Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4418

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
KLR-I-92011030916
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking artikel 552p Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Lurisnummer : KLR-I-92011030916

Rekestnummer : RK 12/226

Uitspraak : 2 april 2012

Beslissing vordering verlof ex artikel 552p lid 2 Wetboek van Strafvordering

Beslissing van de rechtbank te Utrecht, meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van het openbaar ministerie belast met de opsporing en vervolging van strafzaken in deze rechtbank ex artikel 552p lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in het kader van een uit Servië afkomstig internationaal rechtshulpverzoek d.d. 12 mei 2011, in de aldaar aanhangige strafzaak tegen

[A]

en

[B]

ter zake verlof om de door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging te verstrekken afkomstig van

[bedrijf 1],

gevestigd te [adres], [vestigingsplaats], Nederland.

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare zitting van de meervoudige kamer van 19 maart 2012.

Ter zitting is gehoord de officier van justitie, mr. K.G. Westdijk. [bedrijf 1], [A] en [B] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank heeft kennis genomen van en acht geslagen op de inhoud van het dossier, waaronder:

- een rechtshulpverzoek van A. Vujicic, onderzoeksrechter te Belgrado, van 12 mei 2011, onder meer strekkende tot inbeslagname en overdracht van:

* bankafschriften en/of specificaties van de zakelijke banken bij welke de onderneming [bedrijf 1] rekeningen heeft;

* de factuur van de onderneming [bedrijf 1] onder nummer: NL000732-1, opgesteld op 6 december 2005;

* de uitvoerverklaring van de douane, voor het leveren van het systeem voor brachytherapie ‘Microselectron V3’ 30-canalen, met fabrieksnummer: 10100, door de onderneming [bedrijf 2] d.o.o. ([bedrijf 2]) met zetel te [vestigingsplaats];

- een proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2011 van Regiopolitie Kennemerland, Internationaal Rechtshulp Centrum Noordwest & Midden Nederland met onderzoeksnummer KLR-I-2011030916, ter zake de uitlevering en inbeslagname van de stukken bij [bedrijf 1], welke op 22 september 2011 in beslag werden genomen. Kopieën van de in beslag genomen voorwerpen maken onderdeel uit van dit proces-verbaal;

- een verzoek ex artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van

20 december 2011, van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, strekkende tot verlof om de in beslag genomen stukken van overtuiging over te dragen aan de officier van justitie opdat deze ter verdere uitvoering van het rechtshulpverzoek kan overgaan tot afgifte daarvan aan de Servische justitiële autoriteiten.

Overweging

De officier van justitie verzoekt ter terechtzitting om instemming met het verzoek van de rechter-commissaris strekkende tot het verlenen van verlof ex artikel 552p lid 2 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging bij [bedrijf 1]

De rechtbank stelt vast, op grond van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2011 voornoemd, dat het om de reeds bij [bedrijf 1] in beslag genomen stukken gaat.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gegrond op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en het Aanvullend Protocol bij het Europese Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en dat het rechtshulpverzoek is gedaan door de daartoe bevoegde autoriteit.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gedaan met het oog op waarheidsvinding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

Blijkens het rechtshulpverzoek is de Servische strafbepaling artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht van de Republiek Servië in het geding, waarop een gevangenisstraf van 2 tot 12 jaren is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële feiten omschreven in het rechtshulpverzoek vallen onder de Nederlandse strafbepaling van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde Servische en Nederlandse artikelen in de kern hetzelfde rechtsbelang beogen te beschermen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarstelling.

Gelet op het hiervoor gestelde en ook overigens is niet gebleken van enige belemmering van wezenlijke aard. Het verzoek is daarom geheel voor inwilliging vatbaar. Alle in beslag genomen stukken, welke vermeld staan in het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2011 voornoemd, kunnen aan de verzoekende autoriteiten worden overgedragen en daarbij hoeft geen onderscheid te worden gemaakt.

Artikel 552p, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing.

BESLISSING:

De rechtbank staat het door de officier van justitie verzochte verlof toe in die zin dat de in het verzoek van de rechter-commissaris genoemde in beslag genomen stukken van overtuiging waar de Servische justitiële autoriteiten in het rechtshulpverzoek om hebben verzocht, te weten de in beslag genomen stukken onder [bedrijf 1] op 22 september 2011, aan de officier van justitie ter beschikking kunnen worden gesteld, opdat deze ter verdere uitvoering van het rechtshulpverzoek kan overgaan tot overdacht daarvan aan de verzoekende autoriteiten.

Daarbij bepaalt de rechtbank dat het verlof slechts wordt verleend onder het voorbehoud dat voormelde stukken worden teruggezonden, zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Deze beslissing is genomen door mrs. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. J.R. Krol en

mr. C.A.M. van Straalen, rechters, bijgestaan door mr. N.R. Bakkenes als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2012.