Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4959

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
16-995026-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep op artikel 359a Sv. Geen sprake van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv. Veroordeling tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 120 uren subsidia

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-995026-11 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 27 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 in IJsselstein en/of Nieuwegein in vereniging opzettelijk 746 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden gehad;

feit 2: op 24 oktober 2011 te Diemen in vereniging opzettelijk 79,5 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden gehad en/of aan (een) ander(en) ter beschikking heeft gesteld;

feit 3: in de periode van 1 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 te IJsselstein en/of Nieuwegein in vereniging opzettelijk 746 kilogram, althans een hoeveelheid, vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in

- een schuur behorende bij de woning aan de [adres] te Nieuwegein, en

- een bestelauto, Volkswagen met kenteken [kenteken], aan de [adres] te Nieuwegein, en

- een woning aan de [adres] te IJsselstein,

voorhanden heeft gehad zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning was verleend of melding was gemaakt krachtens art. 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit;

feit 4: in de periode van 1 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 te IJsselstein en/of Nieuwegein in vereniging opzettelijk 746 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad terwijl dit vuurwerk niet was voorzien van de vereiste vermeldingen van de soort van het vuurwerk waaruit blijkt wat de effecten van het vuurwerk zijn en/of de gegevens van de fabrikant / importeur / distributeur en/of de gegevens over het vuurwerkartikel en/of een gebruiksaanwijzing.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie stelt dat op 20 september 2011 geen sprake van stelselmatige observatie van [medeverdachte 1] is geweest aangezien de observatie slechts een dag duurde en enkel heeft bestaan uit het volgen van de auto waarin [medeverdachte 1] reed. Tijdens de observatie zijn geen beeldopnamen of foto’s gemaakt. De observatie is gestart met het doel om vast te stellen waar [medeverdachte 1] woonde en welk voertuig hij bestuurde. De omstandigheid dat [medeverdachte 1] naar België reed heeft het observatieteam doen besluiten hem verder te volgen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake van stelselmatige observatie is geweest, hebben de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren niet een zodanige ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dit vormverzuim had bovendien hersteld kunnen worden door het achteraf verlenen van een bevel tot stelselmatige observatie zodat de rechtbank kan volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Anders dan de officier van justitie is de raadsman van mening dat op 20 september 2011 een stelselmatige observatie van verdachte heeft plaatsgevonden waarvoor de officier van justitie ingevolge artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) een bevel had moeten afgeven. Volgens de verdediging is, gelet op de duur van de observatie en de locaties waar is geobserveerd, sprake geweest van stelselmatige observatie. Nu de officier van justitie geen bevel tot stelselmatige observatie heeft afgegeven, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv waardoor verdachte in zijn verdediging is geschaad. Dit dient tot bewijsuitsluiting te leiden van de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen.

Nu de resultaten van de observatie op 20 september 2011 van het bewijs dienen te worden uitgesloten, was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan enig strafbaar feit, aldus de raadsman. Een eerdere veroordeling van verdachte wegens soortgelijke feiten in 2009, een aanhouding van verdachte wegens het binnen Nederland brengen van illegaal vuurwerk in 2010 en de omstandigheid dat verdachte met zijn webshop [naam] aan vuurwerk gerelateerde goederen verkoopt leveren immers geen vermoeden van een nieuw strafbaar feit op. Gelet op het voorgaande zijn de opsporingshandelingen naar aanleiding van de observatie op 20 september 2011 onrechtmatig ingezet waarmee wederom sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoel in artikel 359a Sv. De resultaten van deze opsporingshandelingen dienen volgens de verdediging daarom eveneens van het bewijs te worden uitgesloten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

