Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4610

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
16/711638-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met een gewapende woningoverval tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. De onrechtmatige opslag van het DNA-profiel van verdachte in de databank kan niet worden begrepen onder een verzuim begaan bij een voorbereidend onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711638-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] bij Duurstede

gedetineerd: PI Nieuwegein, HvB Nieuwegein te Nieuwegein

raadsvrouw mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 12 december 2011, 27 februari 2012 en 17 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 7 september 2011 te Wijk bij Duurstede samen met een ander een overval op een woning heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

De reden voor de aanhouding van verdachte op 12 september 2011 was gelegen in het feit dat in de bosjes achter de overvallen woning een paars katoenen sweatvest en een zwarte wollen bivakmuts werden aangetroffen dan dat bemonstering van de bivakmuts celmateriaal leverde dat kon worden gematcht met het DNA-profiel van verdachte. Het DNA-profiel bevond zich evenwel onrechtmatig in de databank. De gebruikmaking in de onderhavige strafzaak van het onrechtmatig aanwezige DNA-profiel dient naar het oordeel van de verdediging te worden gesitueerd in het voorbereidend onderzoek van deze strafzaak.

In het licht van de wetsgeschiedenis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is het in het voorbereidend onderzoek van een strafzaak gebruikmaken van onrechtmatig in de DNA-databank opgeslagen gegevens een vormverzuim te achten in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het vormverzuim is onherstelbaar en verdachte is daardoor in zijn belangen geschaad, aangezien verdachte als gevolg van het vormverzuim is aangehouden als verdachte. Het gebruik van de match dient naar de mening van de verdediging te worden uitgesloten als onrechtmatig verkregen bewijs. Gelet op het feit dat de DNA-match de enige reden was voor verdenking van verdachte, dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Eventueel later verkregen aanwijzingen zijn het resultaat van de inzet van opsporingsmiddelen die zijn ingezet naar aanleiding van de verdenking wegens de DNA-match en dienen als ‘fruits of the poisonous tree’ eveneens te worden uitgesloten. Dat geldt, aldus de raadsvrouw, ook voor het nieuw afgenomen DNA-profiel.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Gebruikmaken van onrechtmatig opgeslagen gegevens

In het NFI-rapport van 9 september 2011 is geconcludeerd dat op de in de nabijheid van de overvallen woning aangetroffen bivakmuts celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte. Daarvoor is een match gemaakt met het in de DNA-databank aanwezige referentiemonster van verdachte. Dat referentiemonster is op 21 september 2009 opgenomen in de databank, in verband met de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 16/513585-09. Ter terechtzitting van 12 december 2011 bleek dat genoemd referentiemonster zich ten onrechte nog in de databank bevond, aangezien verdachte door het Gerechtshof te Arnhem op 13 november 2009 in de zaak met parketnummer 16/513585-09 is ontslagen van rechtsvervolging respectievelijk aan hem een voorwaardelijke geldboete is opgelegd.

Daarop heeft de rechtbank ter terechtzitting van 12 december 2011 besloten de behandeling van de zaak aan te houden ten einde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om DNA-materiaal van verdachte af te laten nemen. Op 27 december 2011 is wangslijmvlies bij verdachte afgenomen. Het DNA-profiel van het wangslijmvlies (RAAQ2992NL) is vergeleken met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van de bivakmuts. Uit de resultaten van dat vergelijkend onderzoek heeft het NFI in het rapport van 31 januari 2012 geconcludeerd dat het celmateriaal afkomstig van de bemonstering van de bivakmuts, afkomstig kan zijn van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de onrechtmatige opslag van het DNA-profiel van verdachte niet worden begrepen onder een verzuim begaan bij een voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv, aangezien het betreffende verzuim niet is begaan in het onderzoek tegen verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechtbank in de onderhavige zaak heeft te oordelen. Reeds gelet hierop hoeven aan het verzuim in de onderhavige zaak geen consequenties te worden verbonden op grond van artikel 359a Sv.

In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank voorts dat de onrechtmatige opname van het DNA-profiel van verdachte in de databank een schending oplevert van het recht van verdachte op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar niet tevens een inbreuk van de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat in de onderhavige zaak met toestemming van verdachte op 27 december 2011 wangslijmvlies is afgenomen dat heeft geleid tot een match met het DNA-materiaal dat is aangetroffen op de bivakmuts, welke uitslag niet door de verdediging is betwist, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zodanige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde danwel een zodanige veronachtzaming van de rechten van de verdediging, dat de uitkomst van het DNA-onderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.

