Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4425

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
16/601246-11 en 16/600397-11 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601246-11 en 16/600397-11 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans verblijvende in de PI Utrecht, Huis van Bewaring Wolvenplein,

raadsvrouw mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: in de periode van 21 december 2011 tot en met 23 december 2011 een fiets heeft gestolen;

subsidiair: zich in de periode van 21 december 2011 tot en met 23 december 2011 schuldig heeft gemaakt aan heling van een fiets.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak van verdachte voor het hem ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat er ten tijde van zijn aanhouding van geen enkele objectieve omstandigheid sprake was waaruit een redelijk vermoeden van schuld van verdachte aan enig strafbaar feit kon worden afgeleid. Verdachte was immers in het bezit van een fiets met een origineel slot en een originele fietssleutel. Daar komt bij dat de fiets ten tijde van de aanhouding niet als gestolen stond gesignaleerd. De aanhouding van verdachte was onrechtmatig en daarmee ook de in beslagname van de fiets. Hierdoor is al het daaruit voortgevloeide bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen en mag dit derhalve niet tot het bewijs worden gebezigd, aldus de raadsvrouw. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de diefstal van de fiets door verdachte. Ook van opzetheling dan wel schuldheling is geen sprake, nu verdachte stelt € 65,- voor de fiets te hebben betaald, hetgeen volgens verdachte een redelijk bedrag voor de fiets was, gelet op de staat waarin deze verkeerde. Ook is de fiets niet getaxeerd door een ter zake deskundige. Bewijs dat verdachte wist dat de fiets van diefstal afkomstig was ontbreekt. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat de situatie van verdachte vergelijkbaar is met de casus in het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2008 (NJ 2008, 228 LJN BC5957). Uit niets blijkt van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs voor de diefstal van de damesfiets ontbreekt, nu niet uitgesloten kan worden dat een ander de fiets heeft gestolen en aan verdachte ter hand heeft gesteld. Verdachte zal derhalve van het hem primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van het hieronder weergegeven bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een damesfiets van het merk Gazelle.

Bewijs

Op 23 december 2011 is verdachte in het bezit van een Gazelle damesfiets, die op 21 december 2011 is gestolen. Verbalisant [verbalisant] ziet verdachte op 23 december 2011 fietsen. Verdachte is bij verbalisant [verbalisant] ambtshalve bekend als iemand die voornamelijk winkel- en fietsdiefstallen pleegt en geen mooie fiets in bezit heeft. Verbalisant [verbalisant] is bekend met de harddrugsverslaving van verdachte en van het feit dat hij misdrijven pleegt om zijn verslaving te kunnen bekostigen. Ook weet verbalisant [verbalisant] ambtshalve dat verdachte de dag ervoor, op 22 december 2011, staande was gehouden bij een fietsenstalling naar aanleiding van een melding dat een man veel belangstelling toonde voor fietsen en diverse fietsen had beetgepakt. Verbalisant [verbalisant] houdt verdachte staande, waarop verdachte verklaart dan dat hij de fiets voor € 65,- had gekocht van een voor hem onbekende man. Verbalisant [verbalisant] schat de marktwaarde van de Gazelle damesfiets op € 200,-. Hierop houdt verbalisant [verbalisant] verdachte aan.

Nadere bewijsoverweging

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat bij verdachte het opzet op het plegen van heling ontbrak, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij de genoemde damesfiets twee en een halve week eerder voor € 65,- van een onbekende man bij de PLUS supermarkt had gekocht. Nog daargelaten de omstandigheid dat deze verklaring als leugenachtig terzijde moet worden gesteld omdat de fiets kort voor het aantreffen onder verdachte was gestolen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn eerdere veroordelingen ter zake van opzetheling een gewaarschuwd man was en enig onderzoek naar de herkomst van de fiets had moeten doen. Hij heeft zulks kennelijk achterwege gelaten en de rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de genoemde damesfiets, wist of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze damesfiets door misdrijf was verkregen. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de aanhouding