Op 17 augustus 2011 heeft de politie een onderzoek naar [medeverdachte 1] gestart naar aanleiding van de volgende informatie. [medeverdachte 1] heeft in 2009 professioneel vuurwerk vanuit België geïmporteerd en in Nederland verhandeld. Vervolgens werd hij in december 2010 in Duiven aangehouden nadat hij een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk vanuit Duitsland had ingevoerd, terwijl voor hem een proeftijd gold in verband met een strafrechtelijke veroordeling wegens handel in illegaal vuurwerk. In 2009 en 2010 werden gedurende diverse onderzoeken naar vuurwerkhandel afnemers gehoord over de herkomst van vuurwerk en vuurwerkgerelateerde voorwerpen. Hierbij hebben afnemers verklaard dat zij via de website [naam] per post vuurwerkgerelateerde spullen hebben gekocht. Uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel bleek dat het bedrijf [naam] als eenmanszaak stond ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] en dat deze onderneming werd gedreven door [medeverdachte 1]. Via de website van [naam] konden mortierbuizen, rekken, visco lont en elektrische ontstekers worden gekocht. Deze goederen konden aan de [adres] in IJsselstein worden afgehaald. Voorts bleek dat [medeverdachte 1] onder verschillende gebruikersnamen actief was op fora en dat hij onder de gebruikersnaam [naam] in 2011 diverse berichten had geplaatst in een forum met het onderwerp vuurwerk.

De rechtbank stelt voorop dat het bij het op stelselmatige wijze waarnemen van personen gaat om die vormen van observatie die tot resultaat kunnen hebben dat een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands leven. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dergelijke vorm van observatie is een aantal elementen van belang: de duur, de plaats, de intensiteit of frequentie en het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ieder voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de vraag of een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen.

Op 20 september 2011 heeft de politie [medeverdachte 1] geobserveerd teneinde vast te stellen of [medeverdachte 1] daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats] en welke voertuigen bij hem in gebruik waren. De observatie nam een aanvang om 07.06 uur. Een verbalisant zag [medeverdachte 1] om 10.05 uur in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] instappen op de oprit behorende bij de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Het voertuig reed naar de sportschool [naam] aan de [adres] te Nieuwegein waar [medeverdachte 1] uitstapte zonder iets zichtbaars bij zich. Hij liep naar de ingang van voormelde sportschool. Kort hierna kwam hij naar buiten met een stuk papier dat hij opvouwde. [medeverdachte 1] stapte weer in de Volkswagen en toonde het papier uitgevouwen aan de bestuurder. Vervolgens reed het voertuig naar de [adres] in Nieuwegein waar de bestuurder en [medeverdachte 1] uitstapten, naar het winkelcentrum liepen en daar uit beeld raakten. Een verbalisant zag dat de Volkswagen met kenteken [kenteken] geheel leeg was met uitzondering van wat gereedschap. Even later kwamen zij terug en droeg [medeverdachte 1] een klein doosje bij zich. Beide personen stapten weer in de Volkswagen met [medeverdachte 1] nu als bestuurder. De auto reed verder en werd op de hoek van de [adres] met de [adres] ter hoogte van een pinautomaat geparkeerd. Om 10.27 uur werd waargenomen dat [medeverdachte 1] handelingen bij deze pinautomaat verrichtte en om 10.35 uur reden beide mannen weer weg in voornoemd voertuig. Vervolgens reed de Volkswagen Caddy naar de A2 in de richting van ’s-Hertogenbosch. Om 12.12 uur reed het voertuig naar de grens met België bij het plaatsje Moelingen waarna de observatie werd gestaakt. Te 13.10 uur werd waargenomen dat dezelfde Volkswagen Caddy de grensovergang weer passeerde waarna deze auto door verbalisant opnieuw onder observatie werd genomen. Het voertuig reed via de A2 naar Nederweert waar [medeverdachte 1] naar een filiaal van “Burger King” liep. De bestuurder parkeerde de auto te 14.00 uur en verliet de auto eveneens. Een verbalisant zag dat zich achter in de auto een lading met dozen bevond met een deken erover. Om 14.13 uur vervolgde de Volkswagen zijn weg via de A2 in de richting Eindhoven en vervolgens zonder onderbreking naar de [adres] in IJsselstein waar deze om 15.18 uur aankwam. Voorts reed het voertuig naar Nieuwegein waar het op de kruising van de [adres] met de [adres] werd stilgezet en weer verder reed met hoge snelheid. Aan het einde van de [adres] te Nieuwegein zag een verbalisant de Volkswagen Caddy rechtsaf slaan in de richting [adres] waarna het voertuig uit beeld raakte. Om 16.00 uur namen de leden van het onderzoeksteam waar dat het voertuig zonder lading en passagiers voor de sportschool [naam] stond geparkeerd. Hierna werd de observatie afgebroken.