Bewijsmiddelen

Op 7 september 2011 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een gewapende overval op haar woning te Wijk bij Duurstede, die op die datum heeft plaatsgevonden. Aangeefster verliet om 9:55 uur de woning om even iets weg te brengen. Toen zij na circa 20 minuten terugkwam in de woning, zag zij troep van een eierdoos vlak bij de voordeur liggen. Zij ruimde die troep op, draaide zich om en zag toen een persoon (dader 1) van de trap af komen. Aangeefster zag dat dader 1 zijn gezicht bedekt had. Deze dader 1 had een trui aan die hij, volgens aangeefster, achterstevoren had aangetrokken waarbij de capuchon over het gezicht zat. In die capuchon waren gaten gemaakt. Aangeefster zag een pistool in de rechterhand van dader 1. Aangeefster voelde dat dader 1 haar beet pakte bij haar arm en zag dat het pistool ter hoogte van en tegen haar hoofd werd gehouden. Aangeefster zag ondertussen een tweede persoon (dader 2) van de trap afkomen. Het gezicht van dader 2 was bedekt. Dader 2 pakte de andere arm van aangeefster beet. Aangeefster voelde dat haar hoofd naar beneden werd gedrukt en hoorde één van de daders zeggen: “Naar beneden, laag”. Aangeefster hoorde één van de daders zeggen: “Waar is de kluis”, hetgeen daarna nog een aantal keren werd gevraagd. Aangeefster begon zich te bewegen in de richting van de keuken waar een voorraadkast/inloopkast is waar de kluis in staat. Terwijl aangeefster zich voorwaarts bewoog, bleven beide daders aangeefster hard vast houden aan haar armen. Toen aangeefster bij de voorraadkast kwam en de deur openmaakte, werd aangeefster nog steeds vastgehouden aan haar bovenarmen/schouders. Aangeefster hoorde één van de daders zeggen: “Open maken” of “Maak open”. Aangeefster maakte de kluis open door de code in te toetsen. Terwijl aangeefster de kluis open maakte bleef het pistool op aangeefster gericht. Onderin de kluis lag geld. Aangeefster heeft het geld direct uit de kluis genomen, waarna het geld direct uit haar handen werd gepakt. Aan aangeefster werd gevraagd: “Waar is de rest?”, waarop aangeefster zei: “Dat is alles. Doe me niks.”

Het hoofd van aangeefster werd naar beneden gedrukt, en zodanig naar beneden gedrukt dat zij in de hoek terecht kwam en moest gaan zitten. Toen aangeefster probeerde omhoog te kijken, werd haar hoofd direct weer naar beneden gedrukt. Aangeefster werd daarna gekneveld. Er werd tape om haar polsen gedraaid. Het tapen gebeurde hard en deed aangeefster pijn. Ook de bovenbenen van aangeefster werden met tape vastgemaakt en de armen van aangeefster werden met tape aan haar bovenbenen vastgemaakt. Aangeefster zag dat de deur van de voorraadkast werd dichtgedaan. Aangeefster heeft zichzelf bevrijd, door met haar tanden de tape los te krijgen en verder de tape van haar bovenbenen te verwijderen.

Door de daders zijn de volgende goederen meegenomen: een bedrag van € 1.250,-, een autosleutel, sieraden, een spiegelreflexcamera, een soundsysteem, een Xbox, een laptop, een paspoort, een groene tas, een laptop en microfoons.

Met uitzondering van het geldbedrag en de autosleutel, zijn alle goederen in de omgeving van de woning van aangeefster teruggevonden.

Bij het doorlopen van haar woning zag aangeefster op haar bed een sleutel van de voordeur liggen, die er ’s ochtends nog niet had gelegen. Aangeefster dacht toen direct aan de sleutel van haar dochter, die haar sleutel sedert ongeveer twee weken kwijt was.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 7 september 2011 omstreeks 10:15 uur op een voetpad nabij [adres] te Wijk bij Duurstede liep. Op een afstand van vijf tot tien meter zag getuige op het voetpad een tweetal mannen staan. Getuige zag dat de langste van die twee mannen een voorwerp van zich afwierp. Kennelijk, aldus getuige, zagen de twee mannen getuige naderen. Getuige zag namelijk dat beide mannen hard wegrenden in de richting van [adres] te Wijk bij Duurstede. Vervolgens zag getuige de mannen in een kleine oud model Peugeot stappen en wegrijden. De kleinere man heeft een geschatte lengte van 1.70 m. De grotere man een geschatte lengte van 1.80 m.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij woonachtig is op [adres] te Wijk bij Duurstede, dat zij op 7 september 2011 omstreeks 14:00 uur haar hond ging uitlaten en naar het wandelpad is gelopen. Op enig moment begon de hond van getuige te blaffen en te grommen naar de struiken. Getuige is gaan kijken en trof in de struiken 2 tassen aan. Beide tassen zijn veiliggesteld.

