaren bekend te maken dat de aangekondigde of reeds aangevangen acties onrechtmatig zijn en/of dat het haar leden, dan wel de betrokken politieambtenaren niet is toegestaan op enigerlei wijze de acties (geheel dan wel gedeeltelijk) doorgang te laten vinden en/of dat de aangekondigde of reeds aangevangen acties onmiddellijk dienen te worden beëindigd en ook beëindigd dienen te blijven;

- de Politiebonden hoofdelijk te veroordelen in de kosten en nakosten van dit geding.

3.2. De Politiebonden voeren verweer en concluderen dat de Politie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, althans dat deze haar dienen te worden ontzegd, met veroordeling van de Politie in de kosten van deze procedure.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Beoordelingskader

4.1. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH (Europees Sociaal Handvest), dat in Nederland van kracht is sedert mei 1980. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

4.2. Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende staking moet de rechter er vanuit gaan dat voor de vakbond en haar leden de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de rechter dan ook niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de staking. Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien - met inachtneming van de door artikel G ESH gestelde beperkingen - moet worden geoordeeld dat de bonden en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen. Tot die procedureregels behoort onder meer ook dat een staking slechts rechtmatig kan zijn als zij als "uiterst middel" is toegepast en tijdig is aangezegd en kenbaar gemaakt. Aanzegging heeft een tweeledig doel: het voorkomen van onnodige bedrijfsschade en bescherming van de belangen van degenen die op de dienstverlening van de bestaakte werkgever zijn aangewezen.

4.3. Met betrekking tot de in artikel G ESH gestelde beperkingen aan de rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht geldt dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen, die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig. Of dit het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderling verband, de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.

Toegespitst op dit geschil

4.4. Tussen partijen is in confesso dat de aangekondigde acties vallen onder het toepassingsbereik van artikel 6 lid 4 ESH. De vragen die in dit geding centraal staan zijn i. of de Politiebonden de procedureregels voor het uitroepen van de acties in acht hebben genomen, te weten of deze (naar plaats en omvang) tijdig zijn aangezegd en kenbaar gemaakt, en ii. of met de aangekondigde acties misbruik wordt gemaakt van de controlerende en handhavende taak van de politie en iii. of deze de openbare orde en veiligheid in gevaar brengen. De laatste twee vragen hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter betrekking op de vraag of de Politiebonden - bij afweging van alle belangen - in redelijkheid tot de aangekondigde acties hebben kunnen komen, met andere woorden: of deze acties als proportioneel moeten worden beschouwd.

Aanzegging

4.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in onderhavig geval de aanzegging niet diende om de acties te voorkomen. Er is door de Politiebonden immers geen concreet ultimatum of iets dergelijks gesteld. In het algemeen geldt dan dat een korte(re) aanzeggingstermijn voldoende is. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de acties in algemene zin, te weten met betrekking tot het tijdstip en de aard van de acties en de redenen daarvoor, tijdig (op respectievelijk 27 april 2012 en 1 mei 2102) aan de Politie zijn aangezegd. De exacte inhoud van de acties, onder meer de te rijden routes, is ten aanzien van Politieregio Rotterdam-Rijmond en Politieregio Zuid-Holland-Zuid laat (ongeveer 24 voor de start van de acties) aangezegd. Gezien het voorgaande en de omstandigheid dat in de aanloop naar de acties via de media informatie aan het publiek is verstrekt, valt (ook) deze aanzegging echter nog binnen de grenzen.

Proportionaliteit

4.6. Vooropgesteld wordt dat voor de politieambtenaren hetzelfde toetsingskader geldt als voor burgers. Indien dit niet het geval zou zijn, zouden politieambtenaren immers een uitgehold stakingsrecht hebben. Ook in onderhavige situatie moet dus worden getoetst of de Politiebonden de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer moet worden betracht in acht hebben genomen ten aanzien van de in het eerste lid van artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen. De stellingen van de Politie die in het navolgende aan bod komen, worden dan ook in dit kader geplaatst.

4.7. De Politie heeft - onder verwijzing naar jurisprudentie - aangevoerd dat de legitimiteit van de acties ontbreekt, nu de actievoerende ambtenaren misbruik maken van hun controlerende en handhavende taken. De actievoerende politieambtenaren zijn namelijk gedurende de acties in dienst en zij maken daarbij gebruik van dienstvoertuigen, terwijl het - onder meer - op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet verboden is het verkeer te hinderen, aldus de Politie.

4.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze stelling van de Politie niet opgaat. In tegenstelling tot de casus in de door de Politie genoemde jurisprudentie (President rechtbank Utrecht, 8 november 1983, JLN: AH0129 en Hof Amsterdam, 28 maart 1985, LJN: AC8824), worden in dit geval de bijzondere taken en bevoegdheden van de politie niet ingezet als actiemiddel. Daarbij zullen de actievoerende politieambtenaren door middel van spandoeken op de dienstvoertuigen duidelijk maken dat zij op dat moment als actievoerder en niet als politieambtenaar optreden en is dit ook via de media aan het publiek duidelijk gemaakt. Hierbij speelt tevens mee dat het werkterrein van de politie de openbare ruimte is, zodat eventuele acties ook daar zullen plaatsvinden.

4.9. De voorzieningrechter overweegt voorts dat handelen in strijd met de (Wegenverkeers)wet inderdaad in beginsel onrechtmatig is. Dat maakt echter nog niet (automatisch) dat de acties onrechtmatig zijn. Daarvoor is namelijk vereist dat niet slechts onrechtmatig wordt gehandeld, maar ook dat dit onrechtmatige handelen in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat het, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is om beperkingen op het stakingsrecht aan te brengen (zie 4.3 en 4.6). De Politie stelt dat beperkingen hier noodzakelijk zijn, nu de openbare orde en nationale veiligheid door de acties gevaar lopen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit niet het geval is. De voorzieningenrechter is op grond van het volgende tot dit oordeel gekomen:

- juist de politie kan tijdens de acties de openbare orde en veiligheid goed inschatten en waarborgen;

- de acties zijn van korte duur;

- het betreft een beperkt aantal wegen en een beperkt aantal deelnemende dienstvoertuigen;

- de actievoerende dienstvoertuigen zullen niet worden stilgezet, maar in beweging blijven met een snelheid die is afgestemd op de betreffende weg;

- de acties vinden plaats in de voorjaarsvakantie, waardoor de verkeerdrukte naar verwachting minder zal dan gebruikelijk;

- het publiek is op voorhand via de media geïnformeerd;

- de acties vinden in en om de betreffende steden plaats op gebruikelijke filetrajecten, waarmee de hulpdiensten reeds ervaring hebben;

- er is voorzien in noodsituaties door, onder meer, doorlopend contact met de betreffende meldkamers, alternatieve routes voor hulpdiensten en - waar geen alternatieve route voorhanden is - door te beschikken over technieken om ruimte te maken voor hulpdiensten (bijvoorbeeld in het midden van de rijbanen door de zogenaamde visgraat-techniek of door de acties af te breken);

- de Politiebonden hebben toegezegd de acties onmiddellijk af te breken indien dit noodzakelijk blijkt.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de acties van de Politiebonden niet disproportioneel zijn.

4.10. Op grond van het voorgaande worden de vorderingen van de Politie afgewezen.

Proceskosten

4.11. De Politie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Politiebonden worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de Politie in de proceskosten, aan de zijde van de Politiebonden tot op heden begroot op € 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2012.