Gelet op de duur en de intensiteit van de observatie, alsmede op de plaatsen en de wijze waarop is geobserveerd, is de rechtbank van oordeel dat niet is geprobeerd een min of meer volledig beeld van het privéleven van [medeverdachte 1] te verkrijgen, zodat geen sprake is geweest van stelselmatige observatie waarvoor een bevel van de officier van justitie vereist is als bedoeld in artikel 126g Sv. De politie heeft de Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] immers gedurende één dagdeel – met een onderbreking van één uur nadat het voertuig de grensovergang passeerde – op de openbare weg geobserveerd. Daarbij is geen gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen. Mede gelet op de informatie dat [medeverdachte 1] zich in het verleden heeft bezig gehouden met handel in professioneel vuurwerk, tijdens een proeftijd werd aangehouden nadat hij vuurwerk uit Duitsland had ingevoerd en zich bezig hield met de verkoop van aan vuurwerk gerelateerde goederen op het internet, is de rechtbank van oordeel dat de politie niet onrechtmatig heeft opgetreden door [medeverdachte 1] te volgen. Artikel 2 van de Politiewet 1993 bood voldoende grondslag voor de hierboven beschreven observatie. Er is aldus geen sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv, zodat het verweer wordt verworpen. Dit oordeel heeft tot gevolg dat ook het verweer dat er onvoldoende sprake was van een verdenking om ná de observatie van 20 september 2011 het onderzoek voort te mogen zetten, dient te worden verworpen.

4.3.2. De partiële vrijspraak

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

Op grond van wettige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het (medeplegen van) voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in de loods aan de [adres] te [woonplaats]. Daarom zal verdachte telkens van dit onderdeel van de tenlastelegging onder de feiten 1, 3 en 4 worden vrijgesproken.

4.3.3. De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode 20 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 samen met [medeverdachte 1] een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, als in de tenlastelegging genoemd, in de schuur behorende bij de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] en in een bestelauto van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] aan de [adres] in Nieuwegein heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft hij op 24 oktober 2011 samen met [medeverdachte 1] in Diemen professioneel vuurwerk geleverd aan [betrokkene 1] die het vuurwerk heeft doorgegeven aan [betrokkene 2]. Verdachte en zijn mededader hadden geen omgevingsvergunning voor de opslag en het voorhanden hebben van het illegale vuurwerk .

Op 24 oktober 2011 heeft de politie in de schuur behorende bij de woning aan de [adres] in Nieuwegein 7 stuks vuurwerk van het type nitraat en 35 dozen met diverse typen professioneel vuurwerk aangetroffen . Tevens zijn op die dag in een bestelauto, van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken], aan de [adres] te Nieuwegein 25 dozen met vuurwerk aangetroffen . Ten slotte is op 24 oktober 2011 in Diemen aan de [adres] vuurwerk aangetroffen .

Het vuurwerk dat in de schuur behorende bij de woning aan de [adres] is gevonden is onderzocht door het interregionaal vuurwerkteam Midden Nederland. Het ging om de volgende voorwerpen:

- 330 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6;

- 600 stuks knalvuurwerk met lont, Chinese vlinders;

- 13 flowerbeds;

- mortierbommen.

Het totaalgewicht van het vuurwerk bedroeg 392 kilogram.

Het vuurwerk in de box behorende bij de woning aan het [adres] te Diemen bestond uit:

- 3 flowerbeds;

- 2.000 stuks knalvuurwerk met lont, La Bomba.

Het totaalgewicht van het vuurwerk bedroeg 79,5 kilogram.

Het vuurwerk in de Volkswagen met kenteken [kenteken] betrof:

- 13 Chinese rollen;

- 300 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6;

- 3 flowerbeds;

- mortierbommen.

Het totaalgewicht van het vuurwerk bedroeg 354 kilogram.