Éen van de aangetroffen tassen, een groen/grijze tas, is getoond aan aangeefster. Zij herkende de tas, als zijnde de tas van haar zoon, en de inhoud van de tas, te weten een witte Xbox, een paspoort en twee laptops. De inhoud van de andere tas, bestaande uit een fotocamera, sieraden en microfoons, werd ook door aangeefster herkend.

Achter de tuin van de overvallen woning zijn nog een sweatvest, een zwarte bivakmuts en een mediaplayer aangetroffen. Deze mediaplayer werd eveneens door aangeefster herkend.

Op een door getuige [getuige 1] aangewezen plek bij het voetpad bij [adres], waar getuige de langste man een voorwerp zag afwerpen, is onder meer een rode sweater aangetroffen waarvan in de capuchon 2 gaten waren geknipt.

Uit de luchtfoto van de plaats delict en de omgeving van de plaats delict blijkt dat de hiervoor genoemde goederen en tassen alle zijn aangetroffen in de directe omgeving van de plaats delict.

De aangetroffen zwarte bivakmuts (SIN: AAEA3241NL) en rode sweater (AAEA3240NL) zijn veiliggesteld en overgedragen aan het NFI. Van de capuchon is zowel de binnen- als de buitenzijde bemonsterd op plaatsen waar speeksel aanwezig kan zijn van iemand die de capuchon achterstevoren heeft gedragen met de capuchon over het hoofd. Van de bivakmuts is de binnenzijde bemonsterd rondom het mondgat. In het NFI-rapport van 9 september 2011 (herzien op 14 februari 2012) is geconstateerd dat het celmateriaal aan de binnenzijde van de capuchon van de rode sweater een match geeft met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte]. De bemonstering van de zwarte bivakmuts geeft een match met het DNA-profiel van verdachte [verdachte]. De bemonstering van de buitenzijde van de capuchon van de rode sweater geeft een match met het DNA-profiel van zowel [medeverdachte], als verdachte, naast nog minimaal een andere persoon.

Bij doorzoeking van de woning van [verdachte] zijn een computer (merk: Acer), een harde schijf (merk: Lacie) en een laptop (merk: Samsung) in beslag genomen. Op de harde schijven werden de namen van aangeefster, haar echtgenoot, haar zoon en haar dochter aangetroffen, alsmede het adres van de overvallen woning.

Uit onderzoek van de communicatiemiddelen van [medeverdachte] en [verdachte] is gebleken dat tussen de simkaart [nummer] van [verdachte] en de simkaart [nummer] van Mirzoyan in de periode 1 juni 2011 tot en met 11 september 2011 negentien (19) contacten zijn geweest.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank heeft op 12 december 2011 beslist dat er onderzoek diende plaats te vinden naar (de aard van het) celmateriaal op de bivakmuts en de rode sweater met capuchon ten behoeve van nader DNA-onderzoek. Ter terechtzitting van 27 februari 2012 heeft de officier van justitie meegedeeld dat de bivakmuts en de sweater zijn vernietigd, zodat geen nader onderzoek hiernaar meer mogelijk is. Ter terechtzitting van 17 april 2012 heeft de officier van justitie verzocht het NFI nader onderzoek te laten verrichten naar het tijdstip waarop het DNA-materiaal (dat matcht met verdachten) op de bivakmuts en de sweater terecht is gekomen. De verdediging heeft zich hiertegen verzet en heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu de resultaten van het DNA-onderzoek van het bewijs dienen te worden uitgesloten op grond van de onrechtmatige aanwezigheid van het DNA-profiel van verdachte in de databank. Omdat in de visie van de verdediging sprake is van een onherstelbaar vormverzuim is nader onderzoek niet zinvol.

Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is voor bewijsuitsluiting van de resultaten van het DNA-onderzoek naar aanleiding van de onrechtmatige aanwezigheid van het DNA-profiel van verdachte in de databank. De rechtbank is voorts van oordeel dat het DNA-materiaal dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de capuchon van de rode sweater, alsmede aan de binnenzijde van de bivakmuts, dadersporen moeten zijn, gelet op het feit dat op deze plaatsen slechts DNA-materiaal is aangetroffen van een persoon, alsmede gelet op de plaats waar dit materiaal is aangetroffen, te weten daar waar speeksel aanwezig kan zijn van iemand die de bivakmuts respectievelijk de sweater met capuchon achterstevoren heeft gedragen.

De door verdachte afgelegde verklaring, dat hij ten tijde van de overval samen met een persoon genaamd [getuige 3] laminaat aan het leggen was bij een vriend genaamd [getuige 4], acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de onduidelijkheden en verschillen in de verklaringen van verdachte, getuige [getuige 3], [getuige 4] en zijn broer [getuige 5] ten aanzien van de dagen waarop verdachte zou hebben gewerkt, de hoeveelheid uren die hij per dag zou hebben gewerkt, alsmede het tijdstip waarop hij ’s ochtends aanwezig was.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 07 september 2011 te Wijk bij Duurstede tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

- geld (een bedrag van 1250 euro) en

- diverse goederen (waaronder een autosleutel, sieraden, een spiegelreflexcamera, een soundsystem, een Xbox, laptops, een paspoort, een groene tas, microfoons), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een valse sleutel

en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van

geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gezet en heeft gericht op voornoemde [slachtoffer] en heeft voorgehouden en

- die [slachtoffer] toen dreigend een of meermalen heeft bevolen:

"Naar beneden, laag" en "Waar is de kluis", althans woorden van gelijke

aard en/of strekking en

- vervolgens die [slachtoffer] heeft gedwongen de in de woning aanwezige kluis te

tonen en te openen en

- die van [slachtoffer] toen dreigend eenmaal heeft bevolen: "Open maken" en "Waar is de rest" en

- vervolgens die [slachtoffer] op de grond heeft gedrukt en

- de armen en benen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast heeft gemaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Dit laatste zoals dat naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzittingen en uit de bespreking aldaar van het over hem opgemaakte rapport van Reclassering Nederland van 30 november 2011 en het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie.

Verdachte heeft zich wat het bewezenverklaarde betreft schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Hij heeft, samen met zijn mededader, aangeefster onder bedreiging van een pistool (of een op een pistool gelijkend voorwerp) overvallen in haar woning en haar uiteindelijk gekneveld achtergelaten in een kast en deze kast dicht gedaan.

De gevolgen van de woningoverval zijn voor aangeefster, maar ook haar gezin, buitengewoon ernstig geweest, zo blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Aangeefster is veel schrikachtiger geworden en checkt regelmatig of alle deuren wel op slot zitten. Haar dochter is erg overstuur geweest, wilde niet dat haar moeder de honden alleen uitliet en vraagt nog steeds regelmatig of de deuren wel op slot zijn.

Verdachte heeft geen oog gehad voor het gegeven dat een dergelijk feit bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. Het is een feit van algemene bekendheid dat woningovervallen ernstige en langdurige psychische schade aan kunnen richten bij de slachtoffers.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten bij woningovervallen. Indien sprake is van licht geweld/bedreiging wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Licht geweld wordt gedefinieerd als een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel.

Indien sprake is van ander geweld wordt ingevolge de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren gehanteerd.

De rechtbank zal een woningoverval met ander geweld als uitgangspunt hanteren, gelet op de bedreiging met een pistool, het voortdurend vasthouden van aangeefster en naar beneden duwen van haar hoofd, het knevelen van aangeefster en het gekneveld achterlaten van aangeefster in een gesloten kast. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte meewegen dat er geen letsel is toegebracht.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 31 oktober 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict. Ook houdt de rechtbank rekening met de nog jonge leeftijd van verdachte.

Gelet op de ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.250,00 voor het ten laste gelegde feit, te weten € 3.000,00 aan immateriële schade en € 250,00 aan materiële schade, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen. De verdediging is mening dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is, hetgeen inhoudt dat verdachte van zijn verplichting tot betaling van de schade zal zijn bevrijdt voor zover hij of zijn mededader aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 9;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.250,00, waarvan € 250,00 ter zake van materiële schade en € 3.000,00 ter zake van immateriële schade; en het totale bedrag vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

7 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 3.250,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 42 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. G. Perrick, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 mei 2012.

Mr. J.R. Krol en mr. G. Perrick zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.