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest, waardoor het daaruit voortvloeiende bewijs onrechtmatig verkregen is en niet voor het bewijs mag worden gebezigd. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien een redelijk vermoeden van schuld van verdachte aan een strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering rechtvaardigen. De aanhouding van verdachte was dan ook niet onrechtmatig. Het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 21 december 2011 tot en met 23 december 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, een damesfiets (merk Gazelle) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Opzetheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar gevorderd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat een ISD-maatregel aan verdachte niet kan worden opgelegd, nu het voorhanden zijnde reclasseringsrapport betreffende verdachte niet voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 38m lid 4 en lid 5 van het Wetboek van Strafrecht. De rapportage is ondeugdelijk en bevat geen behandelplan, omdat verdachte in het Huis van Bewaring nimmer is bezocht door de reclassering. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een ISD-maatregel niet noodzakelijk is, nu verdachte bereid is zich te laten opnemen in een hostel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een fiets. Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

- een verdachte betreffend omvangrijk uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan - onder meer - soortgelijke strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 26 januari 2012, opgemaakt door

L. Scheffers, reclasseringswerker, waaruit - onder meer - volgt dat betrokkene niet wenst mee te werken aan behandeling of begeleiding in het kader van de ISD-maatregel en dat betrokkene daarmee niet open staat voor gedragsverandering. Samenvattend kan gesteld worden dat alle pogingen tot ambulante behandeling van verdachte vanaf 2002 niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Betrokkene is nog steeds verslaafd aan drugs en blijft hierdoor met grote regelmaat met politie en justitie in aanraking komen. Een langdurig verblijf in een justitiële inrichting lijkt vooralsnog het enige alternatief om gedragsverandering bij betrokkene te stimuleren. Geadviseerd wordt de vordering die strekt tot plaatsing van betrokkene in een inrichting voor stelselmatige daders toe te kennen.

In tegenstelling tot wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat voornoemd reclasseringsrapport voldoet aan de eisen die artikel 38m lid 4 en lid 5 daaraan stelt. Het rapport bevat een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de maatregel strekkende tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders. Gelet op de beschreven voorgeschiedenis van verdachte heeft de reclassering redelijkerwijs tot voornoemd advies kunnen komen. Dat er geen gesprek met verdachte aan het advies ten grondslag heeft gelegen doet hier niet aan af, nu verdachte de reclassering meermaals kenbaar heeft gemaakt niet mee te willen werken aan behandeling of begeleiding in het kader van de ISD-maatregel. Niet is gebleken dat verdachte zijn standpunt daaromtrent heeft gewijzigd. Ook is van enige bereidheid van verdachte tot medewerking aan behandeling of begeleiding in het kader van een ISD-maatregel ter terechtzitting niet gebleken.

Verdachte is verslaafd aan harddrugs en kan deze verslaving kennelijk alleen bekostigen door het steeds weer plegen van vermogensdelicten. Zijn strafblad bevestigt deze gedachtegang. Verdachte is in 2006 eerder tot de ISD-maatregel veroordeeld. Nadien is hij in 2008, 2010 (driemaal) en 2011 (driemaal) onherroepelijk tot gevangenisstraffen veroordeeld, waarvan eenmaal deels voorwaardelijk. Dit alles heeft verdachte niet van de huidige recidive kunnen weerhouden.

Verdachte moet dan ook worden gezien als een veelpleger van (onder meer) vermogensdelicten. Tevens blijkt dat eerdere hulpverleningstrajecten niet het beoogde effect hebben gehad en dat verdachte steeds is teruggevallen in hetzelfde patroon. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Het is de enige remedie om, in ieder geval gedurende de periode van twee jaar, de maatschappij te beschermen tegen de overlast en schade die door verdachte wordt veroorzaakt. De rechtbank beoogt daarmee tevens verdachte te doen inzien dat het nu echt tijd is zijn gedrag te veranderen en werk te maken van resocialisatie.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, deze feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

7 Het beslag

7.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [benadeelde], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in verband met de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel gevorderd de voorwaardelijke gevangenisstraf van een (1) week die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 24 april 2011 niet ten uitvoer te leggen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de hem bij vonnis van 24 april 2011 opgelegde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij de tenuitvoerlegging van deze straf gelet op de op te leggen ISD-maatregel niet opportuun acht.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzetheling

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

Beslag

- gelast de teruggave aan [benadeelde] van het in beslag genomen voorwerp, te weten;

* een fiets van het merk Gazelle;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 maart 2012.