Voormeld vuurwerk was niet voorzien van:

- een vermelding of afbeelding van het te verwachten effect met betrekking tot het onderzochte vuurwerk;

- de handelsnaam of een fabrikant of importeur .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 20 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk 746 kilogram professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad, immers hebben verdachte en zijn mededader:

te Nieuwegein:

- 630 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6, en

- 600 stuks knalvuurwerk met lont, Chinese vlinders, en

- 16 flowerbeds, en

- mortierbommen, en

- 13 Chinese rollen,

opgeslagen en voorhanden gehad;

2.

op 24 oktober 2011 te Diemen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk 79,5 kilogram professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld, immers hebben verdachte en zijn mededader:

- 3 flowerbeds, en

- 2000 stuks knalvuurwerk met lont, La Bomba,

aan een ander, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 1], ter beschikking gesteld;

3.

in de periode van 20 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 Vuurwerkbesluit of in artikel 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1. Vuurwerkbesluit waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit voorhanden heeft gehad, immers hebben verdachte en zijn mededader:

ongeveer 392 kilogram professioneel vuurwerk, te weten:

- 330 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6, en

- 600 stuks knalvuurwerk met lont, Chinese vlinders, en

- 13 flowerbeds, en

- mortierbommen,

voorhanden gehad in de schuur behorende bij de woning aan de [adres] te [woonplaats];

en

ongeveer 354 kilogram professioneel vuurwerk, te weten:

- 13 Chinese rollen, en

- 300 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6, en

- 3 flowerbeds, en

- mortierbommen,

voorhanden gehad in een bestelauto, Volkswagen, kenteken [kenteken], aan de [adres] te Nieuwegein;

4.

in de periode van 20 september 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een grote hoeveelheid, vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten:

- 630 stuks knalvuurwerk met lont, Cobra 6, en

- 600 stuks knalvuurwerk met lont, Chinese vlinders, en

- 16 flowerbeds, en

- mortierbommen,

- 13 Chinese rollen,

heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad terwijl dit niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit immers was voornoemd vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik niet voorzien van:

- een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk/artikel waaruit duidelijk bleek wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn, en

- de naam, de handelsnaam of het handelskenmerk en de naam en de plaats van vestiging van de fabrikant en/of importeur en/of distributeur;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, 2, 3 en 4:

Telkens:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de straf die de officier van justitie heeft gevorderd te hoog is en dat de feiten en omstandigheden die tot het opsporingsonderzoek hebben geleid, als door hem genoemd onder 4.2, reden zijn voor strafvermindering indien de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting overgaat. In dat geval zou een straf gelijk aan het ondergane voorarrest, eventueel gecombineerd met een taakstraf, passend zijn.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan handel in illegaal vuurwerk. Zij hebben daartoe grote hoeveelheden professioneel vuurwerk opgeslagen in een schuur behorende bij een woning en in een auto die in de buurt van die woning geparkeerd stond. Op 24 oktober 2011 hebben verdachte en zijn mededader een hoeveelheid professioneel vuurwerk in een woonwijk in Diemen geleverd aan een persoon. De rechtbank tilt er zwaar aan dat verdachte en zijn medeverdachte hiermee enkel uit financieel gewin onverantwoorde risico’s hebben genomen en de gezondheid van mensen in gevaar hebben gebracht. Indien het vuurwerk tot ontbranding was gekomen, zouden de gevolgen voor omwonenden en woningen in de buurt van voornoemde percelen en auto immers desastreus kunnen zijn geweest.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte in 2009 een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen wegens een verkeersdelict;

- een reclasseringsadvies (beknopt) betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland van 26 oktober 2011, opgemaakt door T. Goes, reclasseringswerker, waaruit blijkt dat verdachte bij zijn moeder woont, betaald werk heeft en een relatie met een vriendin heeft.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een werkstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken bij de aangetroffen hoeveelheden vuurwerk worden opgelegd, zodat naar het oordeel van de rechtbank met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, kan worden volstaan.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1.2.2, 1.2.4, 3.1.1 en 3A.1.1 van het Vuurwerkbesluit zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1, 2, 3 en 4:

Telkens:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2012.

Mr. Beaujean en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.